Tagarchief: tubantia

Tijdbox – Tiny House Farm

In de tijd bij de Twentsche Courant Tubantia op de stadsredactie van Hengelo, mocht ik een artikeltje schrijven over een mini-onderneming van een groep MBO-studenten. Ze hadden het Kresj-pakket ontwikkeld. Een doos met benodigdheden voor als er een aanrijding gebeurt.

De doos die ik van ze kreeg, heb ik altijd zorgvuldig bewaard. En daarmee is het een soort tijdbox geworden. Zorgvuldig dichtgehouden met de spullen uit 2003. Bij het opruimen heb ik het artikel teruggevonden en niet alleen het artikel. Ik vond ook het Kresj-pakket.

Ontzettend gaaf is het om die box weer even open te maken. Je houdt de dingen in je handen die in 2003 nog veel gebruikt werden. Het opvallendste ding dat erin zit, is de wegwerpcamera. In die tijd veelgebruikt. Op onze bruiloft hebben we deze dingen aan onze gasten uitgedeeld. Na afloop verzamelden we ze weer en hebben alle foto’s laten ontwikkelen. Het liet een leuke, andere kant zien van onze trouwerij.

Verder valt het allemaal wel mee met de ouderwetsheid. Het schadeformulier is weliswaar vernieuwd in tussentijd, maar niet wezenlijk. De medische artikelen zijn niet altijd bruikbaar. Een compres schijnt maar beperkt houdbaar te zijn. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de latex handschoentjes. Al vind ik ze nog best flexibel.

En zo verdwijnt er weer een tijdbox van zolder. Sommige dozen bij mij op zolder gedragen zich echt als de tijdbox die klokhuis een paar jaar geleden inzamelde. Doris heeft er toen ook eentje opgestuurd. Ze zijn soms al meer dan 10 jaar niet meer open geweest. Het aantal van deze dozen neemt gigantisch af. Een logisch gevolg van mijn opruimwoede.

Nog een paar krantenknipsels – Tiny House Farm

We gaan nog even verder met de stukken die ik schreef in de tijd dat ik journalist was bij de Twentsche Courant Tubantia. Ik werkte eerst op de stadsredactie van Hengelo, het jaar erop een jaar voor de redactie Hof van Twente. Bij allebei veel geleerd en heel veel geschreven. Heel veel.

Elke dag schreef ik minimaal 1 artikel, meestal meer dan 1. Ik herinner mij dat ik soms in vakantietijd de hele pagina voor de Hof van Twente verzorgde. Het spreekt voor zich dat ik die dag niet weg kon. Dan was ik alleen aan het schrijven.

Dubbelgevouwen artikelen

De stapel papier in 2 cassettes opgeborgen en eigenlijk niet meer open geweest, sinds ik hier in Almere woon, ben ik begonnen. Het meeste heb ik op de foto gezet. Een paar artikelen die mij dierbaar zijn, heb ik bewaard. Het past precies in een klein mapje. Niet veel meer van die enorme berg oude kranten.

Wel leuk om die artikelen weer door mijn handen te laten glijden. Ik lees over Ria van Leuteren en haar pleidooi voor borstvoeding. Ik heb vaak aan haar gedacht toen Inge borstvoeding gaf. Zelfs de uitgebreide tips die ze gaf, wist ik mij toen nog te herinneren. Ria van Leuteren praatte ook 5 kwartier in een uur.

En al die andere verhalen. Ik heb ooit het idee gehad om er een soort verhalenbundel of roman van te maken. Niet dat ik het ooit gedaan heb. Teveel werk en gedoe. Al ligt er nog steeds een mooi idee van mij op de plank. Wie weet. Als ik straks alle ruimte heb omdat ik zoveel spullen heb weggedaan. Inclusief de inspiratierijke artikelen.

En de oude kranten? Inge kan ze goed gebruiken om te knutselen met de kinderen.

Tubantia

Jan Cremer is in zijn roman Fernweh ongenadig naar een aantal Twentse kopstukken. Zo moet de directeur-hoofdredacteur van Tubantia, Houwert, eraan geloven.

Cremer schrijft dat zijn vader niet tegen de halfslachtige houding van Houwert tegenover de bezetter kan. Daarom ontaardt het in een knetterende ruzie tussen de 2 Twentenaren. En dat komt niet goed meer.

Waar ikzelf zo’n dertien jaar later nog mee te maken krijg. Op de advertentie in Tubantia ‘Leerling-journalist gevraagd’ heb ik gereageerd, ik ben vijftien, en na een sollicitatiegesprek en een persoonlijke rondleiding door de drukkerij met de enthousiast geworden heer Houwert word ik aangenomen. (178)

Hij mag maandag beginnen, maar de volgende dag moet hij toch nog even langskomen. Daar krijgt hij de vaag van de directeur-hoofdredacteur: ‘Heet jouw vader toevallig ook Jan?’

Het antwoord laat zich raden en Jan Cremer kan fluiten naar deze functie.

Ik heb de zoon van deze Houwert gekend. Hij bestierde toen de burelen van Wegener. Een heuse krantenman, maar wel met een vergelijkbare norsheid over zich. En of hij zou heulen met de vijand? Dat durf ik niet te zeggen.

Jan Cremer: Odyssee, Fernweh. 1e deel uit de Odyssee-cyclus. Amsterdam, Antwerpen: De Bezige Bij, 2016. ISBN: 978 90 234 9982 4. 288 pagina’s. Prijs: € 19,99. Bestel

Stilte

image
Citaat uit Jan Mulders essay Doodstil, uitgekomen ter gelegenheid van de maand van de spiritualiteit

‘De stilte in de kamer is ook zonder geluid in orde wanneer het de redactie van een krant betreft’, schrijft Jan Mulder in het boekje Doodstil. Het boekje schreef hij speciaal voor de maand van de spiritualiteit vorige maand. Na deze opmerking citeert de oud-Volkskrant-columnist uit een interview met Heldring (94 jaar).

‘Ik ben altijd vroeg opgestaan, om een uur of zes. Er is een tijd geweest dat ik om vijf uur wakker werd, dan stond ik maar op. Ging ik douchen, ontbijten en stapte ik op de fiets naar de Haagse redactie van de NRC. Zat ik daar in mijn eentje, dat was prettig, het was stil en ik stoorde niemand.’ (19)

In de tijd dat ik solliciteerde bij de Twentsche Courant Tubantia 10 jaar geleden, bestierde Jan van Nus de hoofdredactie. Van Nus begon nog altijd op het tijdstip waarop de krant ‘s middags werd gedrukt. De krant was al enige tijd een ochtendkrant, maar hij liep in de vroege morgen rond half 6 ter redactie en maakte zijn vaste ronde. Zo liep hij vanuit de postkamer met de post en bezorgde deze op alle lege bureaus.

Van Nus moet de stilte gekend hebben waar Heldring over spreekt in het interview. Al die lege bureaus en geen enkele telefoon die gaat. Geen stem, alleen maar de voetstappen van Van Nus. Ik kan ook zo genieten van een leeg kantoor. Het liefste op een zomerochtend. Als buiten alle vogels fluiten. Het verkeer nog niet op gang. De totale rust, omdat de mens nog niet actief is.

Het was op zo’n morgen begin december dat Van Nus mij tegen 8 uur belde. ‘Ik heb slecht nieuws en goed nieuws’, zei hij. Ik was na de recruitmentdag in Amersfoort op gesprek geweest in Enschede. Daar waren ze erg onder de indruk geweest over mijn verhaal dat je schrijft voor je lezers.

Ik hield een lang betoog over de lezer en de verwachtingen die de lezer koestert. Allemaal rechtstreeks uit mijn studie van ALW. De lezer die betekenis geeft aan de tekst. Daarom moet een journalist zich bewust zijn van de lezer. Hij schrijft de krant voor de lezer.

Het verdrietige nieuws was dat ik niet op 1 februari kon beginnen als WEP’per. ‘Het goede nieuws is dat we alledrie de kandidaten een plek willen geven. In oktober komen nog 2 werkervaringsplekken vrij. We willen je dan heel graag hebben.’ Ik was diep onder de indruk van het aanbod. ‘Ik bel je in het voorjaar nog een keer en vraag of je nog belangstelling hebt. Zolang blijft die plek voor jou.’

In juli belde hij nog een keer. Eveneens iets voor 8 uur. Het was voor mij onzeker of ik bij mijn werkgever mocht blijven. Daarom zei ik dat ik er nog even over moest nadenken. Ik vroeg hoe laat ik hem het beste kon bellen. ‘Doe maar op dit tijdstip’, antwoordde hij. ‘Maar eerder mag ook. Ik ben hier altijd om half 6.’

Later – ik werkte een paar maanden bij Tubantia – vertrok Jan van Nus. Hij had een paar jaar als hoofdredacteur gewerkt omdat niemand anders wilde. Ik vertelde mijn chef Jan Bengevoort over het vroege tijdstip waarop Van Nus altijd belde. Hij lachte. ‘8 uur. Dat is nog laat. Hij belde eerst iedereen al om half 7. Dan was hij verbaasd dat hij iedereen wakker maakte.’