Tagarchief: humor

De klokkenluider een historische roman?

Is De klokkenluider van de Notre-Dame een historische roman? Zeker het verhaal speelt in januari 1482. De opening begint op Driekoningen én het Narrenfeest. Het is dubbel feest en de dichter Gringoire heeft het toneelstuk geschreven dat wordt opgevoerd.

De verteller plaatst zich regelmatig buiten de tijd met verwijzingen buiten de roman. Hij doet dit soms terloops en met humor. Bijvoorbeeld als hij met een spreekwoord verwijst naar de nieuwe wereld, die pas 13 jaar later ontdekt zal worden door Columbus.

Gringoire ziet een optreden van het zigeunermeisje Esmeralda en haar geitje Djali. Hij wil haar rijkelijk belonen, maar hij heeft niks. Het zweet gutst van zijn voorhoofd als ze langskomen om geld op te halen voor het straatoptreden.

Als hij heel Peru in zijn zak had gehad, zou hij dat zeker aan de danseres hebben gegeven, maar Gringoire had Peru niet, en Amerika was trouwens nog niet eens ontdekt. (76)

Een speelse verwijzing naar de moderne tijd die de verteller vertegenwoordigd. Ook maakt de verteller toespelingen op de verdwijning van de koningengalerij aan de voorgevel van de kathedraal. De 28 koningen werden na de revolutie in 1789 gezien voor de Franse koningen. Dit hardnekkige beeld, hangt ook in het hoofd van de verteller.

Na publicatie van Victor Hugo’s roman is ontdekt dat het de beelden van de Bijbelse koningen van Juda waren. Uiteraard zijn de middeleeuwen mans genoeg om hier een indirecte verwijzing naar iets anders te maken, zoals de koningen van Frankrijk. Hier hoeft de verteller dus niet per sé fout te zijn.

Volgens de verteller zijn er 3 vormen van onttakeling:

Op de ruïnese kan men drie soorten kwetsuren onderscheiden, die elk een specifieke diepte verotnne: ten eerste de tijd, die her en der gevoelloos heeft toegeslagen en vooral het oppervlak heeft aangetast; dan de politieke en godsdienstige omwentelingen, die met de hun eigen blindheid en furie de kerken te lijf gingen, de rijke ornamentatie met beeldhouwwerk en snijwerk vernielden, de roosvensters stuksloegen, de serranden van arabesken en figuurtjes kapotmaakten en de beelden verbrijzelden, de nee keer vanwege hun mijter, de andere vanwege hun kroon; en als laatste de bouwkundige modes, die steeds onwaarschijnlijker en dwazer werden en die, na de anarchistische en briljante zijsprongen van de renaissance, het onontkoombare pad van de decadentie bleven volgen. (126)

In onze tijd kunnen we aan de door de verteller genoemde revoluties ook oorlogen toevoegen. Oorlogen hebben veel bouwwerken verwoest. In Nederland zijn het bijvoorbeeld de Rotterdamse Laurenskerk en in Arnhem in de Eusebiuskerk die door oorlogsgeweld zijn vernietigd.

De beschadigde beelden bij de beeldenstorm zijn nog altijd in de Utrechtse Domkerk te zien. De beschadigingen zijn zelf monumenten geworden. Het is echter niet de ergste verwoesting. De verwoestingen van oorlog, geweld en de tijd, wegen niet op tegen de derde en laatste verwoesting: architecten.

Met de verteller ben ik het eens dat de grootste bedreiging de architecten zijn. Zij verwoesten met hun visionaire inzichten mooie bouwwerken. Je ziet het tegenwoordig vooral op het terrein van stadsgezichten en stadscentra. Genadeloos moeten bouwwerken uit het verleden plaatsmaken door hedendaagse inzichten. Gepresenteerd als verbetering maar meer een uiting van machteloosheid. Wat onze voorouders hebben gebouwd kunnen wij met geen mogelijkheid meer bouwen.

Daarmee is De klokkenluider van de Notre-Dame meer een ideeënroman dan een historische roman. Het speelt in het verleden, maar de gedachten van het heden dringen voortdurend door de tekst heen. Het overtuigt mij ook van de schoonheid van dit boek. Een boek dat een eerbetoon is aan de kathedraal. Maar waar het verhaal als kroon (of mijter) prachtig uitsteekt.

Victor Hugo: De klokkenluider van de Notre-Dame. Oorspronkelijke titel: Notre-Dame de Paris [1832]. Vertaald door Willem Oorthuizen met een nawoord van Jan van Aken. Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep, 2011. ISBN 978 90 253 6872 2. 576 pagina’s. Prijs: € 35.Bestel

Belachelijke dichter

image

De ik-verteller, hoofdpersoon en romantitelheld van Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck heeft het niet zo op de achttiende-eeuwse dichters. Als hij kennismaakt met de dichter Lucas Helding in het huis van Blaek, in de buurt van Eemnes, is hij niet echt enthousiast over de versjes die hij daar overal aantreft:

“Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,” zeide ik: “hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.” (48)

De naam hangt buiten, attendeert Henriëtte Blaek hem. De bezoeker leest daar dat het gebouw waarin ze zitten een koepel is en niet een kippenhok. Ook Henriëtte Blaek ziet niet veel in de dichtkunst van Helding:

“Het is anders een goede man, die Lucas Helding; ,aar het nageslacht zel er weinig aan missen, al zet hij nooit weêr een pen op het papier.” (48)

Niet veel later komt Helding binnen. Hij is een huisvriend van de Blaeken, maar de ontmoeting verandert Ferdinand Huyck niet van mening over de schrijfsels van Lucas Helding. Zelfs de jubelzang die hij krijgt toegestuurd, brengt daar geen verandering in. Het gedicht levert vooral leedvermaak op in Huize Huyck.

Ook Helding is slachtoffer van de roversbende. Hij komt steeds terug in het verhaal. Hierbij schuwt de verteller niet om de dichter voor gek te zetten. De passage waarin hij de dronken dichter meesleurt door de straten van Amsterdam is tekenend. Ferdinand Huyck weet samen met Reynhove de dichter naar zijn woning te brengen.

Tot in het nawoord van Marie Stauffacher komt Lucas Helding aan bod. Ze schrijft het volgende:

De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. (497)

Tot het einde toe weet Jacob van Lennep de dichtkunst van een eeuw voor hem, voor gek te zetten. Erg enthousiast is hij er niet over. Gelukkig doet hij dit op een grappige en humoristische manier. Soms iets te overdadig, maar dat hoort bij hem en de tijd die hij beschrijft.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Vergelijkingen

image

Lena Dunham geeft in haar boek Not That Kind of Girl een heerlijk inkijkje in het leven van de jongere vrouw. Vooral de vergelijkingen zijn een heus genoegen om te lezen.

Bijvoorbeeld in het hoofdstuk over haar schooltijd. Ze doet dit met de nodige zelfspot, wat het alleen maar vermakelijker maakt.

Op de quakerschool was ik een vage irritanto geweest, het equivalent van een musicalmeisje, behalve dat ik niet kon zingen, maar alleen de biografie van Barbra Streisand las en broodjes prosciutto at in mijn eenzame hoekje in de kantine, waar ik mij wentelde in eenzaamheid als een gescheiden vrouw op een terrasje in Rome. (74/5)

Ik geniet van zulke vergelijkingen. Ze geven humor in het verhaal en drukken de gemoedstoestand op een originele manier weer. Lena Dunham begint het betreffende hoofdstuk niet voor niets met de opmerking:

Ik ben een onbetrouwbare verteller. (73)

Verderop verhaalt ze op een prachtige manier over haar eerste schreden op het liefdespad. Humor en weemoed brengt ze op een prachtige manier samen:

De eerste keer dat we seks hadden, was de tweede keer in mijn leven dat ik het deed. Hij zette Afrikaanse muziek op, zoende me alsof het een saai klusje was dat hij van zijn reclasseringsambtenaar opgedragen had gekregen, en ik klampt me aan hem vast met het idee dat hij het me wel zou laten merken als dat niet de manier was waarop seks hoorde te verlopen. (78)

Lena Dunham weet precies de juiste beelden op te roepen met haar woorden. Het klusje van de reclasseringsambtenaar maakt het veel mooier dan wanneer ze geschreven had over een verplicht nummertje afdraaien.

Het laat zien dat Lena Dunham een schrijfster van formaat is. Een onbetrouwbare verteller die op een zeer originele manier haar verhaal vertelt.

Lena Durham: Not That Kind of Girl, Levenslessen om (vooral niet) op te volgen. Oorspronkelijke titel: Not That Kind of Girl – A Young Women Tells You What She’s “Learned”. Vertaald door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap. Amsterdam: Meulenhoff, 2014. ISBN 987 90 290 9041 4. Prijs: € 19,95. 304 pagina’s.

De lachende lezer

image

Lezen en lachen is een bijzondere combinatie. Iemand leest en boek en barst steeds in gelach los. Het is de vreugde van de tekst. Een tekst die iemand alleen leest en daarom is de vreugde ook voor hem alleen. In de trein is het zelfs een beetje gênant als je tegenover een heer of dame zit die iedere keer grinnikt of nog erger: keihard gaat lachen.

Gelukkig lach ik niet zo vaak hardop om boeken. Niet dat het niet grappig is, maar gewoon omdat het een beetje gênant is en je door het lachen niet meer aan lezen toekom. Al denk ik dat ik elk boek zeker wel een paar keer moet lachen. Er zijn bijna geen humorloze boeken, al kon ik om het Afrikaboek van Hemmingway en Van dode mannen win je niet van Walter van den Berg wat minder goed lachen.

De grote uitzondering van mijn niet lachen zijn de reisverhalen van Redmond O’Hanlon. Daar kom ik werkelijk niet meer bij van de benarde situaties die hij beschrijft op een droogkomische wijze. Ontroering en humor wisselen elkaar op harmonieuze wijze af. Het zijn reisverhalen waar ik echt van geniet. En dat is misschien het geheim van een mooi boek dat je erbij kunt lachen of huilen zonder erop te letten dat het eigenlijk heel gênant is.

Dit is het antwoord op vraag 44 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.