Tagarchief: hotz

Voetnoten lezen – #50books vraag 19

image

Ik reken de novelle De voetnoot van F.B. Hotz tot 1 van de mooiste novelles van de Nederlandse literatuur. De novelle begint met een prachtige openingszin en het verhaal intrigeert mij.

Het vertelt over de strijd van een vrouw die haar gelijk wil krijgen na een grote treinramp. Ze krijgt het na jaren procederen. Ze schrijft een verhandeling en deze komt terecht in een voetnoot van een wetenschappelijk boek. Het is haar levenswerk, die uiteindelijk beperkt blijft tot een stukje tekst in de marge van een boek dat niemand leest.

Maar daar gaat het vandaag helemaal niet over bij de boekenvraag #50books. De vraag komt van de trouwe boekenvraag-deelnemer Niek. Ze vraagt zich af wat anderen met voetnoten in of bij een tekst doen. Het verschilt per boek, in sommige boeken staat de voetnoot onderaan de betreffende pagina. In andere gevallen staan de voetnoten op een aparte plek in het boek. Dan moet je er een aardig eindje voor bladeren.

In de verschillende uitgaven van Dantes Goddelijke Komedie die ik heb, zijn allebei deze vormen terug te vinden. De vertaling van Frans van Dooren uit 1987 bevat achterin het boek de aantekeningen. Daarom zorg ik dat ik 2 papiertjes in het boek heb. Eentje bij de tekst zelf en eentje bij de voetnoten.

De verklaringen bij de tekst gebruik ik veel om enigszins de vele verwijzingen en andere onduidelijkheden beter te kunnen begrijpen. Zeker ik zou me eraan kunnen wagen dat niet te doen, maar dan zou ik nog minder grip op de tekst krijgen dan ik nu heb.

Dat brengt mij bij deze 19e boekenvraag:
Hoe ga je om met voetnoten in een tekst?

Ik ben benieuwd naar de antwoorden.

Blog mee over #50boeken

Schrijf een blog over de vraag van vandaag en laat hieronder in de reactie een linkje naar je site staan. Heb je zelf een idee voor een vraag? Ze zijn van harte welkom. Mail gerust een vraag of stel hem in via het contactformulier.

#50books

De leesvraag #50books is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf de eerste vraag doe ik regelmatig mee. Naar overzicht van alle vragen.

Papieren tijgers

image

Heerlijk zijn de essay’s van Gerrit Komrij. In zijn boek Papieren tijgers staan veel bijdragen die de schrijver in de jaren ’70 schreef. Hij schrijft over literatuur, kunst en architectuur. Het accent ligt wel op de literatuur.

Een paar beroemde besprekingen staan erin. Zoals de besprekingen over boeken van Hotz en Mulisch. Vooral de vorm waarin hij de verhalenbundel Dood weermiddel van Hotz bespreekt, is mooi. Komrij krijgt een vriend aan de telefoon maar wil eigenlijk niet gestoord worden, want hij leest zo’n mooi boek. Vervolgens produceert hij de ene loftuiting na de andere.

Maar dat is een uitzondering. Komrij doopt zijn pen regelmatig in vurig gal. Met een groot gevoel voor humor smeert hij zijn kritiek over de literaire boterhammen. Zo schrijft hij over Huub Oosterhuis:

Het is het geraaskal, het gestamel, dat ware poëzie moet suggeren. Het is het gepreek dat je dankzij schijnpoëzie dingen kan vertellen als ‘God is een cirkulatiepunt. God is een knipoog van herkenning.’ Ja, m’n fiets. God is de dynamo van de herdrukken van Oosterhuis. (134)

Komrij schrijft prachtig mee in de metafoor van Huub Oosterhuis, wat erg humoristisch overkomt. Zo passeert een stoet aan joligheid voorbij in de bijdrages van Komrij. In een bijdrage over analfabetisme suggereert de dichter dat je het met analfabetisme best een eind kan schoppen.

Het voorbeeld van André van der Louw bewijst ons dat iemand, zonder ooit en boek te hebben gelezen, nog heel goed een burgemeester kan worden van ’n middelgrote gemeente. (45)

Heerlijk. Of wanneer hij tevreden vaststelt dat hij dankzij Van Agt eindelijk weet waar hij voor of tegen is. Als Van Agt tegen is, dan is hij voor. Deze methode kun je ook toepassen op de inrichting van je huis. Bedenk welke meubels je vijand in huis heeft en gooi die Oisterwijkse kloostertafel meteen het huis uit. Terloops merkt Komrij op dat die tafel, de Albert Mol onder de meubels is. Altijd beledigend.

Gerrit Komrij: Papieren tijgers. Amsterdam: Uitgever De Arbeiderspers, 1978. ISBN: 90 295 2708 0. 234 pagina’s.

Korte verhalen – #50books

image

De meesters van het korte verhaal zijn de echte vertellers. De meeste schrijvers zijn met verhalen begonnen. Veel debuutbundels bestaan uit verhalen. In Nederland zijn er zeker een paar meesters van het korte verhaal: F.B. Hotz, Henk Romijn Meijer en Bob den Uyl.

De wens om een roman te schrijven drijft de meeste schrijvers van het verhaal af. Het is Hotz eigenlijk nooit gelukt een roman te schrijven. De enige roman van zijn hand, De vertekening is uiteindelijk een slap aftreksel van het meesterwerk dat het ooit had moeten worden.

De wens om die grote roman te schrijven blijft sterk aanwezig bij schrijver en lezer. Hoeveel lezers verzuchten niet over een verhalenschrijver: had hij maar een mooie roman geschreven. Een verhaal lees je in een zucht uit. De noodzakelijke verdieping van personages blijft achterwege en het ontbreekt meerdere gesponnen verhaallijnen.

Juist die elementen zijn de kracht van het (korte) verhaal. De aandachtsspanne van de lezer blijft beperkt tot een halfuur tot hooguit twee uur. In die tijd kan hij het hele verhaal in één keer vatten. Ook is hij in staat een afgerond verhaal voor te lezen. Zo maakt hij snel kennis met een beperkt aantal karakters en leert ze heel snel kennen. Ik denk dan gelijk aan de zin waarmee ‘Happy days’ begint van F. Springer, waar ik vorige week over schreef.

De verhalen van Charles Dickens zoals ze in de Sketches by Boz voorkomen, trekken mijn aandacht. Vaak typeert de schrijver – genoodzaakt door de tijd – in een korte zin of hooguit een alinea een personage. Geen eindeloos gewauwel, maar een snelle en korte typering. Ik vind het heerlijk om te lezen hoe Dickens bijvoorbeeld in het verhaal ‘Het duel’ een ingeslapen stadje in een alinea helemaal weet te vatten:

Het kleine stadje Great Wingleburgy ligt precies op twee-en-veertig en een halve mijl afstand van Hyde Park Corner. De hoofdstraat is lang, onregelmatig bebouwd en rustig. Er is een klein roodstenen stadhuis, met een grote zwart-en-witte klok, een markt, een arrestantenlokaal, een vergaderzaal, een kerk, een brug, een kapel, een schouwburg, een bibliotheek, een herberg, een stadspomp en een postkantoor.

Zo vind ik een schrijver als Jan Wolkers ijzersterk in zijn korte verhalen. Vaak dienen ze als schets voor een roman, maar waar de roman niet in slaagt, slaagt het verhaal wel in. Het blijft hangen. Zoals het verhaal Serpentina’s petticoat’ dat in de gelijknamige debuutbundel van Jan Wolkers staat. Het is het verhaal over oom Louis.

– Het is een zwerver, het zwarte schaap van de familie, zei mijn vader. Hij heeft nooit willen deugen. Mijn ouders schaamden zich een beetje voor zijn aanwezigheid, en misschien, denk ik nu achteraf was de mosterd het enige wapen dat mijn moeder binnen haar bereik had om zijn logeerpartijen van niet al te lange duur te doen zijn. (37)

Het beeld van de tante die haar broer naakt in zijn doodskist ziet liggen, laat mij bij dit verhaal niet meer los. Het verhaal kenmerkt de thematiek en dramatiek in het werk van Jan Wolkers. De rauwe kant van het leven – Serpentina die het doodshemd van haar overleden oom steelt om er een mooie petticoat van te naaien – met de dood als rouwrandje er doorheen.

Of zoals ik al eerder schreef Hotz’ novelle De voetnoot, dat qua lengte goed in het formaat van een verhaal past. Ook hier geeft een opmerking van de vader een rake typering van de hoofdpersoon tante Ina van het verhaal weer:

’s Avonds aan tafel zei moeder tegen vader: ‘Ina was in Katwijk; ze zat in een invalidenwagen. Ik wist niet wat ik zeggen moest.’
‘Tja,’ antwoordde vader. Hij had geen zin in het onderwerp. Hij at. Pas bij het puddinkje zei hij: ‘Het is echt iets voor die vrouw. Dat haar zoiets overkomt, bedoel ik.’
Mijn zus keek hem met open mond aan. Ik begreep er ook niets van. Moeder kreeg een rode vlek in haar hals en keek op haar bord. (34)

Zinnen die in een verhaal blijven hangen. Misschien omdat de aandachtsspanne korter is. Misschien omdat het allemaal anders behapbaar is. Ik weet niet waar het antwoord ligt. Maar ik voel me erg aangetrokken tot het verhaal. En dan droom ik ervan net zo goed verhalen te kunnen schrijven als Hotz, Dickens of Poe. Want er gaat weinig boven een mooi verhaal.

Dit is het antwoord op vraag 41 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

De eerste zin – #50books

wpid-2013-10-13-12.23.24.jpgMaar zelden grijpt de eerste zin van een roman of een verhaal je gelijk bij de kladden. Zelfs de beste schrijver slaagt er vaker niet dan wel in. Het merendeel van de eerste zinnen in de boeken die ik gelezen heb, zijn mij ontgaan. Een paar bleven hangen. Maar die zinnen zijn dan ook goed blijven hangen.

Eerste klap

Bij zijn improvisatie-cd op Gregoriaanse gezangen is een interview met organist Bert Matter opgenomen. Het gaat uiteraard over improviseren. De eerste klap is een daalder waard, zegt de vroegere organist van de Walburgiskerk in Zutphen. Het eerste idee trekt de aandacht en als het aanslaat, voert dit idee het publiek mee.

Een vaak aangehaald voorbeeld uit de muziek is Beethovens vijfde Symfonie. Die met weinig begint – vier tonen: lang – kort – kort – lang – en waarbij het idee het hele verdere eerste deel van deze symfonie wordt uitgewerkt. Overigens kennen maar weinig mensen hoe het verloop is na de eerste paar maten. Dus of die eerste maat nu alles bepaalt?

Eerste zin

De eerste zin in een roman is natuurlijk ook die eerste klap. Bij mijn studie werd tot tranens toe de eerste zin aangehaald van W.F. Hermans in Nooit meer slapen: ‘De portier is een invalide.’ Het zou allesbepalend zijn voor het hele verdere boek. Natuurlijk Nooit meer slapen is een prachtige roman. Maar of het ontbreken van deze eerste zin alle kracht uit het boek zou halen, is zwaar verdreven. Daarvoor zijn alle zinnen belangrijk.

Korte verhalenschrijvers zijn sterk in de eerste zin. Het verhaal ‘Happy days’ van F. Springer is zo’n verhaal. Al vanaf de eerste keer dat ik het las, greep de eerste zin mij aan. Het laat je niet los. De hele rest van het verhaal doet er bijna niet meer toe. Zo mooi… Ik haalde hem al eens eerder aan.

Op een avond in juni ’55 verliet onze jaargenoot Bert Kooistra, vierdejaars rechten, vroeger dan zijn gewoonte was de sociëteit, wandelde naar de Hooigracht, schreef in zijn kamer nog een briefje voor de hospita (‘mevrouw K, morgen geen melk’), schoof dit onder zijn deur de gang op, kleedde zich uit, slikte ongeveer twintig slaappillen (die hij in de loop van de voorgaande maanden op recept verzameld bleek te hebben), kroop onder de dekens, deed het licht uit en stierf nog voor het aanbreken van een mooie vrijdag, want juni was mooi dat jaar.

Kortere zinnen

Een andere verhalenschrijver F.B. Hotz bedient zich van kortere en minder complexe zinnen. Zijn novelle De voetnoot behoort in mijn ogen tot één van de mooiste verhalen uit de Nederlandse literatuur. De eerste zin(nen) van dit verhaal vat(ten) alles samen:

Het verleden is dood, zei mijn kapper. Ik wees hem maar niet op de duizenden tekens van het tegendeel. Zelfs de stemmen en geluiden van een eeuw geleden zijn nog hoorbaar sinds Edison de grammofoon uitvond.

Hotz verhaalt in De voetnoot over een vrouw die haar hele leven bezig is met een gebeurtenis – een treinongeluk – uit het verleden. Alles draait erom. Ze probeert haar gelijk te halen en een schadevergoeding in de wacht te slepen. De eerste zin zegt hiermee bijna alles. Het verleden is helemaal niet dood. Voor sommige mensen leeft ze meer dan het heden.

Of in het verhaal ‘ De gladiator’ uit zijn debuutbundel Dood weermiddel. In dit verhaal over de bezettingstijd en de periode erna, ontbreekt het de held aan heldendaden.

De enige heldendaad die ik in de bezettingstijd ooit verrichtte, was het horen lezen van een ‘illegaal’ blad. Als ik me goed herinner ben ik verder voornamelijk bang geweest of, wat erger is, ongeïnteresseerd.

De zin trekt je gelijk het verhaal in over de oorlogsjaren en de bijbehorende angst. Zo’n eerste zin is prachtig om te lezen, het helpt je het verhaal in. Maar het is zeker niet allesbepalend. Dat zijn bijna terloopse zinnetjes die betekenis krijgen door het omliggende verhaal. Een eerste zin is vaak betekenisloos. Ze krijgt pas kracht als je weet wat er komen gaat. Zonder die wetenschap is het een mooie zin en neuriet ze mee op de maat van het verhaal.

Gelijke zinnen

Iemand als Redmond O’Hanlon kan prachtig schrijven over zijn reizen door het oerwoud. Het begin van zijn eerste twee reisverhalen Naar het hart van Borneo en Tussen Orinoco en Amazone lijken sterk op elkaar. In allebei de gevallen staat de duur van het verblijf centraal.

Naar het hart van Borneo:

Als academicus en recensent van boeken over biologie stond ik versteld hoe snel iemand, onder bedreiging van twee maanden ballingschap in de oerwouden van Borneo, eigenlijk kan lezen.

In Tussen Orinoco en Amazone refereert hij met een dikke knipoog naar zijn vorige boek. Zelfs lezers die zijn eerste reisverhaal niet kennen, begrijpen de flinke dosis ironie:

Omdat ik twee maanden lang door de regenwouden van Borneo had gereisd, dacht ik dat een tocht van vier maanden door het gebied tussen de Orinoco en de Amazone geen bijzondere problemen met zich mee zou brengen.

Geen raadselachtige zinnen, geen diepgravende analyse van wat er komen gaat. Het begint gewoon met een zin die de sfeer van het komende verhaal uitdrukt en eigenlijk ook al verklapt dat er veel moois met zware ontberingen komen gaat.

Zona Verde

In zijn laatste reisverhaal Laatste trein naar Zona Verde, Mijn ultieme Afrikaanse safari drukt Paul Theroux zich juist in de raadselachtige eerste zin uit. Hier geen grootse profetie of voorzichtig openen van de gordijnen. Nee, Paul Theroux voert de metafoor van het ongelezen boek op. Het ongelezen boek dat op de schoot van de lezer ligt:

In de hete, vlakke bush in het hoge noordoosten van Nanibië liep ik over een bultige termietenheuvel van glad, door mieren fijngekauwd zand, en doordat ik nu net iets hoger stond, kon ik zien hoe het majestueuze landschap zich ontvouwde, als de warrelende bladzijden van een geheel ongelezen boek.

Paul Theroux begint zijn reisverhaal niet bij het begin, maar ergens in het midden, als hij de bosjesmannen ontmoet. Het typisch Afrikaanse landschap dat helemaal in de algemeen westerse beeldvorming valt. Geen beter begin van een reisverhaal dat worstelt met het Afrika zoals het in het hoofd zit en het Afrika zoals het zich toont aan de reiziger Paul Theroux. Binnenkort meer – veel meer – over dit laatste reisverhaal van deze Amerikaan.

Nee, dan de laatste zin die ik van Laatste trein naar Zona Verde niet zal verklappen. De laatste zin is de paukenslag waarmee de roman of het verhaal eindigt. Vaak een gedweëe afdruiper. Een zin die je zo weer vergeet. Maar soms een heel mooie samenvatting van het verhaal. Een einde waar alles op zijn plaats valt.

Verquizzen

Er zijn weleens quizzen waarbij je moet raden welke eerste zin van een roman bij welk boek hoort. Leuk om te doen. Ik ben er niet zo goed in. Bij het meelopen bij de opleiding Nederlands aan Nijmeegse universiteit, kregen we in de pauze zo’n soort quiz. Niet met de eerste zin, maar de laatste. Heel erg leuk. Ik had er 9 van de 10 goed.

Neem het einde van Gerard Reves De avonden die memorabel is in de Nederlandse letterkunde. Een einde die het verhaal wel en niet dekt. Als het aan mij ligt de mooiste zin waarmee een boek en deze blog kan eindigen:

Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. ‘Het is gezien’, mompelde hij, ‘ het is niet onopgemerkt gebleven.’ Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.

Dit is het antwoord op vraag 40 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

Langs Grebbelinie van Rhenen naar Veenendaal

kazemat langs heimersteinselaan op grebbeberg
Mijn moeder bij een kazemat van de Grebbelinie op de Grebbeberg

Het is er steeds niet van gekomen om dat Grebbeliniepad te gaan lopen, maar dan is het zover: we lopen de eerste twee stukken van de route. Het eerste leidt langs en over de Grebbeberg. Het eindigt bij het Hoornwerk, een verdedigingswerk dat aan de voet van de Grebbeberg staat.

Ik ga met de trein naar Rhenen, bij Veenendaal Centrum stapt mijn moeder op. Vanaf het station gaat de route direct naar de Rijn, waarna een groot stuk langs het water loopt. Het mooie zomerweer is heerlijk, maar het pad was erg druk met allemaal fietsers die langsreden. Het was zo bijna onmogelijk naast elkaar te lopen. De zon schijnt warm op de rug en verbrandt de nek. Goed insmeren.

voormalige boswachterswoning op grebbeberg
Voormalige boswachterswoning als onderdeel van de Ringwalburcht bij de Koningstafel op de Grebbeberg

De trappen op naar de Koningstafel. Dat is een plateau bovenop de Grebbeberg waar de ringwalburcht ligt. De burcht is een aarden wal, die gemarkeerd wordt door een prachtige toren. Hier woonde vroeger de boswachter. Het toeval wil dat een kleindochter van de voormalig boswachter hier met haar kinderen is. Ze zoekt naar allerlei herinneringen uit haar jeugd. Volgens haar is veel verdwenen van het authentieke boswachtershuis in de vorm van een heuse burcht. De kelders beneden met fraaie gewelven zijn uitgeleefd. Het lijkt of er regelmatig brandjes gesticht worden.

paardenpoep bij ringwalburcht op grebbeberg
Zou de paardenpoep op de Koningsberg iets met de legende van de heilige Cunera van doen hebben?

De route door het bos is wel lastig te vinden. De diepe gleuven lijken op de oude loopgraven, maar het kunnen ook natuurlijke afzettingen zijn. De militaire begraafplaats met de klok aan de andere kant van de weg. De weg over de berg die bij het herdenken van de gevallenen op 4 mei is afgezet.

Langs Ouwehands dierenpark, de Heimersteinselaan in. Een echte boslaan met hoge beukenbomen aan weerszijden. Midden in het bos, in de nabijheid van een grote uitsparing, is een heuse loopgraaf nagebouwd zoals deze aan het begin van de Tweede Wereldoorlog waren gegraven. Deze valleistelling brengt de geschiedenis wel dichterbij.

Zo’n loopgraaf helpt mee je voor stellen hoe het als soldaat hier gevoeld moet hebben. We denken aan een buurman – ome Koos – van mijn opa en oma, die aan het begin van de oorlog gestationeerd was bij de Grebbeberg. Hij zou in één nacht grijs zijn geworden van angst. De verhalen van weleer worden gelijk concreet door zo’n reconstructie van een loopgraaf.

gereconstrueerde loopgraven valleistelling grebbelinie
Gereconstrueerde loopgraaf van de valleistelling bij de Grebbelinie

Iets verderop een heuse kazemat, geschikt voor 3 militairen. Ook hier is een stukje loopgraaf bijgebouwd. Het maakt zo’n verdedigingswerk ook concreter. De hoge bomen eromheen suggereren dat ze er altijd gestaan hebben, maar ik betwijfel dat omdat het het zicht weghaalt. Het verhaal gaat dat vrijwel elke (oude) boom op de Grebbeberg nog de resten van kogels en granaatscherven heeft van de slag die hier in de meidagen van 1940 is gevoerd. Het enorme gat in de boom achter de kazemat suggereert dat ook hier de kogels, bommen en granaten in het rond vlogen.

Dan kom je uit bij het Hoornwerk, een imposant verdedigingswerk uit de 18e eeuw. Het bestaat uit voornamelijk aarden wallen die moeilijk zichtbaar zijn in dit jaargetijde. De bastions die we al eerder zagen langs de Rijn hebben wel duidelijke vormen, maar het verdedigingswerk moet in de hoogtijdagen er heel indrukwekkend uit hebben gezien.

Ik denk aan de eenzame hoofdpersoon van het verhaal ‘Dood weermiddel’ van Hotz. Hij dient een dergelijk verdedigingswerk te onderhouden en de aarden wallen op de juiste hoogte te houden. Het is een bijna onmogelijke taak. Hij wordt dan ook aardig dwarsgezeten door zijn vrouw.

valleikanaal of grift tussen rhenen en veenendaal
De Bisschop Davidsgrift of het Valleikanaal

Dan komt een saai gedeelte van de wandeling, het tweede gedeelte van de route voert langs de oude grift, later uitgegraven tot het Valleikanaal. We hebben hier vaak langs gefietst, zeker later toen er zo’n mooi fietspad langs kwam te liggen. Hier rijden de fietsers in de vorm van senioren en elektrische fietsen af en aan.

Het mooie weer verleidt de bewoners van de Gelderse Vallei tot het pakken van de fiets. Zodoende lopen we regelmatig achter elkaar. Van de verdedingslinie is niet veel te zien, wel een vistrap en een eendenkooi.

vistrap in valleikanaal tussen veenendaal en rhenen
De vistrap in het Valleikanaal tussen Rhenen en Veenendaal

We zijn vervuld van ons gesprek. Moeder en zoon bespreken de laatste stand van zaken. Verderop houdt het fietspad op. Bij de boer halen we vers water, een appel en een waterijsje. Dan komt de Blauwe hel, een stukje moeras zoals het allemaal rond Veenendaal is geweest voor het turf werd afgegraven. Hier ben ik vaak geweest en komt mijn moeder nog vaak. We zijn er bijna. Met meer dan 16 kilometer in de benen is het genieten van de Tjap Tjoi die mijn vader heeft gemaakt.

natuurgebied de hel bij veenendaal
Natuurgebied De Hel bij het Benedeneind in Veenendaal

Hotz en Theroux – #50books

image
De boeken van Hotz in mijn bibliotheek

De vierde vraag in de serie #50books: Van welke auteur lees je alles, maar dan ook alles wat uitgebracht wordt?

Mijn bibliotheek vult zich meer en meer met boeken van dezelfde auteurs. Regelmatig komt er een boek bij. Gelukkig niet zoveel als de vele boeken die Martin Ros naar binnen sleepte aan het eind van zijn werkdag. Ik concentreer mij meer en meer op een aantal vaste auteurs. Soms omdat het aanbod verleidelijk is. Zo zie je bepaalde boeken heel vaak in kringloopwinkels liggen. Het is dan heel verleidelijk de hele auteur te gaan verzamelen.

Vaker enthousiasmeert een bepaald boek van een auteur mij. Zo ontdekte ik in 2011 bij het uitkomen van de Hotz-biografie van Aleid Truijens de verhalen van F.B. Hotz. Ik las de bloemlezing van Truijes, Mannen spelen, vrouwen winnen. Maar ik wilde meer lezen. Vooral de novelle De voetnoot – waarover Aleid Truijens en Maarten ’t Hart erg enthousiast over zijn – lonkte in al mijn begeerte. Ze noemden het allebei de mooiste novelle van de Nederlandse literatuur.

image
Compartiment Hella Haasse in mijn bibliotheek

Ik zag de stapels Hotz’en voorbijkomen die ik in de loop van de kringloopjaren had genegeerd. In mijn boekenkast stonden slechts 2 titels van deze bijzondere schrijver. Het boek Ernstvuurwerk in een lelijke pocket-uitgave en het die zomer in Goor aangeschafte Proefspel.

De begeerte dreef mij kringloopwinkel in en uit. Ik speurde, ik zocht. En ineens zag ik al die rijen boeken van Hotz in gedachten langskomen. Waarom had ik ze allemaal laten staan. Ik dacht altijd dat ik het boek wel zou hebben. Of dat het niet interessant was. Hotz is voor oude mannetjes die stinken naar zweet, vond ik. Van die mannetjes die op boekenmarkten neurien en in zichzelf praten als ze hun vingers langs de rijen boektitels glijden.

image
Aantal delen van de 46 delen Bilderdijk uit de bibliotheek van Boudewijn Buch

Ik speurde en zocht, maar vond niks. Alleen in Almere Haven had ik beet. Ik stuitte op het debuut en sloeg gelijk aan het lezen. Wat een prachtige verhalen stonden er in Dood weermiddel. Ik speurde verder. Al snel vond ik op internet een paar bundels, weliswaar wat duurder dan in de kringloop, maar voor een goed prijsje. Daarna ging het snel. Alleen lukte het niet De voetnoot te vinden.

Een paar keer viste ik achter het net bij een antiquariaat in Nijmegen. Ik stuurde een mailtje of hij een volgend exemplaar voor mij apart wilde houden. Een paar weken later, kwam het bevrijdende mailtje. Het was er: De voetnoot. Een prachtige novelle. Ik heb het vorig jaar een keer of vier gelezen.

Gelukkig houdt het hier op bij Hotz. Het hele literaire archief van Hotz is namelijk verbrand door de erfgenamen op nadrukkelijke wens van de overledene. Op de 2 delen van zijn verzamelde werken en de bloemlezing van Maaten ’t Hart na, bezit ik alles. En ik ben er ontzettend gelukkig mee.

image
Paul Theroux, voornamelijk de reisverhalen met de nadruk op treinreizen.

Hetzelfde geldt voor een andere verzamelwoede van een auteur waar ik werkelijk gek op ben geworden: Paul Theroux. Enthousiast geworden door zijn De grote spoorwegcarrousel, vond ik spoedig andere boeken van hem bij kringloopwinkels. De verzameling boeken van hem is nog lang niet compleet. Maar hier neem ik de tijd voor. Als ik een boek van hem tegenkom voor een leuke prijs dan koop ik het. Maar het hoeft niet tegen elke prijs. Dat is juist de sport van het verzamelen.

En dat geldt voor lezen ook. Ik heb genoeg oeuvres die ik nog moet uitlezen. Naast alles van Hotz, wacht alles van Dickens, alles van Multatuli, alles van Komrij, alles van Haasse, alles van Bilderdijk en alles van Hermans. En al die auteurs van wie het oeuvre in mijn boekenkast de 3 boeken overstijgt.