Tagarchief: haiku

Haiku’s leren lezen

img_20160724_183836.jpgBij het afscheid van mijn collega’s van Ziggo vorig jaar kreeg ik een bijzonder cadeau: een bundel met foto’s van de lucht met een haiku. Iedere haiku had een heel eigen karakter en vertelde mij veel over de persoon die het schreef.

Wat mij veel meer trof bij het initiatief van de bundel, was dat deze collega’s de wereld betraden waarin ik mij dagelijks begeef. Ze probeerden een gevoel te verwoorden in die paar lettergrepen die een haiku telt. Daarbij kwam er soms een heel treffende verwoording uit.

Ellen Deckwitz gaat in haar cursusboek over het lezen van gedichten ook in op de haiku. De Japanse dichtvorm haalt ze aan bij het hoofdstuk over de betekenis van gedichten. Ze citeert hier een haiku van de grote haikudichter Matsuo Bashõ. Ze schrijft:

Zelfs in Kyoto
wanneer de koekoek roept,
mis ik Kyoto.

Ze heeft er zelf een gedicht over Charlie op geschreven als verwijzing naar deze haiku. Helaas is de haiku niet heel mooi vertaald. Hij mist hiervoor een lettergreep in de 2e regel. Erg is het niet, maar het leidt mij erg af. Een gedicht bestaat zeker uit regels, zeker een haiku van Bashõ, de Shakespeare van de haiku.

Je zou veel moois over dit gedicht kunnen vertellen. Bijvoorbeeld dat de eerste regel een abstractie is, de 2e een natuurbeschrijving en de laatste een typering wat het met het lyrisch ik doet.

Die koekoek is veelzeggend, schrijft Ellen Deckwitz. Het verwoordt de naderende zomer. Het hele gedicht is veelzeggend en laat zien dat een paar woorden genoeg kunnen zijn om een hele wereld op te roepen.

Ik noem het mijn wereld omdat ik elke dag een haiku probeer te schrijven. Ik weet wel beter, want bij het lezen van Basho sta ik weer helemaal terug op mijn plaats.

En toch blijf ik het proberen.

Ellen Deckwitz: Olijven moet je leren lezen, Een cursus genieten van poëzie. Amsterdam/Antwerpen: UItgeverij Atlas, 2016. ISBN: 978 90 450 3134 7. Prijs: € 17,99. 160 pagina’s.Bestel

Haiku

image

In het gedeelte over de poëzie als taalspel, haalt Johan Huizinga in Homo ludens de Japanse haiku aan. Hij noemt het hai-kai, maar de vorm van drie dichtregels met achtereenvolgens vijf, zeven en vijf lettergrepen komt helemaal overeen met wat nu de haiku heet.

Volgens Huizinga is de haiku ontstaan uit een spel met de taal. Dichters borduurden voort op het gedicht dat de voorganger had voorgedragen:

Oorspronkelijk moet ook hai-kai een spel zijn geweest van kettingrijmen, waarmee de een begon en de ander moest voortzetten. (162)

De haiku sluit goed aan bij andere Aziatische dichtvormen als de djawab in Java en de pantoen uit Maleisië. Beide vormen zouden terugvallen op de inga foeka uit Midden-Boeroe. Deze beurtzang is

een wisseling van strofe en tegenstrofe, zet en tegenzet, vraag en antwoord, uitdaging en betaaldzetting. (160)

Zoiets zie je ook terugkomen bij sommige psalmen in de bijbel, die duidelijk in beurtzang worden gezongen. Het geeft poëzie iets speels. De hedendaagse rappers spelen dit spel en de strijd van poëzie op een moderne wijze met hun voordracht.

Huizinga zou het spel ook in de hedendaagse cultuur nog overal terugvinden. Hij gebruikt een heel hoofdstuk om op de relatie tussen poëzie en spel te wijzen. Hij doet dit met veel overgave. Zo haalt hij Paul Valéry aan:

Wie met Paul Valéry de poëzie een spel, het spel met woord en taal noemt, bezigt niet een overdracht van betekenis, maar treft de diepste zin van het woord poëzie zelf. (172)

Om te besluiten met een vergelijking tussen het gedicht en de raadselwedstrijd, die hij eerder aanhaalt als illustratie bij de haiku.

Zoals de raadselwedstrijd wijsheid voortbrengt, zo baart het poëtisch spel het schone woord. (173)

Poëzie is een spel met beelden en geeft een taal die niet iedereen verstaat, maar die van een ongekende pracht is. Dat geldt eigenlijk voor alle dichtvormen, ook als de poëzie opzettelijk tegen andere poëzie is geschreven. Hiermee raakt Huizinga de kern van het dichterschap: de speler van het woord.

Johan Huizinga: Homo ludens, Proeve ener bepaling van het spelelement der cultuur. Pandora Pocket, 1997 [1938], naar de uitgave zoals die bij H.D. Tjeenk Willink & Zoon N.V. in 1951 is verschenen. 288 pagina’s.