Tagarchief: reisboek

Bill Bryson over Paul Theroux

Onderweg door Engeland in Een klein eiland refereert Bill Bryson regelmatig naar zijn landgenoot Paul Theroux. De schrijver van veel reisboeken heeft ook een trip door Engeland gemaakt in Kingdom by the Sea, vertaald als Het drijvende koninkrijk.

Al wandelend langs de Engelse kust merkt Bill Bryson dat zijn 20 kilometer tussen Lulworth en Weymouth heel wat langer duurt dan het reisboek van Paul Theroux suggereert:

In zijn boek Kingdom by the Sea wekt Paul Theroux de indruk dat je dat met gemak kunt wandelen en dan ook nog rustig uitgebreid theedrinken en de plaatselijke bevolking afkatten, maar hij zal wel beter weer gehad hebben dan ik. (140)

Hij wordt er chagrijnig van dat hij een hele ochtend doet over nog geen 8 kilometer. Als hij dan na uren sjokken doorweekt is, ziet hij daar Weymouth liggen. Hij doet er 2 volle uren over voordat hij de buitenwijken van het stadje bereikt en nog eens een uur voor hij in het centrum staat. Gelukkig valt het plaatsje aan de kust hem best mee.

Lees morgen het vervolg: Treinliefhebber

Bill Bryson: Een klein eiland. Oorspronkelijke titel: Notes from a Small Island. Vertaald door Suzan de Wilde. Amsterdam: uitgeverij Contact, 1999. ISBN: 978 90 254 9989 9. 400 pagina’s. Pandora Pocket.

Bijzondere vloer

Op zijn reis door Engeland in Een klein eiland doet Bill Bryson ook een bijzondere vloer aan. Het is op heuvel boven Winchcombe. Hier bij een plek die Cole’ Hill heet, moet hij een vrijwel ondoordringbaar bos door. Vooral de braamstruiken beletten zijn doorgang.

Hij is op zoek naar de overblijfselen van een Romeinse villa. Het is een hele zoektocht, waarbij Bill Bryson zich al slaand met zijn stok een weg baant door het kreupelhout. Volgens een vriend moet hier een stuk vrijwel ongeschonden Romeins mozaïek liggen.

Stukje vloer

De anders zo spraakzame Amerikaan, staat er nu met een mond vol tanden. Lange tijd staart hij naar het stukje vloer van anderhalve meter in het vierkant. Beseffend dat wat hij hier ziet, niet gemaakt is om uiteindelijk in een museum terecht te komen:

Omdat het mozaïek nog op zijn oorspronkelijke plaats lag, omdat het niet was afgeschermd met touwen en in een eigentijds gebouw was tentoongesteld, was het nog steeds overduidelijk en schitterend een vloer en niet slechts een amusant kunstig object. (194)

Een vloer om op te staan dus. Hier hebben meer dan 1600 jaar eerder mensen op gestaan. Romeinen met de sandalen aan, in gesprek met elkaar, nippend van een glas wijn. Hij kijkt nog lang vanaf het muurtje waarop hij zit, waarna hij de zakken kunstmest en stenen die erop lagen weer teruglegt.

Hoe anders als bij het andere monument, Stonehenge, waar Bill Bryson opgelucht stelt dat het afgezet is door een touw. Het grote nadeel daarvan is dat het prehistorische monument minder goed tot leven komt. Maar het behoud staat voorop en ik hoop dat dit ook nu nog geldt voor het mozaïek bij Winchcombe in dit rustige hoekje van de Cotswolds.

Lees morgen het vervolg: Bill Bryson over Paul Theroux

Bill Bryson: Een klein eiland. Oorspronkelijke titel: Notes from a Small Island. Vertaald door Suzan de Wilde. Amsterdam: uitgeverij Contact, 1999. ISBN: 978 90 254 9989 9. 400 pagina’s. Pandora Pocket.

Bedelkerk

Kerken bedelen, stelt Bill Bryson in zijn reisboek Een klein eiland. Al bij de entree staan de grote borden klaar die vragen om een vrijwillige bijdrage. Daarna word je als bezoeker regelmatig herinnerd aan:

Alles bij elkaar telde ik negen verschillende collectebussen tussen de entree en de cadeauwinkel – tien als je die voor de votiefkaarsen meetelt. (116)

Hij schrijft dit over de kathedraal in Salisbury, maar het geldt voor heel veel kerken in Engeland, stelt Bill Bryson. Al is hij zich ervan bewust dat de kerken veel geld moeten hebben om overeind te blijven.

£ 8.000 per jaarEen klein eiland.

En gelijk heeft hij, maar tegelijk zet het mij aan het denken over de openstelling van kerken. Ergens verwacht je dat je geen entree hoeft te betalen, maar het instandhouden van al deze monumenten kost verschrikkelijk veel geld.

Sinds ik dit gelezen heb, houd ik hier extra rekening mee als ik een kerk binnenstap en langs zo’n collectebus loop.

Lees morgen het vervolg: Bijzondere vloer

Bill Bryson: Een klein eiland. Oorspronkelijke titel: Notes from a Small Island. Vertaald door Suzan de Wilde. Amsterdam: uitgeverij Contact, 1999. ISBN: 978 90 254 9989 9. 400 pagina’s. Pandora Pocket.

Little Dribbling

En dan heb ik nog niet eens verklapt waarom ik eigenlijk Bill Brysons boek Een klein eiland lees. Ik heb namelijk het vervolgboek van Bill Bryson De weg naar Little Dribbling liggen ter bespreking. Enthousiast begon ik eraan, maar bij de inleiding stuitte ik op de reden van dit boek: het 20 jaar eerder verschenen reisboek door Groot Brittannië: Een klein eiland.

De meligheid waarmee hij zijn nieuwe reisboek opent, vraagt om het ter hand nemen van de vorige reis. Het is onmogelijk om deze boeken omgekeerd te lezen, lijkt deze inleiding te willen zeggen. Net als dat je eerste het ene boek besproken moet hebben voordat je het andere alleen al begint te lezen. Het gevaar van de verwarring en het door elkaar hutselen ligt op de loer!

Verzonnen naam

Overigens komt de door Bryson verzonnen naam Little Dribbling uit zijn eerdere Engeland-boek. Daar schrijft hij over de bereikbaarheid in Engeland. Engelsen klagen al steen en been voor een klein autoritje, ze vinden hun land namelijk veel groter dan het is.

Het gesprek gaat er dan over een pietluttig afstandje, dat Engelsen in gesprek met elkaar veel groter maken dan het is. Het is heel erg ver en vergeet alle activiteiten die op het traject plaatsvinden niet. Ze werken vertragend en maken een autoritje van een uur, snel een lange reis:

‘En dan is er dit weekend ook de Great West Steam Rally in Little Dribbling,’ meldt iemand die van het andere eind van het vertrek bij jou komt staan, omdat het altijd leuk is om akelig automobilistennieuws te kunnen brengen. (27)

De plaats Little Dribbling bestaat niet, maar zou natuurlijk zo kunnen bestaan. In het nieuwe reisboek van Bill Bryson maakt hij de rit die hij hier beschrijft. Met minstens evenveel hilariteit waarmee hij in Een klein eiland heel Groot Brittannië doorkruist.

Lees morgen het vervolg: Bedelkerk

Bill Bryson: Een klein eiland. Oorspronkelijke titel: Notes from a Small Island. Vertaald door Suzan de Wilde. Amsterdam: uitgeverij Contact, 1999. ISBN: 978 90 254 9989 9. 400 pagina’s. Pandora Pocket.

Bill Brysons Een klein eiland

Zo’n boek dat ik al een tijdje in de boekenkast heb staan en waarvan ik weet dat ik het zou moeten lezen. Als ik het dan eindelijk lees, kan ik mijzelf niet begrijpen: waarom heb ik het niet eerder gelezen!

Wat een geweldige reisschrijver is Bill Bryson. Zijn trektocht door Engeland, Een klein eiland is een genot om te lezen. De zelfspot en humor waarin hij zijn reis door Groot-Brittanië beschrijft, zijn onnavolgbaar.

Natuurlijk stuit je ook op de onhebbelijkheden van Bill Bryson. Hij heeft een hekel aan de autisten van de Blaenau Ffestiniog Railway. Zij laten de beroemde stoom trein vertrekken 4 minuten voor de bus aankomt en Bryson 4 uur moet wachten tot de volgende trein gaat.

Ook andere ongemakken meet Bill Bryson uitvoerig uit in zijn reis door Groot Brittannië. Zoals de lelijke gebouwen die Engelsen in hun steden weten te zetten. Elke stad heeft wel zoiets lelijks. Sommige steden zagen er in het verleden heel mooi uit en zijn voorgoed verknalt. In de Victoriaanse tijd moet Engeland er adembenemend uit hebben gezien volgens Bryson. Daar is veel moois van verdwenen.

En dan is er natuurlijk nog de hel van het zoeken naar een goed hotel. Bill Bryson stelt dat zijn vrouw hier een kei in is. Hij niet. Net als dat hij in de supermarkt altijd de verkeerde rij bij de kassa kiest, zo weet hij uit een rijtje hotels perfect de verkeerde te kiezen.

Mijn vrouw kan een rij pensions bekijken en dan direct datgene uitkiezen waar een witharige weduwe met een vriendelijk karakter en een zwak voor kinderen de scepter zwaait en dat sneeuwwitte lakens en fonkelend badkamersanitair te bieden heeft, terwijl ik meestal uitkom bij datgene waar een vent met een inhalige instelling, een peuk op zijn lip en zo’n hoest waarbij je je afvraagt waar hij de fluim laat, de baas is. En ik dat, wist ik akelig stellig, zou vanavond het geval zijn. (281/282)

Inderdaad vindt hij zo’n pension. Niet onvermakelijk natuurlijk. Het zou een saai verhaal opleveren als hij met zijn vrouw zou zijn geweest of haar mooie eigenschap zou hebben gehad. Nu geeft het veel vertier. Waarbij de veel te hoge prijs voor de overnachting samen met de walgelijk smerige koffiepotjes prachtig zijn om te lezen.

Tussen al het gemopper valt het dan op als Bill Bryson onverwacht positief is over een stad. Of als hij na een dag mopperen, de volgende dag ineens de schoonheid van Edinburgh ziet. Dan moet hij wel oppassen in de trein als hij in slaap valt, de kwijl die uit zijn mond valt, zorgt daar voor een groot web van slijm.

Zo rol je van het ene plezier in het andere als je Bill Brysons boek leest. Het stimuleert mij zelfs bij het schrijven. Ik betrapte mij erop dat ik het reisje naar het Muiderslot opeens op eenzelfde manier ging beschrijven. Onhandig, want ik geloof nooit dat ik deze reisheld kan evenaren.

Lees morgen het vervolg: Little Dribbling

Bill Bryson: Een klein eiland. Oorspronkelijke titel: Notes from a Small Island. Vertaald door Suzan de Wilde. 2e druk. Amsterdam: uitgeverij Contact, 1999. ISBN: 978 90 254 9989 9. 400 pagina’s. Pandora Pocket.

Congo en Almere

De gastschrijver van Almere, Redmond O’Hanlon houdt zijn 2e avond in de bibliotheek. In november vertelde hij over zijn eerste ervaringen in onze stad. Nu vergelijkt hij Almere met zijn reiservaringen in Congo.

In het eerste gedeelte van de avond leest hij voor uit zijn magnum opus Congo. Zo vertelt hij over de fetisj die hij aan het begin van zijn reis koopt bij een Congolese tovenaar. Volgens de verkoper zit er een kindervinger in, maar Redmond O’Hanlon kan dat niet geloven, hij denkt dat er de vinger van een aap in zit.

Naast de fetisj heeft hij nog iets bij zich: een Afrikaans beeldje, uit hout gesneden en waarin onder meer met een mes bij de nek delen zijn weggeschraapt. Of de 12 knopen in het rode touw dat om zijn nek hangt. Elke knoop is een geslaagde vloek.

Na het voorlezen uit Congo is het de beurt aan een serie dia’s. Aan de hand van deze beelden vertelt Redmond O’Hanlon over zijn verdere belevenissen in Afrika. Zo komt het beroemde petje voorbij, net als de jonge gorilla die Redmond dagenlang heeft verzorgd. Hij is als een moeder voor het dier.

Het deel na de pauze is echt interessant. Hier vertelt Redmond over de overeenkomsten tussen Congo en Almere. Hij weet er aardig wat op te sommen. Zo geniet hij van de kleine gemeenschap in Nobelhorst. Er wonen betrekkelijk weinig mensen bij elkaar. De ideale gemeenschap zou volgens hem – en een bevriende professor die hij citeert – bestaan uit 60 tot 80 personen. Daarmee verklaart Redmond ook dat mensen niet meer vrienden/bekenden hebben dan dit aantal. Je kunt niet meer onthouden dan het seksleven van maximaal 60 mensen, zegt hij.

De pygmeeën die hem in Congo bij zijn reis door de jungle vergezellen, zijn vijanden van de banda. De banda zijn best agressief, maar volgens Redmond kunnen de pygmeeën vrij eenvoudig hun jachtgebieden veiligstellen tegen de banda. De banda’s zijn ontzettend bijgelovig. Elke boom heeft een ziel. ‘Dan zeggen ze tegen een banda, loop niet langs die boom, want anders vallen je ballen eraf. De banda geloven dat en durven nooit langs die boom te lopen. Zo weten de pygmeeën de beste jachtgebieden te behouden.’

In Congo is Redmond op zoek naar de dinosaurus die in het meer zou leven volgens de overlevering. Het dier is al lange tijd niet meer gezien, maar toch probeert Redmond het prehistorische dier te zullen zien. Het Weerwater is zeker zo waardevol als het meer in Congo. ‘Alleen mist het een monster’, stelt de Engelse schrijver van reisverhalen. ‘Of nee, er is wel degelijk een monster. En dat monster heet Floriade!’

De Oostvaardersplassen kent Redmond O’Hanlon al. Een jaar of 30 geleden nam Adriaan van Dis hem hierheen. Als vogelliefhebber zag hij het pasgeboren natuurgebied. Het is ondertussen veranderd in een heuse farm met al die buffels, stelt hij. Buffels zie je op elke boerderij, die hoef je niet in een natuurgebied uit te zetten. Net als de herten en paarden, vindt hij dat er teveel zitten. ‘Er moeten gewoon 3 of 4 roedels wolven komen, dan is er snel een natuurlijk evenwicht.’ Maar dat heeft een keerzijde: ‘Wolven zijn gek op mensenbaby’s.’

Een gebied als de Oostvaardersplassen moet zeker de poorten openen, maar wel voor alleen natuurliefhebbers. Liefhebbers van iets anders kunnen ook naar een pretpark gaan. Het gaat juist om het contact met de natuur. Het idee dat je heel even op survival bent om dan maandag gewoon weer op kantoor aan het werk te kunnen.’

Lees verder over Het geheim van Almere

Literaire verwijzingen

img_20160926_204115.jpgHet reisverhaal In Patagonië van Bruce Chatwin bevat een paar prachtige literaire verwijzingen. De meest in het oog springende verwijzing is die naar Dante. Hier vergelijkt Bruce Chatwin Tierra del Fuego met het eiland waar Ulysses in Dantes Inferno probeert aan te meren.

De vergelijking doemt op als de Nederlanders proberen aan te meren. De vuren die de Hollanders vanaf hun schepen zien, doen ze denken aan het inferno, boordevol met monsters en de Roc, een reusachtige condor. In werkelijkheid waren de vuren aangestoken door de Indianen op het eiland.

Dan is Vuurland Satans land, waar vlammetjes flikkeren als vuurvliegjes op een zomernacht en, in de enger wordende kringen van de Hel, het ijs de schimmen van verraders gevangen houdt als rietjes in een glas.
Dit verklaart misschien waarom ze niet geland zijn. (127)

Een mooie combinatie van de literatuur en de geschiedenis van de ontdekkingsreizigers. De vergelijking met Ulyssus die bij Dante gestraft wordt voor zijn verlangen de grenzen die de mens gesteld zijn, te overschrijden.

Naast Dante haalt Bruce Chatwin ook Shakespeare aan. Hij doet dit als hij de herkomst van de naam Patagonië bespreekt. Het gebied zou verwijzen naar de grote voeten van de oorspronkelijke bewoners, maar het monster Patagon.

Shakespeare heeft in zijn tragedie De storm duidelijk verwijzingen naar de Zeereis van Pigafetta, stelt Bruce Chatwin. In deze Zeereis spelen monsters met de kop van een hond en de poten van de hartebeest, de Grote Patagon, een rol.

Heerlijk om zo de grote literatuur te zien verzinken in het boeiende reisboek In Patagonië. Zo zijn vallen alle verhalen samen bij Bruce Chatwin.

Bruce Chatwin: In Patagonië. Oorspronkelijke titel: In Patagonia. Uit het Engels vertaald door Eelco Hesse. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 1987 (1e druk in 1979). ISBN: 90 351 0518 4. 228 pagina’s. Alleen antiquarisch verkrijgbaar

Neef Charlie

img_20160926_204138.jpgBruce Chatwin reist zijn neef Charlie achterna in het reisboek In Patagonië. Bovendien vertelt hij de vele verhalen van de mensen die in dit onherbergzame gebied leven. De aanleiding is een stukje huid, van wie het verhaal gaat dat het om de huid van een dinosaurus gaat.

Niet waar, zo ontdekt hij nog voor hij naar Patagonië gaat, maar wel de moeite waard om zijn neef achterna te gaan. Niet alleen de plekken te bezoeken die zijn neef aandeed, maar vooral de verhalen van het gebied en zijn bewoners te achterhalen.

En dat zijn bijzondere verhalen, al is de leidraad in het boek toch wel de bijzondere neef, neef Charlie. Hij spoelt in Patagonië aan. Letterlijk als kapitein van een koopvaardijschip leidt hij schipbreuk en vestigt zich in Punta Arenas. Hij heeft een huis met een torenkamer. Volgens de buren kan hij niet kiezen of hij in een kasteel of een kerk wil wonen.

Mijn neef Charlie had in de toren een telescoop staan en als oude zieke man placht hij uit te turen over de Zeestraat. Of hij zat aan een schrijftafel zijn geheugen te doorzoeken om de extase te hervinden van wie met een schip de zee op gaat. (168)

Een prachtige episode waarin Bruce Chatwin helemaal in de huid van zijn neef kruipt. Naar de huid van de bijzondere luiaard waar zelfs Goethe een essay over schreef, gaat Chatwin verder op zoek. De grot waarin met het ‘grove, roodachtige haar dat ik zo goed kende’. Daar in die grot merkt hij dat het haar zijn eigen herinneringen van een verduisterde slaapkamer in oorlogstijd oproepen. De nieuwe verhalen weten dit niet te overschrijven.

Bruce Chatwin: In Patagonië. Oorspronkelijke titel: In Patagonia. Uit het Engels vertaald door Eelco Hesse. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 1987 (1e druk in 1979). ISBN: 90 351 0518 4. 228 pagina’s. Alleen antiquarisch verkrijgbaar

Onmogelijk wonen

img_20160926_204106.jpgDe wind snijdt altijd ijskoud door alle kieren van de huizen, schrijft Bruce Chatwin in zijn reisboek In Patagonië. Het maakt het bijna onmogelijk om hier te wonen. Alleen de schapen weten het hier uit te houden.

Aan de hand van de bijzondere bewoners die Chatwin bezoekt, komen de verhalen van Patagonië los. Zoals van de oude vrouw van wie haar boerderij werd afgepakt door de marxisten in 1973. Ze woont nu in een nieuw, klein huis.

De bui brak los. De regen kletterde bij bakken neer in de tuin vol bloemen. Het nieuwe huis was klein maar warm. Er lagen vaste groene kleden en er stonden Chippendale-meubeltjes.
‘Ik ga niet weg,’ zei ze. ‘Ik hoor hier thuis. Ze zouden me eerst moeten ombrengen. Trouwens, waar zou ik heen moeten?’ (167)

Dat is wel met het gebied. Het kost misschien veel ontberingen om er te wonen, maar als je er eenmaal woont, wil je er niet meer weg. Zo vindt Bruce Chatwin er ook het verhaal van zijn neef Charlie en vermengt dat mooi met zijn bevindingen in gebied in het zuiden van Argentinië. Het is er prachtig door de onherbergzaamheid en lelijkheid.

Bruce Chatwin: In Patagonië. Oorspronkelijke titel: In Patagonia. Uit het Engels vertaald door Eelco Hesse. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 1987 (1e druk in 1979). ISBN: 90 351 0518 4. 228 pagina’s. Alleen antiquarisch verkrijgbaar