Tagarchief: jas

De garderobe van Boijmans Van Beuningen

Het museum Boijmans Van Beuningen. Ik ben er nog nooit geweest en als ras-Rotterdammer schaam ik mij er ook best een beetje voor. Het is een museum met een kunstverzameling van internationale allure. De entree heeft al iets weg van een labyrint. Het museum zelf nog veel meer. Je draait in rondjes.

Dat rondjes draaien begint al bij de ontvangsthal. De balies zijn halfrond en achter de balies is een imposante garderobe. Hoog boven je hangen de jassen aan een ronde stellage, waarmee je als bezoeker zelf je jas omhoog kunt trekken.

Er hangen nog maar een paar knaapjes, maar aan 1 setje kun je precies 3 jassen ophangen. Zo krijgen onze jassen een mooi plekje. Hoog en droog in de hoge hanggarderobe.

Hoe zou het hier zijn als de jassen allemaal nat van de regen zijn en druipen. De jassen die hier hangen als de enorme stalactieten in een druipsteengrot, zouden dan als ware druipgesteentes hun vocht naar beneden laten glijden. Alleen is de grond beneden te vlak en kunnen mensen moeilijk als stalagmieten fungeren.

Best de moeite waard om naar te kijken. De bijzondere constructie van jassen, in een ronde cirkel. In het midden de kluisjes waarin je je tas kunt bergen. Het krijgt iets van kunst. Zeker als je in een museum bent. Alleen gedraagt het publiek zich totaal anders. Ze schiet onder de jassen door. Op weg naar de tentoonstellingen.

Gelijk

image

Ze heeft nog een dagje vrij en loopt gezellig met mij en de teckels in het park. We komen bij de boom waarin ze aan een tak hing. Ik maak een foto van de bloesem en denk hoe het gebeurde. Jaren geleden. Ik liep over het pad erachter. Zij wilde lekker in de boom klimmen.

Opeens hoorde ik gillen en rende naar de plek des onheils. Daar bengelde ze met haar zomerjas aan een uitstekende tak. De benen trapten woest om zich heen, maar de jas was sterk genoeg om haar te houden. Ik tilde haar eruit en zette het geschrokken kind op de grond.

‘Weet je nog dat je in die boom hing?’ vraag ik haar. Ze kijkt me aan. ‘Ja en jij hebt me er toen uitgehaald.’ Daarna vertelt ze dat we samen met mama in het park waren. ‘Nee, dat is niet waar’, zeg ik. ‘Je was met mij alleen in het park en ik liep daar.’ Ik wijs naar de bosjes achter ons. ‘Nee. Mama was er wel bij’, beweert ze stellig.

We waren alleen. Ik weet het zeker. Ik leg het nog een keertje uit. Op rustige toon. ‘Mama was er wel bij’, zegt ze weer. We hakkentakken over en weer. ‘Ik liep daar met Teun en Saar toen jij begon te gillen. Mama was er niet bij’, zeg ik nog een keer.

‘Ok√©, je hebt gelijk. Maar het was niet met Teun en Saar. Het was met Sientje’, reageert ze. Ik denk: is het alweer zo lang geleden? Ik geef haar weer gelijk over de honden. Zo leggen we het bij door elkaar gelijk te geven.

Maar als ik het verhaal opschrijf, speur ik naar de gebeurtenis op mijn blog. Dan zie ik dat het twee jaar geleden gebeurde. Met Teuntje en Saartje en zonder Inge. Zo heb ik zelfs nog meer gelijk. Hoe de herinnering vertekent en bedriegt.