Tagarchief: klooster

Kloostermoppen – #fietsvakantie

Van het klooster bij Sibculo rest niet veel meer. Alleen de waterput staat nog overeind, maar verder is alles zo goed als verdwenen. Vrijwilligers hebben wel een kloostertuin opgericht in de buurt van waar eens het klooster moet hebben gestaan.

Na de Reformatie raakt het klooster in verval. De overheid heeft zich het klooster van Sibculo toegeëigend, maar het wordt vooral geplunderd. De kostbaarheden uit de gebouwen moeten er eerst aan geloven, later worden ook de stenen gebruikt om er andere gebouwen mee op te richten.

We lopen over het smalle pad dat achter de huidige kerk ligt. De omliggende heuvels zijn begroeid, soms steekt er een steen uit de grond. Het zijn de beroemde kloostermoppen. De dikke stenen vormen het fundament van dit gebouw waar monniken zich terugtrokken van de samenleving.

Het klooster is een bijzonder fenomeen in mijn ogen. Het is jammer dat er zo weinig middeleeuwse kloosters in Nederland zijn overgebleven. Vaak staat er nog een kapel of ander bouwwerk. Hier in Sibculo blijft het beperkt tot de waterput.

Als we ons broodje op hebben, stappen we weer op de fiets. Op weg naar Westerhaar-Vriezenveensewijk en Vriezenveen.

Fietsvakantie

In augustus maakten Doris en ik een mooie fietstocht door Nederland met als bestemming: Twente. Elke week op vrijdag schrijf ik een stukje over deze bijzondere fietsrit.

Klooster – #fietsvakantie

In Sibculo liggen de resten van het beroemde voormalige Cisterciënzer klooster Galilea Major. Het klooster opgericht in 1406 nabij het moerasgebied ligt totaal geïsoleerd van de wereld. Onder leiding van abt Johan Clemme maakt het klooster een grote bloei door.

Wil je het nu vinden, dan is de waterput het enige dat overgebleven is. In het steen staan opmerkingen gegrift over de groepen 3-4 en 5-6 van Windesheim die hier geweest zijn. Ik vind dat dit echt niet kan en zeker niet als je jongeren bewust wilt maken van geschiedenis.

We drinken even wat bij de waterput die een fraaie overkapping gekregen heeft en zo beschermd blijft voor de vele weersinvloeden. Hopelijk misdragen de bezoekers zich wat minder. Ik bekijk aandachtig de waterspuwer die aan 1 kant van de put uitsteekt.

Daarna gaan we op zoek naar andere overblijfselen van het klooster. De Reformatie heeft dit klooster van de Moderne Devotie opgebroken. Juist deze Moderne Devotie heeft aan de wieg gestaan voor vele veranderingen in de kerk. In Nederland heeft de groep rond Geert Grote veel aanhangers gekend. Daarmee is het extra jammer dat het klooster na de Reformatie in verval raakte.

Fietsvakantie

In augustus maakten Doris en ik een mooie fietstocht door Nederland met als bestemming: Twente. Elke week op vrijdag schrijf ik een stukje over deze bijzondere fietsrit.

Moerassen – #fietsvakantie

We komen in het gedeelte van Twente waar het veen heerst. Een groot natuurgebied vormt de grens tussen Nederland en Duitsland. Het dorp Langeveen ligt op een zandheuvel, er omheen verdwijnt alles in het moeras.

De enige weg die er ligt voert langs het natuurgebied. Wel wat stukken opengesteld voor wandelaars, maar wij rijden langs de drukken N-weg. De vrachtwagens denderen met grote snelheid voorbij. De luchtstroom trekt je mee. Het is bijzonder onplezierig om hier te fietsen.

Als we dan bij Kloosterhaar aankomen, slaan we af in de richting van Sibculo. Langs de onderkant van het veengebied. Gelukkig verlaten we snel de drukke N-weg en fietsen over een rustigere ventweg. Veel fietsers met een handdoek en zwemkleding onder de bagagedragers. Niet ver van hier is een recreatieplas.

Bij Sibculo liggen de resten van een klooster. In de Middeleeuwen was dit het eind van de wereld. Onbereikbaar en geïsoleerd leefden hier de monniken. Als je hier zo rijdt, snap je het. Het moerasland maakt het vrijwel onbereikbaar. Een ideale plek voor een klooster.

Fietsvakantie

In augustus maakten Doris en ik een mooie fietstocht door Nederland met als bestemming: Twente. Elke week op vrijdag schrijf ik een stukje over deze bijzondere fietsrit.

Dagje Elburg

img_20161105_115030.jpgDoris en ik besluiten er samen een dagje van te maken, omdat Inge deze zaterdag weg is. De bestemming wordt Elburg. Eigenlijk wilden we naar Drenthe maar ik heb geen zin om zo’n stuk te rijden. Daarom kiezen we voor het Gelderse stadje dat tegen de Veluwe ligt.

We zijn al eens eerder in Elburg geweest. Bij de allereerste fietsvakantie in 2012 kwamen we door het stadje langs het IJsselmeer toen we vanuit camping De ruimte naar Zeewolde fietsten. We staken over het IJsselmeer en fietsten via Harderwijk naar Zeewolde. Een mooie, maar erg drukke fietsroute.

img_20161105_115508.jpgIn de winkelstraat van Elburg dronken we chocomel en aten een taartje. Even keken we bij het stadsmuseum en zaten in de kloostertuin. Het bleef bij een kort bezoek. Als je fietst heb je namelijk andere dingen aan je hoofd dan rustig te kuieren door een stad.

Nu hebben we iets meer tijd. We parkeren iets buiten de haven en lopen onder de stadspoort door het stadje binnen. Langs de stadswal staat een gids iets aan een groep senioren uit te leggen. We horen gelach opstijgen door het smalle straatje.

img_20161105_145222.jpgNooit geweten dat Elburg op papier ontworpen is. De stadsplattegrond ziet er uit als een rechthoek, opgedeeld in streng geometrische vlakken waarin de huizen zijn gebouwd. Het rechthoek bevat in het midden de stadspoorten. Slechts 1 is er bewaard gebleven.

Het is een indrukwekkende poort, met een fraai dakje midden op het schuine dak bedekt met leisteen. Waarschijnlijk om de wachter een plekje te geven. Aan de andere kant zit een klokkenstoel. De moeite waard om naar te kijken.

img_20161105_124730.jpgOok al is het een beetje regenachtig, het is best leuk om door Elburg te lopen. We gaan naar het Museum Elburg. Dit is gevestigd in het oude vrouwenklooster, Agnietenklooster van de stad. Weliswaar hebben er iets meer dan een eeuw vrouwen in dit indrukwekkende gebouw gewoond, het draagt nog altijd de naam van de eerste bewoners: het Agnietenconvent.

Lees morgen over het Museum Elburg

Dante

img_20161010_205311.jpgDe verteller Adson in de roman De naam van de roos speelt heel leuk met een paar gegevens. Bijvoorbeeld over de verschijning van de Goddelijke komedie van Dante Alighieri. De verteller, de monnik Adson, vertelt hierover het volgende:

Iemand had mij zelfs verteld dat de grootste dichter van die tijd, Dante Alighieri uit Florence, die een paar jaar tevoren was gestorven, een gedicht had geschreven (dat ik niet kon lezen omdat het in de Toscaanse volkstaal was geschreven) waarin hemel en aarde de hand hadden gehad en waarvan vele verzen niets anders waren dan een parafrase van fragmenten van Umbertino’s Arbor vitae crucifixae. (57)

In gesprek met frater William komt Dante verderop weer voorbij. William heeft het over Roger Bacon en zegt dat geleerden niet meer geestelijken zijn. De grootste filosoof van hun tijd is niet een monnik, maar een apotheker. Het is de Florentijn Dante. Zijn naam blijft ongenoemd. Ook William waagt zich niet aan het meesterwerk van de Florentijnse apotheker:

Ik heb het nooit gelezen omdat ik zijn volkstaal niet begrijp, en voor zover ik er iets van weet, denk ik dat het me maar weinig zou bevallen, want hij bazelt over dingen die zeer ver van onze ervaring af staan. Maar hij heeft geloof ik de meest geleerde dingen gescheven die ons verstand kan vatten over de aard van de elementen en van de gehele kosmos, en over het besturen van staten. (216)

Weer een mooie verwijzing naar de eerste Italiaanse literator. De monniken zijn er niet zo enthousiast over. Ze beweren dat zij alleen het Latijn machtig zijn en niet de Italiaanse volkstaal. Het weerhoudt ze om het bijzondere boek te gaan lezen.

De werken die zij noemen, waaronder Bacon en Umbertino, kennen wij nauwelijks. Terwijl de Goddelijke komedie van Dante eindeloos veel genoemd wordt in boeken. Het lijkt soms wel het meest genoemde boek in boeken te zijn. Zoals hier in dit boek De naam van de roos van Umberto Eco.

Umberto Eco: De naam van de roos. Oorspronkelijke titel: Il nome della Rosa, Postille a ‘ll nome della Rosa’ Vertaald door Jenny Tuin, Pietha de Voogd en Henny Vlot. 36e druk. Amsterdam: Ooievaars Pockethouse, 1996 [1983, 1e druk]. ISBN: 90 5713 117 X. 582 pagina’s. Prijs: € 15 Bestel

De ademhaling van de roman

img_20161010_205425.jpgInteressant bij de uitgave van Umberto Eco’s roman De naam van de roos die ik bezit, zijn een paar postscriptums achter het eigenlijke verhaal. Hierin geeft de schrijver enkele toelichtingen over zijn boek.

Vanuit de literatuurwetenschap is het eigenlijk ‘not done’ om de auteur over zijn boek te laten spreken. Het veroorzaakt eigenlijk alleen maar verwarring. Vooral omdat de schrijver altijd zal proberen om zijn bedoeling er dik op te leggen. Wat hij eigenlijk had willen schrijven is natuurlijk helemaal niet zo interessant ten opzichte van wat hij geschreven heeft.

In het geval van De naam van de roos neemt Umberto Eco een leuke positie in. Hij vindt namelijk dat een auteur niet moet interpreteren en dat hij die betekenistoekenning graag aan zijn lezers overlaat. Toch geeft hij een aantal interessante leessuggesties.

Hij begint bijvoorbeeld met de opmerking van zijn uitgever dat het boek 100 pagina’s te lang zou zijn. Er zou teveel inleiding zijn. De eerste 100 bladzijden zijn taai om door te komen. Zou hij ze niet beter kunnen schrappen?

Ik twijfelde geen moment, dat weigerde ik, want, zo beweerde ik, als iemand de abdij wilde binnengaan en er zeven dagen wilde leven, moest hij er het ritme van accepteren. Dus de eerste honderd bladzijden hadden de functie van boetedoening, een initiatie, en wie daar geen zin in heeft, jammer, die blijft maar aan de voet van de heuvel. (545)

Daarna vergelijkt Eco het lezen van een roman als het maken van een bergtocht:

[J]e moet leren op een bepaalde manier te ademen en met een bepaalde pas te lopen en met een bepaalde pas te lopen, anders kun je meteen niet meer verder. (545)

Een prachtige vergelijking, waarbij hij de poëzie haalt. Ook poëzie vraagt om een bepaalde leeshouding. Soms kom je er heel snel in, maar vaak is het moeilijker. Ook moet je niet alles willen interpreteren en gewoon laten gaan. De voordracht is bij poëzie immens belangrijk. Het is de ademhaling van de tekst.

Daarbij komt Eco tenslotte tot een verhandeling over de ademhaling van de roman. Die ligt niet zozeer in zinnen, alswel in de grotere brokken van de hoofdstukken en delen. Voor De naam van de roos geldt dit ook. Het is een kwestie van versnellen en vertragen.

Umberto Eco haalt als voorbeeld de scene aan waarin Adson de liefde bedrijft. Het vertelritme van Eco van deze liefdescene komt overeen met het tikken van de vingers op het toetsenbord. Alsof het een trom is waarop de verteller de liefdesgeschiedenis vertelt.

Umberto Eco: De naam van de roos. Oorspronkelijke titel: Il nome della Rosa, Postille a ‘ll nome della Rosa’ Vertaald door Jenny Tuin, Pietha de Voogd en Henny Vlot. 36e druk. Amsterdam: Ooievaars Pockethouse, 1996 [1983, 1e druk]. ISBN: 90 5713 117 X. 582 pagina’s. Prijs: € 15 Bestel