Tagarchief: mening

Persoonlijk bericht

image

Er verscheen een tijdje terug een persoonlijk berichtje op facebook, gevolgd door een prive-berichtje op twitter. Ze kwamen allebei van Barbara Pavinati. Ik ken haar sinds mijn studietijd. We studeerden allebei Nederlands in Leiden. Zij was een jaar eerder begonnen en ook een jaar eerder klaar. We kwamen elkaar regelmatig tegen, richtten een leesclubje op en deelden de perikelen in de liefde.

De laatste keer dat ik haar tegenkwam was op haar 30e verjaardag. Haar vriend, Chairman, was er ook aanwezig. We aten en dronken er heerlijk een heuse high tea op het terras bij het Koetshuis De Burcht. Met heel veel mensen zaten we aan een lange tafel. Prachtig weer, de junizon. Het was heerlijk, maar we moesten snel weer gaan want mijn oma lag op sterven.

En ineens lag daar die vraag tussen mijn berichten. Ik wist er niet zo goed raad mee. Zeker, ik had weleens contact gehad via twitter en facebook. We hadden kort geschreven over ons wel en wee. Ze schreef dat ze tegenwoordig in het oosten van het land woonde. Terwijl ik dat oosten net verruild had voor het westen. Daarnaast begreep ik dat haar vriend, Chairman, was overleden.

Ook las ik dat ze werkte aan een boek. Ze bewerkte haar blogs tot een boek. Een klus die best zwaar was, schreef ze. Een boek vraagt een andere werkwijze dan een blogje. Papier leest anders en is een ander soort medium dan het scherm van de computer.

Ze vroeg in het berichtje van een paar dagen terug of ik haar boek wilde bespreken op mijn blog. Een vraag waarover ik goed moest nadenken. Het recenseren van boeken van vrienden is moeilijk. Je wilt je vrienden niet tekort doen in je bespreking. Tegelijkertijd wil je ook eerlijk zijn over het boek. Als je een boek niks vindt, is dat lastiger te verkopen aan een vriend dan aan iemand die je niet kent. Met een vriend onderhoud je namelijk ook nog een relatie.

En Barbara is een vriend. De eerste keer dat ik haar zag was bij de Bert van Selmlezing. Het was aan het einde van de introductiedag voor eerstejaars studenten. Ze zat in de rij achter mij. Ik was eerstejaars en diep onder de indruk van haar. De donkere haren, donkere ogen en rijzige verschijning. ’s Avonds trad ze op bij het open podium met haar gedichten. Sterk gericht op klank. Ze waren een verademing met de academische poezie die anderen tentoonspreiden. Ik hield het meer op rijmpjes en maakte de liefde bijna zonder gedaante.

Later mijmerden we vaak over gedichten en de liefde. Dan zagen we elkaar in de steeg tussen universiteit en stad. We moesten een leesclubje beginnen, stelden we voor. Zo ontstond een eigen leesclubje. In de naam zat iets met ‘hemel’. Daarnaast vonden we elkaar in de 19e eeuw. Zij Bilderdijk ik Junghuhn. Al stapte ik regelmatig over om van de mooie poezie van Bilderdijk te genieten, de kunst der poezy.

Het bezwaar bij het lezen van een boek van een bekende is dat je dingen tegenkomt die je al weet. Tegelijkertijd is daar de fictie. De verschuiving van de werkelijkheid naar de wereld van het verhaal op papier. Dat is een heel andere wereld en dat levert vaak een conflict op. Ik schreef haar over mijn worsteling. Ik wil het doen, antwoordde ik. ‘Wel geef ik de opmerking dat ik mijn mening niet onder stoelen of banken steek op mijn blog.’ Vind ik het niks, dan schrijf ik dat ook, was mijn waarschuwing erbij.

Het boek viel twee dagen na mijn antwoord met een harde plof op de deurmat. Ik hoorde het vallen en besefte dat ik niet meer terugkon. Ik opende de enveloppe en haalde er een bijzonder boek uit. De gladde en paarse kaft, het hart, de kleine hartjes en die naam: Barbara Pavinati. Een naam die beklijft. Een naam die je nooit meer vergeet als je hem een keer gehoord hebt. Een naam vol poezie. De naam is al een gedicht, een spel met a’s en i’s en een r die over je tong rolt. Barbara Pavinati.

Ergernis salaris

image

‘Een interviewer houdt zichzelf natuurlijk altijd buiten het gesprek. In gesprek met Jan Mulder doe ik dat uiteraard ook. Al voel ik mij weleens ongemakkelijk als het om salarissen gaat. Ik weet dat veel geld verdienen aan publiek geld een heikel punt is.

Dat ik wat meer verdien, moet ik overal verdedigen. Gelukkig laat ik dat verdedigen aan mijn baas over. Ik heb de prijs afgesproken en mijn publieke omroep heeft dat ervoor over. Vervolgens mogenz zij het aan de wereld uitleggen.

Dan zegt Jan Mulder dat de nieuwe baas van de SNS-bank eigenlijk best wel 6000 euro per maand mag verdienen in plaats van 600.000 per jaar. En geen cent meer. Best hypocriet. Hij zit hier voor een vergoeding die in verhouding de voorgestelde 6000 euro van de bankdirecteur verre overtreft. Dat weten wij allebei.

Kritisch zijn van mijn kant, is net zo hypocriet. Ik presenteer elke dag een programma en krijg daarvoor ook veel geld. Omdat ik zulke kritische vragen stel en het programma zonder mij helemaal niks zou zijn. Kritische journalistiek kost nu eenmaal veel. Meer dan een premier mag verdienen.

Jan Mulder levert een bijzondere bijdrage omdat hij feilloos zijn ergernissen laat aansluiten op de ergernissen van het volk. Publieke salarissen bijvoorbeeld. Schandalig dat een bankdirecteur meer dan 3 keer zoveel verdient als de minister-president. Hij staat in zijn gelijk. Niemand die erover denkt dat hij er misschien wel voor meer geld zit.

Waarom zou ik er dan over beginnen? Ik ga toch niet mijzelf in zo’n discussie betrekken. En kritisch naar mijzelf zijn is mijn zwakte tonen. En daar zou het programma weinig bij gebaat zijn. Mondje dicht dus en snel naar de volgende ergernis.’

Weerbaarheid – #WOT

alles-van-waarde-is-weerloos-lucebertHoe ver reikt weerbaarheid? Het tegenovergestelde van weerbaar is weerloos. De beroemde dichtregel van Lucebert ‘Alles van waarde is weerloos’ prijkte heel lang op het dak van een kantoorflat van een verzekeraar bij Station Blaak in Rotterdam. De regel komt uit het gedicht ‘De zeer oude zingt’.

De weerbaarheid van het weerloze kan alleen maar door het af te schermen. Uit het zicht te halen, eindeloos in te pakken. En dan nog kan het makkelijk stuk. Verzekeren heeft helemaal geen zin. Iets van waarde dat weerloos is, is onvervangbaar. Anders heeft het geen waarde.

Wat is van waarde? Een mensenleven, een bijzondere herinnering. Het verweert snel. De weerbaarheid van iets weerloos is eigenlijk als een eendenkuikentje. Machteloos en zonder moeder weerloos. Het diertje kan elk moment opgeschrokt worden door een roofdier.

Weerbaarheid is stoere verdedigingstaal. Je bent weerbaar als je de aanval van je af wendt. Of klappen incasseert zonder te verliezen. Stevig en vasthoudend. Je maintiendrai. Ik houd stand.

Ik vind het egoisme. Juist het zwakkere en weerloze heeft bescherming nodig van de weerbare. Weerbaarheid houdt zichzelf in stand, maar dat gaat ten koste van het weerloze. En daarmee staat het waardeloze overeind en is het weerloze verdwenen.

Vecht daarom mee om het weerloze te behouden. Het kost veel moeite en tegenslag. Maar wat overeind blijft is iets van waarde. Onschatbaar en onverzekerbaar.

Hoarding

image

Een extreme vorm van bewaren of verzamelen heet hoarding. De hoarder is een pathologisch verzamelaar. Hij wil alles bewaren en kan niks wegdoen. De angstbeelden van kamers waar slechts een smal pad tussen alle troep ligt. Of mensen die alleen nog maar op hun stoel kunnen zitten, terwijl het ongedierte een hol in de rommel heeft gemaakt.

Bewaren staat groot op de Volkskrant Magazine van dit weekend. Evelien van Veen lijdt in haar artikel ook aan de ziekte van het bewaren. Dat het in haar huis – op kelder en zolder na – geen rommeltje is, komt omdat haar man stiekem dingen weggooit. Als dat niet gebeurde, zou het spoedig net zo’n rommeltje zijn als bij die pathologische verzamelaars. Ze wil van haar verzamelwoede af.

Waarom zou je van je verzamelwoede af willen? Zolang je nog gewoon kunt leven, je huis bewoonbaar is en je financieel nog kunt rondkomen, is er voor mij geen reden te stoppen met verzamelen. Sommige spullen zijn heel bijzonder. Sommige voorwerpen worden later heel populair. Er wordt al zo verschrikkelijk veel weggegooid. Waarom zou je iets weggooien als het niet kapot of versleten is?

Ik heb een zwak voor verzamelaars. Vooral van die verzamelaars die obsessief speuren naar iets en er alles voor over hebben. De bekende namen als Boudewijn Buch en Gerrit Komrij doemen op. Dat zijn de echte verzamelaars. Al gaf de laatste flink af op de eerste. Hij schreef in Demonen: ‘Nu is hij gestorven tussen de rotzooi’.

De foto’s van zijn bibliotheek in de catalogus van Bubb Kuyper intrigeren mij. Ik heb er vaak naar gekeken. De smalle gangetjes tussen de boeken. De stapels boeken voor de kast. Ze moesten nog een plaatsje krijgen, maar dat is niet meer gelukt.

Die foto’s van bibliotheken of de beelden van de dichter Bloem die door de smalle gangen van zijn opgebouwde verzameling sjokt. Op zoek naar dat boek dat hij niet heeft. Het verlangen liefde te krijgen van de dingen om je heen. De boeken die je troosten en er voor je zijn als er niemand meer voor je is.

Evelien wil van haar bewaarziekte af. Ze geeft tips: flikker alles dat je niet gebruikt weg. Ze heeft deze wijsheid van de website wisebread.com. Op de site staan 25 dingen die je vandaag nog moet weggooien. Met op 5: ongelezen boeken. De suggestie is dat je een gelezen boek gebruikt en een ongelezen boek niet. Ik zou het liever omdraaien: waarom bewaar je een gelezen boek en gooi je een ongelezen boek weg?

Een boek weggooien vind ik doodzonde. Ik heb het weleens een boek weggedaan. Vrijwel altijd kreeg ik er later spijt van. Dan haalde ik ze toch weer in huis. Boeken zijn mij dierbaar. Of ik ze nu wel of niet gelezen heb, maakt niet zoveel uit. Elke dag zit ik wel even in mijn bibliotheek. Dan geniet ik van alle boeken die mij omringen.

Ik zou dan eerder een ander advies geven: breng je verzameling goed in kaart. Zo kun je snel vinden wat je hebt en wat je nog zou willen. Met verzamelen is niks mis. Wel met alles gedachteloos in huis halen. Neem de beroemde Boekito uit Groningen. Hij heeft werkelijk alles in huis gehaald en kan ook niks meer vinden.

De verzameling van Boekito is nutteloos. Of zoals ik het zelf zeg: als je het niet kunt vinden, heb je het niet. Ook al heb je het. Iets is waardeloos als het niet meer bereikbaar is. Dus: verzamel allemaal lekker verder. Stouw de huizen vol en geniet van de spulletjes.

Ik zou het anders willen stellen: koop niet zomaar iets. Alle rommel die je niet gebruikt, heb je eens gekocht. Dus gebruik wat je hebt en koop alleen iets als je het nodig denkt te hebben. Dat levert een opgeruimd huis op en bespaart je veel geld.

Dictatuur van het stemmen: het potlood

Ik wil mijn stemcomputer terug!

Ik ben het beu om te moeten stemmen met een potlood, geef mij mijn stemcomputer terug. Het stemmen met het potlood, ik kan er maar niet aan wennen. En waarom moet het eigenlijk? Niemand weet het. Het is beter, denkt iedereen. Maar is het echt beter? Ik vind de stemcomputer veel beter. Alsof je met papier niet kunt frauderen.

De eerste kamerverkiezingen waarbij ik mocht stemmen – in 1994, Wim Kok won en het eerste Paarse kabinet werd gevormd – stemde ik op een apparaat. Het was in Veenendaal. We vonden het indrukwekkend om op een knop te drukken, waarna je stem telde.

In plaatsen waar ik na Veenendaal terechtkwam, was de stemcomputer altijd net ingevoerd. Onwennig stonden de oude van dagen te tobben bij de nieuwe computer in Leiden en in Almelo legde ik een man uit hoe het werkte.

Ik had nooit een bezwaar in het stemmen met een stemcomputer. Dat ermee gefraudeerd kon worden, geloofde ik niet. Zeker ook niet omdat de computer langzaam in elke plaats werd ingevoerd en heel Nederland stemde met de computer. Binnen een uur na sluiting van het laatste stembureau was de uitslag bekend. Zeker toen de gemeente Amsterdam als een van de laatste overstapte op de computer.

Ineens trad een actiegroep in de openbaarheid die bepleitte dat het stemmen weer met de hand moest. De stemcomputers van de meeste gemeentes zou af te luisteren zijn. Met een radiofrequentiemeter konden de ‘hackers’ horen welke partij iemand stemde. Het verschil tussen links en rechts zou klinken als het verschil tussen een vioolconcert van Bach of een mix van D.J. Tiësto.

Het sneed niet genoeg hout. Daarna kwam de groep ‘Wij vertrouwen stemcomputers niet‘ met een zwaarder argument: de stemcomputer zou niet te controleren zijn. Mocht de uitslag van een verkiezing worden betwist, dan kon de computer niet een uitdraai maken. Hier had de actiegroep een argument in troef waar weinig tegenin te brengen was. Fraude zou niet te controleren zijn via de stemcomputer. Een papieren stem daarentegen zou beter te controleren zijn.

Politici zijn huiverig voor het in twijfel trekken van verkiezingen. In een democratie zijn verkiezingen gebaseerd op vertrouwen. Het vertrouwen van de kiezer om een anonieme stem te mogen doen op de partij van zijn voorkeur. Hij kan dit doen in volledige vrijheid. Wanneer een uitslag betwijfeld wordt, moet deze altijd na te tellen zijn. Zo stelt de actiegroep die niet genoeg vertrouwen had in de knop.

De stemcomputer verdween op last van toenmalig staatssecretaris Ank Bijleveld in de in de magazijnen van de gemeenten. De laatste stembussen waren de deur uitgegaan en in allerijl moesten voor de aanstaande verkiezingen in 2009 stembussen geregeld worden.

Een maatregel die ons vandaag bij de verkiezingen ook nog in de greep hield. De controle is flink versterkt. Je mag niet meer met je kind in het kieshokje. Je moet het papier op de juiste wijze dubbelvouwen en het kruisje op de juiste wijze inkleuren. Het ouderwetse stemmen is weer helemaal terug om ons vertrouwen vast te houden.

Het heilig geloof dat papier betrouwbaarder is dan de digitale wereld. Het stuit mij tegen de borst. We halen veel meer werk op de hals, controleren ons suf en hebben meerdere check-ups gemaakt. Elke stembureau-medewerker zit met een potlood iets te turven. ‘We tellen alles mevrouw’, hoorde ik een medewerkster zeggen.

Is een tot in de puntjes geregelde controle echt eerlijk? Het lijkt of in iedere stemmer een potentiële fraudeur schuilt. De te ver doorgevoerde controle voelt aan alsof ieder moment iemand losbreekt die even zal rommelen met de stemmen. De zorgvuldig opgestapelde stembiljetten en de vastgeklemde officiële potloden met stompe punten. Eenzaam in een hokje. Alsof mijn stem daardoor niet beïnvloed wordt.

Kun je met een stempapier niet frauderen? En wie zegt dat de tellers niet een keer mistellen? Ik vind het vooral hinderlijk en geloof niet dat stemmen op papier beter controleerbaar is dan stemmen met een computer. Het is anders en zal ook anders gecontroleerd moeten worden.

Geef mij alsjeblieft mijn stemcomputer terug! Ik stem nu onder de dictatuur van de stemcontrole en het papier.

Station Amsterdam Zuid

De nieuwbouw van het station Amsterdam Zuid schetst al enige tijd mijn verbazing. De laatste maanden verrees aan de kant waar ik uitstap. Het houdt het midden tussen een tijdelijke gebouw en een verzameling zeecontainers.

Aan beide zijden van het pad naar het stationsplein zijn een paar winkels gevestigd. Er is een Hema, een AH to go en een snackbar. Zo kun je nog snel voor de reis een beha aanschaffen of een dubbele frikadel uit de muur trekken.

Veel glas maar weinig over nagedacht. Tussen de winkels is een soort tarp gespannen. Smalle latjes moeten de indruk geven dat hier heel wat staay. Net als het dunne plastic waarin het ingangsportaal is ingepakt. Het verbergt de verwarming en airconditioning systemen.

Ik liep er vammiddag weer onderdoor en vroeg me af hor.iemand zoiets kon verzinnen. De crisissfeer druipt er van af. Goedkoper kan niet. Ik maakte een foto van de lelijkheid. In de luchroom dat grenst aan het plein zwaaide een voltallig gezin naar mij. Vader, moeder, dochter en zoon. Even werd de hele crisis weggewuifd.