Tagarchief: radio

Pijpje op dak – Tiny House farm

Je zou vermoeden dat met de buitenmuren ook de rest van het huis staat. De meestgestelde vraag die we krijgen is: wanneer ga je er nou wonen? Het is toch klaar. Nou dat is de buitenkant vooral. Was het eerst de buitenkant die opgebouwd is, nu is het de binnenkant die wordt aangepakt. Zo komt de elektriciteit erin, is de vloer er pas in gelegd en begint het inrichten van de badkamer. Ook krijgen de muren een dik pak isolatie. Buiten is alles min of meer hetzelfde gebleven. Met 1 groot verschil: er steekt een pijpje uit het dak.

We zagen het zaterdag toen we langs het landje reden. De werklui waren alweer aan de slag en ineens stak daar dat pijpje midden in het dak eruit. Waar komt dat vandaan? We schrokken er een beetje van en informeerden meteen waarvoor dat diende.

Het pijpje is er voor de leidingen van de zonnepanelen die we ook laten aanleggen. Het geeft ons meteen een beetje energie. Het worden niet zoveel panelen. We verbruiken in ons huidige huis erg weinig stroom, ongeveer voor 1,5 persoon, terwijl we met 3 mensen in huis leven. Het water zal straks wel elektrisch worden verwarmd, maar dan nog zal het verbruik – denken we – best kunnen meevallen. En een paneeltje erbij is met het pijpje in het dak, zo geregeld.

We werden deze week ook verrast door een berichtje in de mail. ‘Jullie huis is genoemd!’ In het programma Spraakmakers op Radio 1, bezoekt Tracy Metz Oosterwold. En ze is onwijs enthousiast, waarbij de Amerikaanse het heeft over een ‘heel grappige knalroze Tiny House’.

En een mooi compliment natuurlijk met haar opmerking over alle mensen die druk aan het werk zijn in dit bijzondere deel van Almere: ‘Er is een nieuwe generatie pioniers hier bezig Oosterwold vorm te geven.’

En zo regelen wij de rest. De terp die om het huis heen moet worden gelegd, de aansluiting op water en licht en dan de aansluiting op de riolering die er is aangelegd. Allemaal dingen die om een zorgvuldige planning vragen. En dat vraagt soms best wat van ons.

Maar vooralsnog lijkt het allemaal te gaan lukken en verhuizen we deze zomer!

Beluister Tracy Metz op Radio 1

Themapark – Naar de hunebedden (5)

We lopen daarna door het themapark om te zien in welke huizen de hunebedbouwers leefden. Huizen die al veel laten zien van de bouw als het Los Hoes. Een eenvoudige kapconstructie zoals nog duizenden jaren gebouwd is. Zelfs onze huizen zijn hier nog op geïnspireerd met de schuine, aflopende daken.

Op het dak ligt riet, soms heel stengels. Boven het vuur hangen grote stukken dierenvel, van koeien onder meer. Het houdt de vonken tegen van het vuur. Dat verkleint de kans op brand. De rook zoekt een weg door de kieren en gaten. Bovenin de nok van het dak, aan de voorkant van het huis, zit een groot gat voor de ventilatie.

De bankjes die er staan zijn typisch iets voor de moderne mens. Wij brengen een heel groot deel van de dag zittend door. Iets wat de hunebedbouwers veel minder deden. Zeker, ze zullen gezeten hebben, maar meer op de vlakke bodem of op een boomstam of iets anders. Niet op een krukje of een bankje zoals die hier staan.

Ook hier leer je weer vuur te maken. Er zijn meerdere technieken vertellen de vrijwilligers van het park. Ze dragen de kleding van de hunebedbouwers. Lange gewaden om het lichaam gedrapeerd. Het is lekker warm bij het vuur, terwijl het buiten ondanks de zon helemaal nog niet zo heet is.

De huizen uit de bronstijd en de steentijd lijken op elkaar. Anders is het met de hutten van de jagers en verzamelaars. Hier zijn het vooral tijdelijk bouwsels. Voor een korte periode om als er geen voedsel meer te vinden is, verder te trekken.

Er staat een tent gemaakt van takken en dierenvellen. Het houdt veel kou tegen, het vuurtje zou voor de tent moeten worden gemaakt. De ronde hut die naast de tent staat, is gebouwd van wilgentenen en riet is heel mooi. Hier is het zelfs mogelijk om een vuurtje in aan te leggen.

Inspirerend en mooi om te zien hoe onze verre voorouders leefden in het ruige moerasland dat Nederland toen was. Daarnaast is er een heus blote voetenpad te vinden in het themapark. De schoenen uit en dan met de blote voeten over houtsnippers, kleine steentjes, zand, verbrande houtskool, schelpen en modder.

Een belevenis voor de voeten. Hier liepen de hunebedbouwers gewoon de hele dag doorheen met de blote voeten. De dikke eeltlaag die zij bezaten, hebben wij niet meer, merk ik als ik zo loop. Het is wel een belevenis en ik neem mij voor om vaker op blote voeten straks in de tuin te lopen.

Na het ijsje gaan we terug naar het hunebed. Die belevenis willen we nog een keer meemaken. Het is altijd mooi om met zoiets af te sluiten. Nog even langs de stenen en het verleden beleven. Daar kan geen museum tegenop. Dichterbij kun je niet komen. Dat ervaar ik hier weer. Het is genieten als we een momentje helemaal alleen zijn bij de stenen. Kijken, kijken, maar vooral beleven. Wat is dit mooi!

Zo rijden we even later genoegzaam weer naar huis. Het is een eind rijden zo vanuit Noord-Drenthe naar de Flevopolder. Als lijkt de terugreis veel sneller te gaan. Geen Hans Sibbel over forensende automobilisten, maar nu draaien we muziek van Spinvis. Een gezellig dagje weg, een betere verjaardag kun je je niet wensen. En inderdaad, ze is er heel content mee.

Dit is het 5e en laatste deel van de serie Naar de hunebedden.

3FM

image
In de rij voor gratis boeken bij het Tropenmuseum in Amsterdam

Een app’je van mijn broer: ‘Hoorde ik je nou op de radio? Ze hadden het op 3FM over de bibliotheek waar jij gisteren was’. Natuurlijk heb ik het niet gehoord. Wel drukte een journaliste van het Radio 1 journaal een microfoon onder mijn neus. IJdel als ik ben, luisterde ik die avond gelijk op internet terug naar Radio 1.

Daar hoorde ik niet mijn stem. Wel sprak de man aan wie ik het boek gaf uit een reeks waarvan hij de rest voor mij weggriste. Het was het bovenste boek van een stapel tijdschriften over primitieve kunst. De man had de rest van de stapel in zijn handen. Gepakt van het schap terwijl ik nog in dat ene exemplaar keek. Ik gaf het hem. Hij vertelde voor de microfoon trots over zijn score.

Het interview met deze man was inderdaad leuker dan de antwoorden die ik in de microfoon van de verslaggeefster geblazen had. Ze had naar mijn enorme boodschappentas gekeken vol met boeken en vroeg of ik gevonden had wat ik zocht. Ik verbaasde mij over de microfoon die onder mijn neus geschoven werd.

Daarom wist ik niet zo goed wat ik moest antwoorden. Aan het eind vroeg ze wat ik allemaal had gevonden. Ik vertelde van Junghuhn en over Zuid-Afrika. Ze vroeg of ik nog ruzie gemaakt had. ‘Nee, ruzie om een boek maak ik niet’, zei ik.

Precies die zin werd uitgezonden op 3FM de volgende morgen om half negen. Ik hoorde het bij het terugluisteren op internet na de tip van mijn broer. Giel Beelen vond het bizar. De nieuwslezeres noemde mij ‘deze man’. Uren zou ik in de rij hebben gestaan om een gratis boek te scoren.

Dat vond ik wel een beetje overtrokken, walgde ervan mijn eigen stem te horen. En ergens voelde ik mij best trots dat een quote van mij het nieuws van 3FM haalde.

Beluister het fragment van een minuut vanaf 2:30:31

Wereldmuziek op de autoradio


In zijn popmeditatie 81 schrijft Steven Gort over het gebrek aan muziek op de radio. Ik ervaar hetzelfde voor klassieke muziek. Veel klinken de bekende deuntjes van Vivaldi, Bach en Mozart. Minder aandacht is er voor muziek die op zijn minst je wenkbrauwen doen fronsen.

Toch zijn er heel mooie uitzonderingen. Ik zit in de auto in de veronderstelling op weg te zijn naar een orgelconcert. Ik luister naar radio 1, het programma Kunststof. Daar hoor ik iets waar ik uit mijzelf nooit naar zou luisteren. Maar ik luister verder.

Het is een interview met altviolist Oene van Geel. Hij treedt deze week op bij het Nord Sea Jazz festival en ontving de Boy Edgar prijs voor jazz en improvisatie. Het interview was best interessant. Al merk ik zelf dat geklets over muziek functioneert als omlijsting bij de muziek. Het waren juist die fragmenten die mijn nieuwsgierigheid opwekten.

Bij muziek is het niet zo interessant wat iemand vindt, maar veel meer wat hij doet. Hij kan van alles vinden, maar als hij dat niet in mooie muziek weet om te zetten, dan heb je er niks aan. Zo genoot ik van het eerste muziekstuk dat ze lieten horen: een bewerking van een lied van Radiohead. Ik ontdekte hoe mooi populaire muziek kan zijn op andere instrumenten dan de gitaar. Ook het loslaten van de electronica kan verrassende effecten opleveren.

Maar naast het bewerken van popmuziek in het strijkerskwartet Zapp4 is Oene van Geel ook actief op andere gebieden. De improvisatie die hij speelde op zijn altviool klonk bijzonder spannend. Het demonstreerde hoe leuk improviseren is. Net als de brede kijk op muziek, de uitstapjes naar de populaire muziek en de beïnvloedingen van andere muziek. Ze staan meer in de wereld dan organisten.

Want wat ik erg indrukwekkend vond, was de invloed van de Slavische muziek en de Indiase muziek. De verwijzing die hij maakte vanuit de zigeunermuziek naar de Indiase invloeden. Hij liet horen hoe muziek is die zich laat beïnvloeden door andere muziek. Ik merk dat organisten een angst hebben zich hiervoor open te stellen.

Juist de wereldmuziek biedt mogelijkheden voor organisten. De mooie orgelmuziek uit de 20e eeuw is vrijwel allemaal ontstaan vanuit de beïnvloeding van andere muziek: Arvo Pärt, Jan Welmers, Olivier Messiaen, Jehan Alain. Ze vormen een reactie op de wereldse muziek van dat moment. De beïnvloeding van de popmuziek moet nog komen, maar biedt kansen. Net als dat de jazzmuziek veel mogelijkheden geeft, zoals ik laatst hoorde bij het concert van Bert van den Brink in het Orgelpark.

Van Oene van Geels woorden vond ik het onthouden waar dat je moet oppassen niet alles perfect te willen kunnen. Gewoon doen met vallen en opstaan, helpt ook muziek mooi te maken. Een leerrijk autoritje, waar ik helaas voor het laatste muziekstuk met minimal-achtige muziek de auto verliet. Een brede kijk op muziek. Midden in de wereld staan. Hier liggen kansen voor organisten en klassieke musici.

Dreiging van overkant

image
Stilleven dat Jan Wolkers maakte van de inhoud van zijn overlevingspakket op het eiland Rottumerplaat

Jan Wolkers zit bijna een week op het eiland Rottumerplaat en beseft hoe kwetsbaar de natuur van de Waddenzee is. De dreiging van deze paradijselijke wereld, ondervindt de schrijver aan den lijve. Het water aan de kant van de Waddenzee wordt ernstig vervuild door de ‘smeerpijp van ex-minister Bakker’. Garnalen en mosselen die de schrijver aan de kant van de Waddenzee vindt, zijn aangetast door het vuile water.

Het is 1971 en het milieu heeft niet de hoogste prioriteit. Alles staat ten dienste van de industrie. Dat er wat olie in zee terecht komt, is niet zo belangrijk. ‘Ik durf niet meer uit dat riool van ex-minister Bakker te vreten. Dus ik vis alleen maar garnalen in de Noordzee’, zegt Wolkers dan ook. Van schepen worden vaten ruwe olie roekeloos over boord geworpen, met alle gevolgen van dien.

De radio-uitzendingen Alleen op een eiland lijken een kentering te vormen in het natuurbeheer van de Waddenzee. De indringende verslagen van Jan Wolkers zijn hier zeker debet aan. Op zaterdagmorgen, een paar uur voordat hij wordt opgehaald, vat de schrijver het allemaal nog eens samen. De milieuvervuiling en de smeerpijp van ex-minister Bakker vormen een enorme bedreiging voor het ecologisch systeem van de Waddenzee.

‘Hier dit eiland, dit is prachtig, dat is geweldig. Maar je wordt bij iedere stap geconfronteerd met de dreiging van de overkant. Ik heb gisteren was het water hier zo… de waddenzee dus de Noordzee is erg schoon aan de andere kant van het eiland. Er spoelde een soort drap aan, die stonk, die verschrikkelijk is. Ik geloof dat we die smeerpijp, dat die verlengd moet worden, dat ze die om moeten buigen, in de voor- en achtertuin van ex-minister Bakker en dat ze daar de rotzooi maar in moeten spuiten.’

De dode vogels die hij gevonden heeft, de dode zeehondenmoeder en de garnalen van de Waddenzee die helemaal rot van binnen zijn. Jan Wolkers ziet het allemaal en doet er op indringende wijze verslag van. Daarom werpt hij zich als vurig pleitbezorger op voor een zorgvuldiger natuurbeheer van de Waddenzee. Weg met de ‘smeerpijp van ex-minister Bakker’. We moeten zuinig zijn met dit prachtige stuk natuur dat Nederland bezit. Het is weerloos tegen de vervuiling. Al het moois dreigt zo verloren te gaan.

‘Ik hoop dat de hele bevolking van Nederland begrijpt wat hier in de Waddenzee aan de hand is. Als je bijvoorbeeld gisteren met die zon een dikke zeehond die zo’n vijftig meter uit de kust daar aan het spelen is een aan het zonnen. Dan zeg je nou het is een misdaad wat hier gebeurt.’

Ook in zijn boek Groeten van Rotummerplaat spreekt Jan Wolkers over ‘dat riool van ex-minister Bakker’. Hij noemt hem niet meer met naam, maar wijst wel op de risico’s van de vervuiling. Als hij zeven dode vogels vindt, wijst hij op de vervuiling: ‘Ik vermoed dat ze door het eten uit die vervuilde en verkankerde Waddenzee vergiftigd zijn.’

In zijn dagboek besteedt Jan Wolkers juist veel ruimte aan het beschrijven van het eiland. Voor hem het paradijs. Ontroerend is de beschrijving van zijn laatste tocht over het eiland. ‘Onder het lopen had ik steeds de gedachte: Ik kom hier nooit meer. Het paradijs sluit zich onherroepelijk achter me. Dit is mijn laatste tocht over het eenzame eiland.’

Stinkaars

imageDe waardering van de waddeneilanden als kostbaar natuurgebied, is pas laat op gang gekomen. Tot ver in de jaren 1950 waren er serieuze plannen om het waddengebied in te polderen. Vanuit die gedachte is de zandplaat Rottumerplaat voorzien van een dijk, zodat de plaat zich tot een eiland zou vormen.

Ergens in de jaren 1970 is er een kentering. Natuurliefhebbers ontdekken de grote waarde van het waddengebied. Ik heb het idee dat het radioprogramma Alleen op een eiland, Dagboek van een eilandbewoner meegeholpen heeft aan de waardering voor de waddeneilanden als kostbaar natuurgebied.

Het is natuurlijk lastig om te bepalen of die liefde voor de waddeneilanden voortgekomen is uit het radioprogramma of dat het andersom is gegaan. Vooral Jan Wolkers bekommert zich erg over de Waddenzee. Hij pleit voor een beter milieubeleid. Vooral trekt hij van leer tegen de ‘smeerpijp’ van minister Bakker. Het is een pijp die het (olie)afval gewoon in de Waddenzee loost.

In een uitzending van Alleen op een eiland kondigt Jan Wolkers zich aan als de ‘verschrikkelijke strandolieman. Hij geeft aan teer gecrepeerde dooie vogels cadeau van de stranden der wereldzeeen.’

Dan volgt een hard oordeel over de ‘smeerpijp’: ‘Het stinkt hier de laatste dagen verschrikkelijk erg. Of dat de wind nu van het land komt. Er zijn ook ineens vijf of zes jonge vogels die hier in de buurt waren, zijn doodgegaan op een raadselachtige manier. Ze liggen gewoon hier dood. Toen ben ik de beestjes gaan bekijken die ze eten, kleine mosselen en zo, en die zijn gewoon helemaal rot van binnen. En dat komt, je zou kunnen zeggen door die stinkaars van ex-minister Bakker, die tegen alle raadgevingen in van biologen daar maar dat ding heeft laten uitspuien. En dat is een lichtvaardigheid die aan misdadigheid grenst. Want het is zo’n ontstellend mooi gebied dat de enige wens en verlangen die je hier hebt is dat het zo blijft.’

Een openhartig pleitbezorgen voor het behoud van de Waddenzee en een zorgvuldig omgaan met de natuur. Godfried Bomans had deze bewondering ook voor de prachtige natuur. Het bracht hem terug naar de tijd ‘van voor genesis. Toen alles nog woest en ledig was.’ Bomans weet de liefde voor de natuur niet over te brengen. Hij vertrapte met zijn slechtziendheid de eieren in de meeuwennesten.

Jan Wolkers weet wat natuur nog is in dit land. Hij loopt bezielt en vol liefde voor al het natuurschoon rond op het eiland. Hij pleit openhartig voor een zorgvuldig natuurbeheer in het Waddengebied. Nu vliegen de straaljagers nog laag over en loost de smeerpijp van ex-minister Bakker zijn afval in het gebied.

Dat moet veranderen en Jan Wolkers laat dat weten ook. Hij bedient zich hierbij van een bloemrijk taalgebruik. Aan milieuvervuiling is weinig moois. Maar de woorden van Jan Wolkers zijn prachtig.