Tagarchief: jacob van lennep

Brieven naar huis – #50books

image

Rob Nieuwenhuis, nestor van de Indisch-Nederlandse letterkunde stelt in zijn boek Oost-Indische spiegel dat de Indische roman voortkomt uit de brieven naar huis. Daar moet ik meteen denken bij het lezen van Peters vraag.

De briefroman is inderdaad een beetje achterhaalt. Soms kruipen er mailtjes of andere digitale uitingen in romans, maar het draait nu vooral om het verhaal. De brief speelt sowieso een steeds minder grote rol. Ik las afgelopen zomer Ferdinand Huyck van Jacob van Lennep. In deze roman komt regelmatig een krabbel voorbij.

De brievenboeken waar ik echt van houdt, zijn de brieven van Willem Walraven. Wat een prachtige stijl heeft deze man. Hij schrijft vanuit Nederlands-Indië naar zijn familie in Nederland. Het zijn ontroerende verhalen die lezen alsof het een roman is. De brieven bevestigen de stelling van Rob Nieuwenhuys dat de Indisch-Nederlandse literatuur haar oorsprong heeft in de brief naar huis.

De brieven van Du Perron en Ter Braak zijn zeker ook de moeite van het lezen waard. Ze geven een mooie inkijk in een bijzondere vriendschap, al vraag ik mij soms af of de brieven niet geschreven zijn om gelezen te worden door anderen. Dat vraag ik me ook weleens af bij zeer zorgvuldig geconstrueerde dagboeken. Daar lijkt de schrijver zich bewust te zijn dat hij later weleens gelezen kan worden. Hetzelfde geldt voor de brievenboeken die ik ken.

Het mooiste brieven in een boek, zijn de Brieven van de Schoolmeester, uitgegeven door Marita Mathijssen. Deze brieven geven een prachtig inkijkje in de 19e eeuw. Ze zijn allemaal geschreven door de dichter die bekend staat als De schoolmeester.

Achter de Schoolmeester gaat de schrijver Gerrit van de Linde (1808-1858) schuil. In zijn studententijd moest hij acuut verhuizen naar Engeland, waar hij een kostschool. De gedichten die hij in zijn studententijd schreef, publiceerde Jacob van Lennep later in een dichtbundeltje dat misschien wel het bekendste dichtbundeltje uit de 19e eeuw is, naast de gedichten van Piet Paaltjens.

Dit soort brieven lijken inderdaad niet meer geschreven te worden. Maar ik ben ervan overtuigd dat er wel een nieuwe vorm gevonden zal worden om dit soort juweeltjes naar buiten te brengen. Egodocumenten blijven bestaan. Is het niet in de vorm van een brief, dan wel in de vorm van een e-mail of Whats’app.

Alleen hobbelt de literatuur altijd een eindje achter de techniek aan. Het wachten is op de verborgen mailtjes van schrijvers, waarin net zoveel onthuld wordt als in een mooie, ouderwetse brief.

#50books

Dit is het antwoord op vraag 40 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject

Leve de historische roman – #50books

image

Geen groter plezier dan het lezen van een historische roman. Mijn grote liefde voor geschiedenis en verhalen, maakte dat ik in mijn pubertijd Thea Beckman helemaal ontdekte.

Haar verhalen rond historische gebeurtenissen en personen, de kinderkruistocht, Jan van Schaffelaar, het rampjaar 1674, de storm in Utrecht waarbij het middenschip van de Domkerk instortte en de 100-jarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Geschiedenis die voor mij begon te leven in de verhalen van Thea Beckman.

Later verschoof de historische roman een beetje naar de achtergrond van mijn interesse. Voor en tijdens mijn studie Nederlands genoot ik voornamelijk van de moderne, Nederlandse literatuur. Ik las alles wat los en vast zat, maar geen historische romans.

Dat kwam pas later, maar wel al tijdens mijn studie in Leiden. Samen met 2 andere studenten begonnen we een studentenblaadje met de naam Putdeksel. We schreven de uitgeverijen van Nederland aan om boeken te bespreken. Tot onze verbazing kregen we wat toegestuurd van Prometheus. Het was de uitnodiging voor de presentatie van de debuutroman van Jan van Aken.

Het bleek vooral een incrowd-feestje te zijn waarbij Hafid Bouazza grapjes maakte die alle aanwezigen begrepen, maar ik niet. Later schreef ik mijn eerste recensie over de historische roman van Jan van Aken. We noemden hem de enige schrijver in Nederland die dit genre nog beoefende op de stokoude Teun de Vries na.

Ik besprak het boek en merkte op dat er niet zoveel over de vrouw geschreven werd. Jan van Aken klom in de pen en schreef een mailtje waarin hij vond dat ik mijn politiek correct aanstelde. Hij had een hekel aan politieke correctheid. Voor hem stond het gelijk aan hypocrisie.

Daarna verdween mijn aandacht, totdat ik aan het einde van mijn studie de nieuwe roman van Jan van Aken las, De valse dageraad. Een geweldig verhaal dat het midden hield tussen een avonturenroman, reisverhaal en fantasieverhaal. Het dikke boek ging mee op mijn fietsvakantie en ik hield het in mijn hand als teken van herkenning bij een date met een meisje uit Almelo.

Daarna ben ik hem actief gaan volgen. Het verleden dat hij op een intrigerende wijze weet te vermengen met het verhaal, waardoor het verleden tot bloei komt. De grapjes die de verteller uithaalt met het verleden en waarmee hij de geschiedschrijving op de hak neemt. Ik kan daar erg van genieten.

Afgelopen zomer waagde ik mij aan een andere historische roman. Eentje uit de negentiende eeuw van Jacob van Lennep. De roman Ferdinand Huyck is van een heel ander kaliber dan het werk van Jan van Aken, maar toch proef je ook hier het spel met het verleden. De historische roman is in de 19e eeuw een geliefd genre.

Schrijvers beschikken over een grote fantasie en de beschreven historische werkelijkheid is niet zoals deze geweest is, maar zoals deze geweest zou kunnen zijn. Het is een poging tot reconstructie waarin de beleving belangrijker is dan de feiten. Historici zien het andersom, maar een geschiedenis gebaseerd op feiten en net zomin de werkelijkheid als het verhaal in een historische roman.

De historische roman heeft daarmee een voorsprong op het algemene geschiedenisverhaal. Bij het lezen van een boek van Jan van Aken krijg je een verhaal zoals dat in de beschreven periode zou kunnen zijn geweest. Daarbij gaat de geschiedenis leven bij een goed verhaal. En zo maak je kennis met een periode zonder er erg in te hebben. Als je het niet zo nauw neemt met de historische feiten, heb je er nog veel meer plezier aan.

#50books

Dit is het antwoord op vraag  37 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

Gooi versus Vechtstreek

image

Als de titelheld en ik-verteller van de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck bij de Bussumerhei staat, doet hij een interessante bevinding. Het lijkt erop dat hij de Tafelberg (36,4 meter) beklommen heeft.

Tegenwoordig ligt deze heuvel ingeklemd tussen snelwegen en provinciale wegen, maar dat vroeger een prachtig uitzicht bood tot aan Amersfoort, de Zuiderzee en bij mooi weer zelfs tot Utrecht.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men vandaar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijke geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen: – over Blaricum, de beide Eemnessen, Zoest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blaauwe zee, de Stichtse bergen, en de graauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: – en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen. (66)

Hij staat daar midden in het straatarme Gooi. De boeren weten met moeite te overleven op de kale zandgronden. Van de rijkdom die hier meer dan 250 jaar later is, is nog helemaal niets te vinden.

Daar op die Tafelberg beseft de ik-verteller Ferdinand Huyck dat de rijkdom niet ver van hem afligt. Het buiten van zijn tante ligt hier op 1,5 uur lopen vandaan. Daar ligt de oase ‘waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt’.

Het contrast kan niet groter zijn en Jacob van Lennep speelt met dit gegeven. Waar de Amsterdamse kooplieden hun royale buitenhuizen langs de Vecht hebben laten verrijzen. Op slechts 1,5 uur gaans van de plek vol ontberingen waar Ferdinand Huyck nu loopt.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Thriller of klucht?

image

De roman Ferdinand Huyck leest als een negentiende-eeuwse thriller met een hoog kluchtgehalte. De uitkomst is even verrassend als voorspelbaar. Daar ligt ook mijn grootste bezwaar van de roman van Jacob van Lennep. De ontknoping is een lang uitgestelde gebeurtenis, waar het eigenlijke verhaal traag doorheen meandert. Daarbij leest de meeste humor die de verteller bezigt als flauw en doorzichtig.

Neem het boottochtje dat Ferdinand met een flink gezelschap maakt, waaronder Lodewijk en Henriëtte Blaek. Het levert hilarische momenten op waarbij het schip in storm terechtkomt.

“’t Is gedaan!” riep een stem uit ons midden.
Susanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen. Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotseling viel het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wioj hoorden het zeenat als grommende van rondsom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer. (286-7)

Op spektaculaire wijze is de boot over de dijk heengeslagen en op de helling aan de droge kant beland.

Buitengewoon grappig, maar niet zo diepzinnig als het veel minder spektaculaire boottochtje dat de Familie Stastok maakt in Hildebrandts Camera Obscura. Veel simpeler en minder spektaculair, maar door de beschreven situaties is het verhaal van Hildebrand (Nicolaas Beets) veel hilarischer en memorabeler dan de boottocht die Jacob van Lennep in Ferdinand Huyck beschrijft.

Maar dat drukt de pret niet aan boord van het schip van Lodewijk Blaek. De Duitser Weinstübe is onvindbaar:

“Ach lieber Gott! zum hülfe! Ich pin todt.”
“’t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,” zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan de kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. (290-1)

Het boottochtje over de Zuiderzee steekt flauw af tegenover de grote ontsnapping aan het einde van de roman. Het tafereel verschuift naar Terschelling. Jacob van Lennep haalt alles uit de kast om de ontknoping tot een grootse gebeurtenis te laten worden. Hierbij benut hij de nodige kwinkslagen en weet alle personages in een magistraal slotakkoord te gieten.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Belachelijke dichter

image

De ik-verteller, hoofdpersoon en romantitelheld van Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck heeft het niet zo op de achttiende-eeuwse dichters. Als hij kennismaakt met de dichter Lucas Helding in het huis van Blaek, in de buurt van Eemnes, is hij niet echt enthousiast over de versjes die hij daar overal aantreft:

“Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,” zeide ik: “hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.” (48)

De naam hangt buiten, attendeert Henriëtte Blaek hem. De bezoeker leest daar dat het gebouw waarin ze zitten een koepel is en niet een kippenhok. Ook Henriëtte Blaek ziet niet veel in de dichtkunst van Helding:

“Het is anders een goede man, die Lucas Helding; ,aar het nageslacht zel er weinig aan missen, al zet hij nooit weêr een pen op het papier.” (48)

Niet veel later komt Helding binnen. Hij is een huisvriend van de Blaeken, maar de ontmoeting verandert Ferdinand Huyck niet van mening over de schrijfsels van Lucas Helding. Zelfs de jubelzang die hij krijgt toegestuurd, brengt daar geen verandering in. Het gedicht levert vooral leedvermaak op in Huize Huyck.

Ook Helding is slachtoffer van de roversbende. Hij komt steeds terug in het verhaal. Hierbij schuwt de verteller niet om de dichter voor gek te zetten. De passage waarin hij de dronken dichter meesleurt door de straten van Amsterdam is tekenend. Ferdinand Huyck weet samen met Reynhove de dichter naar zijn woning te brengen.

Tot in het nawoord van Marie Stauffacher komt Lucas Helding aan bod. Ze schrijft het volgende:

De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. (497)

Tot het einde toe weet Jacob van Lennep de dichtkunst van een eeuw voor hem, voor gek te zetten. Erg enthousiast is hij er niet over. Gelukkig doet hij dit op een grappige en humoristische manier. Soms iets te overdadig, maar dat hoort bij hem en de tijd die hij beschrijft.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Mijn exemplaren van Ferdinand Huyck

image

Ik heb 2 exemplaren van Ferdinand Huyck in mijn boekenkast. Ze komen allebei uit de serie van Romantische werken die uitgeverij Sijthoff uit Leiden vaak herdrukte. De beide boeken zijn gebonden in een rode kaft, maar zijn van verschillend zetsel. Hierdoor telt het ene boek 436 pagina’s en het andere 498.

Het werk van Jacob van Lennep was tot ver in de 20e eeuws heel populair. De boeken zijn eindeloos herdrukt. Het boek Ferdinand Huyck behoort tot de populairdere romans van Van Lennep. Net als De roos van Dekama. Misschien dat het onderwerp best aansprak. Daarnaast zijn de boeken van Jacob van Lennep geschreven in een toegankelijke stijl.

image

Ik heb een exemplaar dat heeft toebehoord aan P.J. Biesmeijer. Hij schafte het exemplaar in maart 1890 aan. Of het boek echt stukgelezen is, weet ik niet. Het boek heeft wel veel geleden. Het band valt van de inhoud af en neemt daarbij de eerste en laatste pagina’s mee.

Misschien komt de schade ook door het dikke bundeltje papier dat aan het exemplaar is toegevoegd. Dat is gemaakt door een J. van der Spek in januari 1888 en is daarmee ouder dan dat P.J. Biesmeijer het boek aanschafte.

image

In een prachtige handschrift heeft J. van der Spek alle vreemde uitdrukkingen en woorden die in het boek voorkomen opgezocht en vertaald. Hij gaat hierin heel ver. Zo zoekt deze lezer naar de verklaring van woorden als ‘bagatelletje’, ‘croquettes’ en ‘intoleroble’. Daarnaast komen de vele mythologische figuren in de roman langs als Bacchus, Atlas en Hercules. Ook besteedt deze 19e eeuwse lezer aandacht aan de Franse zegswijzen die vooral de zus van Ferdinand Santje.

Daarmee geven deze notities een leuk inkijkje in de leeswijze van een 19e eeuwse lezer. Het maakt het uit elkaar vallende exemplaar van deze historische roman de moeite van het bezitten waard. Daarom kan ik het ook niet over mijn hart verkrijgen om juist dit boek van een nieuw omslag te voorzien.

image

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.