Tagarchief: vogel

Milcham

De roman Onder een hemel van sproeten wisselt steeds van verteller tussen de jonge Amy die in haar dagboek aan Milcham schrijft en de oude man Jacob die treurt om de dood van zijn vrouw.

Milcham is de naam van de vogel uit een verhaal dat oma ooit aan Amy vertelde:

Milcham leefde duizend jaar en toen vatte zijn nest vlam, maar één ei in het nest werd niet verwoest en daaruit werd Milcham opnieuw geboren. Hij bleef bestaan, omdat hij een puur hart had. Hij koos niet voor kennis, maar voor intuïtie, voor gevoel, voor overgave. Als je je overgeeft, ben je het sterkst. (89)

Een prachtige keuze om haar dagboek te richten tot de vogel die steeds als een feniks herrijst. Onbewust schrijft Amy aan haar overleden vader, die zich Milcham noemde. Haar tante Rosa vertelt haar dat ze zo op haar papa Milcham lijkt. Als ze dit hoort, is ze niet de enige die beduusd kijkt. Als lezer ervaar je hetzelfde.

De troost zit ook voor de lezer in dit verhaal. Dan mag het verhaal eindigen alsof het nest na 1000 jaar vlam vat en alles verwoest. Er blijft een ei over waaruit Milcham geboren zal worden.

Een mooiere vorm van hoop, is er niet.

Lees morgen het vervolg op deze blog: Afmaken in de polder »

Alex Boogers: Onder een hemel van sproeten. Roman. Amsterdam: Uitgeverij Podium, 2017. ISBN: 987 90 5759 836 4. 373 pagina’s. Prijs: € 19,99. Bestel

IJsvogeltje – Lepelaarplassen (4)

Ik roep Inge en Doris er ook bij. Inge heeft haar fototoestel paraat en schiet een paar prachtige foto’s. Het is de eerste keer dat ze het ijsvogeltje ziet. Een extra bijzonder moment en ik denk terug aan de keer dat ik het vogeltje hier voor het eerst zag. Blijft een fantastisch moment om dit beestje te spotten. Het onverwachte moment dat je ineens zo’n vogeltje in het vizier krijgt. Dat blijft heerlijk om mee te maken. Die kick lijkt nooit te veranderen.

Verder is het natuurlijk gewoon lekker om te genieten van de rust. Te zien hoe de zon steeds verder wegzakt en je uiteindelijk in die bol kan kijken. Te worden opgevreten door de massa’s muggen die om je hoofd zoemen, maar ook op je arm, in je nek of op je oor zitten, prikken en aan je bloed sabbelen. Het ruisende riet dat deze plek tot een ware idylle maakt. Je bent blij dat er muggen en hardpratende gasten zijn. Anders zou het hier teveel op het paradijs gaan lijken.

Tot het moment er echt is: je moet weer terug naar huis. Je hobbelt over de gaten weer terug naar huis. Soms klapt je onderkaak tegen je bovenkaak omdat het gat iets groter is dan je dacht. Dan weer op het fietspad naar huis, ingehaald door stinkende brommertjes en je ziet de vuurtjes hun rook op laten dwarrelen bij de dagcamping. Auto’s met de deuren open en de muziek bonkend.

We redden het net voor de lantaarns aangaan in ons eigen park. Zo stoer als we heen fietsten over het fietspad, zo kiezen we nu het glibberige modderpad langs de kikkerpoel. Lekker snel thuis, rakelings langs de brandnetels. Het park is al leeg en verlaten. Net als ons hoofd. Heerlijk terug van een avondje in de natuur. Een heus avontuur.

Merelkroost (3)

Hoe blij je kunt zijn met het gepiep van de jonge merels in de achtertuin. De achterdeur staat open en ik ben druk bezig met het vastleggen van mijn eigen verleden. In de tuin klinken de merels die hun jongen voeren.

Het zijn er 2! Kan niet missen dat dit de merels zijn van wie ik 2 weken geleden 1 heb gered en het andere in het nest aantrof. Het verlaten ei is niet uitgekomen en het nest is verlaten gebleven. De bladeren er groeien alweer over.

Dan word je helemaal blij als je merkt dat het is goedgekomen met de jongen. Tussen de bladeren van de ginkgo zie ik er 1 zitten. De ander is al weggevlogen. Ze groeien hard en ik denk dat ze binnenkort al zelf eten bij elkaar kunnen scharrelen.

Zo zie je maar. De ouders hebben op een onhandige plek het nest gebouwd, maar onze redding is goed geweest. Anders had de kat ze zeker te pakken gehad. Net als de volhardendheid van de ouders natuurlijk. Het maakt je even dankbaar als je ziet hoe de natuur om het huis zich staande houdt.

Ontsnapt – Merelkroost (2)

Op de gok hijs ik het diertje in de richting van het nest, open met mijn vingers het groen en laat het daar ergens vallen. Het jonge vogeltje dwarrelt weer naar beneden, half fladderend. Dat is niet de bedoeling.

Ik zoek het diertje weer, het zit ergens in de buxushaag. Weer geritsel. Het beestje belandt op het voetpad en ik kan het weer opscheppen. Ik geef het aan Inge en ga een krukje halen om er beter bij te kunnen. Het vogeltje laat een poepje in Inges hand vallen.

Ik klim op het krukje en neem het diertje weer over. Daar zit het nest duidelijk. Ik kan er nu goed bij. Het vogeltje breng ik naar de voorheen veilige plek. Er zit nog een jong. Ik kan niet zien of het dier nog leeft of dat de kat deze heeft vermoord. Bah, wat zijn katten toch een rotbeesten. Ze vermoorden mijn vrienden.

Daar laat ik ze achter. Het wordt donker. Gaan ze de nacht halen. De gillende ouders kalmeren, maar ze gaan niet meer naar het nest. Dat is geen goede ontwikkeling. Ik hoor het gekrijs van de ouders nog in mijn oren tuten.

De volgende morgen bij het wandelen met de honden staan de oudermerels druk aan het rondvliegen. In de bek hebben ze wormpjes vast. Zou het toch lukken? Ik zie ze niet naar het nest vliegen. Ze zoeken wel. Met zachte kluukjes roepen ze naar hun kroost. Geen beweging.

Ik moet weer weg. Als er ‘s avonds weer een kat zit te loeren naar het nest, ben ik onverbiddelijk. Ik gooi een flinke plens water in de richting van het beest. Eigen schuld, dikke bult. Maar geen bedrijvigheid meer rond het nest. Toch meen ik duidelijk te horen dat ze het jong roepen. Zou het toch de nacht gehaald hebben?

Als ik de volgende avond kijk uit het slaapkamerraam, zie duidelijk het nest liggen in het groen. Zonder jongen. Zouden ze het gehaald hebben? Ik heb geen idee. Al hoor ik vandaag wel heel vaak ekster, kauwtjes en gillende merels. Zou het jonge vogeltje de volgende levensgevaarlijke levensfase zijn ingegaan?

Op onderzoek naar het nest, vind ik er nog een ei in. Het nest verlaten, het ei is niet uitgekomen. Ik verbaas mij over de bouwkunst van de merels om zo’n mooi nest op te bouwen. Spijtig dat ze verdwenen zijn.

Merelkroost

Heerlijk luisteren naar muziek op een zomeravond. Ik hoor van alles er doorheen tetteren buiten, maar kijk niet. De muzikale beweging telt. Ik geniet en laat me niet afleiden.

Pas laat dringt tot me door wat er eigenlijk gebeurt. De merels voor het huis vliegen gillend rond. Dan valt er opeens een kat uit de klimop naast het huis. Het gegil verergert. Geen houden meer aan.

Ik gooi mijn koptelefoon af en ren naar de voordeur. Als ik buiten sta, zie ik een jonge merel over het pad fladderen. Het diertje poogt op te stijgen, maar voor het goed en wel in beweging is, trekt de grond aan hem.

Wat moet ik doen? Ik roep Inge erbij. Het diertje zit in de bosjes voor het huis. Ik trek aan een tak en het jonge vogeltje schiet alweer weg. Fladderend zonder op te stijgen vindt het een plekje op het fietspad.

Fietsen rijden om het zielige hoopje merel. Het diertje zit helemaal stil op het asfalt. Inge is er nu ook. ‘Pak hem maar op’, zegt ze. Ik durf het niet. ‘Je kunt hem gewoon opscheppen.’ Dan glijden mijn handen onder en over het vogeltje en scheppen het omhoog.

Het snaveltje opent zich in de veronderstelling dat het iets te eten krijgt. Ik heb niks. ‘Nu moeten we het terugstoppen in het nest.’ Ik ga terug naar de klimop. Waar zit in vredesnaam dat nest. Ik kijk door het groen en zie iets zitten. Hoog en net binnen mijn bereik. Of zit het toch iets verder weg?

Lees morgen het vervolg: Ontsnapt

Donkere vlek

image

We krijgen een opdracht bij binnenkomst: schilder de vlinder die bij deze dag past voor jou. Er staan al verschillende vlinders op. Een vlinder met een zwarte rand, een vlinder in de kleuren van de Nederlandse vlag en een vlinder die helemaal oranje.

Ik ontwijk de opdracht. Moet het echt? Nou, ik neem eerst nog even een kop koffie, denk ik. Dan sta ik uiteindelijk voor het doek met een penseel in de hand. Geen idee wat te schilderen. Ga dat eerst bedenken voordat je al een penseel in de aanslag hebt.

Ik kan niet schilderen, geef ik als excuses. Het beeld dat ik schilder ziet er altijd anders uit dan ik in mijn hoofd heb. Maar nu heb ik zelfs geen plaatje in mijn hoofd. De vlinder wil niet komen. Ik zie alleen een merel in mijn gedachten.

Het is de merel die ik niet zie, alleen hoor. De zon straalt door een strakblauwe hemel. Geen wolkje aan de lucht. Ik zit op de grond. Alle stoelen zijn bezet en voor een rij stoelen waarop de familie zit. Voor hen de kist en het uitzicht op de laan met aan weerszijden de dennenbomen. Veel woorden en muziek. Dan is er even een totale stilte.

Niemand zegt iets, zelfs geen ademhalen hoor je. Totale stilte. En hoor een merel zingen in 1 van de dennenbomen waar je vanuit de aula op kijkt. De mooie ronde zang van mijn vriend spreekt de mooiste woorden van troost. Het is een verhaal buiten mensen, van een vogel.

Ik pak het penseel, doop hem in de zwarte klodder verf die er nog ligt van de zwarte rand op de vlindervleugel. Het penseel draait een rondje, doet een poging om een achterlijf te boetseren. Een grote klodder maakt het lijf boller. Ik pak oranje voor de snavel, zie dat ik die al in zwart gemaakt heb en pruts lang toch het oranje op het doek te laten vallen.

Dan de poten, het worden 2 lompe klompen in het oranje van de snavel. Als ik nog even kijk en zie dat het niet goed is, probeer ik de vogel onherstelbaar te verbeteren. Het achterlijf moet anders ik klieder met zwart. Het lijf wordt alleen maar groter en de vorm van de ranke merel verandert in een dikke donkere kip.

Het blijft een vreemde gewaarwording een vogel tussen de vlinders. Al blijft de vogel die in mijn hoofd fluit veel mooier dan deze donkere vlek.