Tagarchief: fietsen

De weg verhard – Tiny House Farm

Er is heel veel te regelen voor een nieuwe kavelwegvereniging als de onze. We hebben het gezamenlijk gebouw De Vuurplaats dat we nog inrichten, maar waar we ook na moeten denken hoe we het schoonhouden en wanneer iemand gebruik kan maken van de ruimte. Daarnaast is er buiten ook meer dan genoeg te doen.

nog niet verharde weg

We hebben gezamenlijk groen om te onderhouden. Net als dat we nog wat stukjes grond hebben om iets op te verbouwen. Wat dacht je van het helofytenfilter dat we samen onderhouden. Allemaal dingen om met elkaar afspraken over te maken. En dan is er – last but not least – de weg!

Puinweg

Bij het begin van ons project is er een puinweg met riolering aangelegd door Wonen in Oosterwold. Dat ligt er nu ruim 2 jaar. Een groot deel van de huizen staat. Als je er al wat langer woont – in augustus wonen we hier alweer 2 jaar – ga je merken dat een puinweg nadelen heeft. Kortgezegd: in de herfst in de winter heb je modder; in de zomer (en bij een droog voorjaar) heb je heel veel stof.

Zonsondergang boven de weg die nog niet verhard is.

Vooral mijn fiets moet het ontgelden. Ik heb er al aardig wat bezoekjes bij de fietsenmaker op zitten. De ketting houdt het ongeveer een halfjaar uit. De tandwielen vragen ook veel aandacht. Ik smeer mijn fiets zo min mogelijk. Het laatste halfjaar (sinds het laatste drama bij de fietsenmaker november) loop ik met de fiets in de hand over de puinweg van en naar huis. Het is niet anders, maar het heeft niet zo heel veel zin. Mijn fiets kraakt en zucht onder de puinweg.

Pionnetje om aan te geven waar de put ligt

Stofweg of modderweg

Het huis is stoffig en eigenlijk krijg je de modder er nauwelijks uit. Je kunt er niet tegenop vegen. Zeker met honden in huis die ook niet met schone pootjes terugkeren van de wandelingen. Bijna iedereen in Oosterwold herkent dit verhaal. Ik sprak een halfjaar terug iemand die ook in Oosterwold woont en net asfalt had gekregen. Ze was toen net zo gelukkig als ik nu. Hoe blij je met een weg kunt zijn.

De weg is klaar voor het asfalt

Vandaag heeft KWS de weg echt geasfalteerd. Gisteren en eergisteren waren alle voorbereidingen druk aan de gang. Er is extra puin gestort, de putten zijn opgemetseld en daarnaast is alles goed afgesteld zodat de weg helemaal piccobello erbij ligt. Vandaag is het asfalt erop gegaan. Bijzonder om al die grote apparatuur zo dicht langs je huis te zien rijden. Wat een werk is er verzet. De mannen van KWS waren niet minder trots.

Bijzonder opdrachtgeverschap

Ze doen normaal allemaal grote projecten en een opdrachtgeverschap zoals in Oosterwold is, zijn zij ook niet gewend. Onze vereniging mag heel trots zijn op het bereikte resultaat. De consensus met onze 31 leden; het betalen van de rekening en nog alle kleine en grotere hobbels die je moet nemen bij het maken van een weg. Het is allemaal gelukt!

Het aanbrengen van de asfaltlaag voor ons huis

Natuurlijk heb ik ook wensen. Ik vind het bijvoorbeeld jammer dat we geen belijning hebben. Want de volgende uitdaging is: hoe zorg je dat het autoverkeer zich aan de snelheid houdt. Er zijn hier veel kinderen en het is ontzettend belangrijk dat auto’s hier niet onnodig hard rijden. Een hele uitdaging want auto’s rijden bij voorbaat te hard.

Moordwapens

Het zijn moordwapens. Bij ongevallen wordt vaak gewezen op de kwetsbare weggebruiker, een fietser die niet uitkeek of een voetganger die roekeloos overstak. Terwijl het gevaar toch echt in die auto schuilt. De uitdaging is daarom bij ons: hoe voorkom je dat het een racebaan wordt waar de auto de alleenheerser is. Er liggen al mooie oplossingen voor als de definitieve toplaag erop komt, maar ook voor de tussentijd moeten we alle aandacht voor de veiligheid hebben.

Daar ligt de asfaltlaag op de weg!

Ik weet zeker dat we er met onze vereniging een creatieve en duurzame oplossing voor vinden.

Donker – Tiny House Farm

Er is één ding waar ik weinig rekening mee heb gehouden bij de verhuizing naar Oosterwold: dat je overal een eind van af zit. Je ziet het ‘s morgens al aan de grote hoeveelheid auto’s die hier wegrijdt. Net als dat sommige bewoners met meerdere mensen in het huishouden al een extra auto hebben aangeschaft.

Als ik op mijn werk vertel dat ik op de fiets elke dag naar mijn werk kom, krijg ik verbaasde blikken. Hoe houd je dat vol? En dan ook nog eens op een gewone trapfiets, dus niet elektrisch! En de reacties komen van jongere collega’s die nog eens veel sportiever zijn dan de stijve hark die ik ben.

12 kilometer van Almere

Je zit hier 12 kilometer van het centrum van Almere. De supermarkt die het dichtstbij is, zit op een kilometer of 8 van ons huis. Dat betekent fietsen, als je gewoon met 1 auto wilt blijven rijden. En ik fiets altijd naar mijn werk.

Dat doe ik sinds dat we hier wonen. De paar maanden dat ik bij Univé werkte, fietste ik elke ochtend naar het station in het centrum. Om na 12 kilometer fietsen, de trein naar Zwolle te pakken. Zo was ik bijna 2 uur onderweg van deur tot deur.

Door donker fietsen

Op zich niet zo heel erg. De enige tijd van het jaar dat ik het er heel zwaar mee heb, is in de winter. Als de dagen korter worden en je veel in het donker moet fietsen. Het kost veel energie merk ik. Het donker waarin je fietst, vraagt veel concentratie. En dan is het best pittig om elke dag naar en van je werk te fietsen.

Op die avonden als ik vermoeid van het werk naar huis fiets, vraag ik mij af waarom we hier zijn gaan wonen. Maar tegelijkertijd vind ik niet dat ik eraan moet toegeven door een auto of – erger – een elektrische fiets te kopen. Daarom probeer ik het vol te houden en is het in de winter wat zwaarder.

Tips – en dan niet een elektrische fiets of auto kopen – zijn van harte welkom…

Amstelglorie en Jan Wolkers

Jan Wolkers en Amstelglorie; het is een 2-eenheid. Vlak voor de zomer krijg ik opeens de behoefte om eindelijk de plek van Wolkers’ volkstuintje op te gaan zoeken. Misschien ben ik beïnvloed door het vooruitzicht van Onno Bloms bloemlezing met dagboekfragmenten van Jan Wolkers over zijn volkstuintje op Amstelglorie.

Ik stap ondanks alle drukte voor het huis op de fiets. Ik wil de tuin van Jan Wolkers eindelijk eens in het echt gaan zien. Ik hoop nog een paar sporen van de schrijver te kunnen vinden.

Biografie van Onno Blom

De biografie van Onno Blom net gelezen, rij ik via Oudekerk aan de Amstel naar het Amstelpark. Ik heb er jaren vlakbij gewerkt, maar ben er nooit eerder geweest. Een keer vlak langs de toegangsbrug. Ik loop door naar de Japanse tuin. Gewoon om even naar de Ginkgo’s te kijken en inspiratie voor de nieuwe tuin op te doen.

Daarna nog even langs de VU rijden en vandaar naar het Beatrixpark. Het park grenst aan de RAI. Ik pak het stukje dat evenwijdig loopt aan de snelweg. Vandaar langs de snelweg over de Amstel waar ik op zoek ga naar Amstelglorie. Hier heeft Jan Wolkers van december 1972 tot augustus 1981 een volkstuin gehad, nummer 294.

Voormalig tuintje

Ik rij het complex op. Geörienteerd op de plattegrond bij de ingang, waar precies het voormalige tuintje van Jan Wolkers is. Na hem hebben diverse mensen nog het volkstuintje bewoond. Het tuinhuis is altijd blijven staan. Ik heb ontdekt op internet dat het dit jaar helemaal is opgeknapt en een plaats is geworden voor schrijvers. Zo heeft biograaf Onno Blom een deel van het boek Amstelglorie in het huisje geredigeerd. Het boek bevat alle dagboekfragmenten van Jan Wolkers over de volkstuin die hij van 1972 tot 1981 heeft.

Ik fiets in de richting van het Eiland, helemaal achterin, vlak tegen de snelweg aan. Sterker nog: snelwegen. Het knooppunt Amstel waarbij de A2 begint de rondweg A10 kruist. De A2 gaat hier over in de Nieuwe Utrechtseweg. Daar op de dijk, loopt ook de metro. En verderop zoeft het treinverkeer over de ring Amsterdam. Allemaal verkeer.

Ik rij over het bruggetje, geïmponeerd door de hoge bomen. Veel berken, maar ook alle andere variëteiten. Dan rij ik over het smalle paadje. Hier heeft de schrijver vaak overheen gelopen, weet ik uit de dagboeken. Ik heb ze nog niet allemaal gelezen, maar ik weet hoe verknocht Jan Wolkers was aan zijn volkstuintje.

Opgeknapte tuinhuisje

Vanaf het pad tuur ik in de richting van het opgeknapte tuinhuisje. Op het dak liggen zonnepanelen en daarnaast oogt de tuin best wel kaal. Niet de dichtgegroeide bossage die Jan Wolkers er in de jaren 1970 van maakte. Ik kan de mispel waar Jan Wolkers zo vaak over schrijft, niet zo snel ontdekken.

Ik ga dan iets verderop op een bankje gaan zitten, eet mijn boterham met jam op. Wat een smaak. De warme junidag is genieten. Het voelt heerlijk hier op het bankje. Temidden van de volkstuinen. Hier wordt met liefde voor de natuur de rust opgezocht. De hoge bomen die verspreid over het complex staan, met de uilenkasten en andere nestkasten voor vogels; voor mij laat het zien dat hier goed gezorgd wordt voor de natuur.

Dagboekfragmenten over Amstelglorie

Jan Wolkers heeft in de jaren 1970 een aantal jaren een volkstuin gehad op Amstelglorie. Ik ben helemaal blij dat het boek is uitgekomen met alle fragmenten uit zijn dagboeken over zijn tuin op Amstelglorie. Het is een opeenschakeling van een genietende Jan Wolkers die helemaal opgaat in de natuur en vooral in het begrijpen en ingrijpen van deze natuur.

Jan Wolkers gaat helemaal op in al het groen en streeft de verwilderde tuin na. Hij heeft niet echt een plan met zijn landje. De 300 vierkante meter krijgen een inrichting waarbij menig tuinierder de angst om het hart slaat. Wat plant hij veel grote groeiers op die paar vierkante meter die hij heeft. Naast de bomen die er al groeien, zoals de mispel, zilverpopulier en de walnotenboom, plant hij er verschillende fruitbomen (appel, peer en pruim), maar ook harde groeiers als de nu zo beduchte berenklauw, Japanse duizendknoop en bamboe.

Succesromans geschreven op Amstelglorie

Op Amstelglorie creëert Jan Wolkers zijn eigen paradijsje. Wat een prachtige beschrijvingen geeft hij van het groen en de vogels. Hier in die natuur werkt Jan Wolkers ook aan zijn romans. een belangrijk deel van zijn succesromans zijn hier geschreven. Zo schrijft hij hier De walgvogel, De kus, De doodshoofdvlinder en De perzik van onsterfelijkheid. De laatste roman speelt zelfs gedeeltelijk in een volkstuintje.

Jan Wolkers zegt dat hij zich laat leiden door de tuin zelf. Hij zet de natuur daarmee naar zijn hand door vooral goed te kijken en de struiken en bomen te geleiden. Zo is hij door de jaren heen steeds in de weer met het verplaatsen van bomen en struiken naar betere plekken als hij merkt dat ze niet goed gedijen op de plek die hij voor ogen had.

Hij schroomt niet om planten uit de vrije natuur over te planten. Zo sleept hij wat planten uit het nabijgelegen Amstelpark of het Beatrixpark naar zijn landje. Of vogelkers die hij van Texel meeneemt. Stekjes haalt Jan Wolkers dus overal vandaan. Het geeft zijn tuin de charme waarin het groen overheerst. Het lijkt of het een wilde tuin is, maar ondertussen weet Jan Wolkers die onstuimigheid in heel gecontroleerde banen te leiden. En als het echt uit de hand loopt, haalt hij de plant weg.

Jaargetijden

Het boek dat Onno Blom heeft samengesteld, is vervuld van de natuur en volgt getrouw de jaargetijden. Elke jaargetijde heeft zijn charme. Niet alles draait om de zomer. Nee, de winter is voor Jan Wolkers net zo mooi. Of misschie wel zelfs mooier. Neem zo’n beschrijving midden in de winter; op 1 januari 1976 schrijft Jan Wolkers in zijn dagboek:

De tuin ziet er wild en romantisch uit, met al die dorre bruine, okergele en zwarte staken van de zonnebloemen, kaardebollen, maïs en artisjokken, waaruit het zilveren pluis puilt. Aan het pad bloeit de winterkrokus Laevigatus Fontenayi. Verderop de gele frutseltjes van de hamamelis. De grond is prachtig van structuur met de goed rottende en door de merels steeds omgewerkte half rottende bladeren. De Boeddha is vochtig en groengrijs van zich op de vulkanische steen ontwikkelende mossen. De meeste mispels zijn weggegeten. (235)

Een passage die regelrecht uit een roman van Jan Wolkers zou kunnen komen. De rotting en dorheid van de winter, verwijst niet zozeer naar het bederf, maar veel meer naar het nieuwe leven dat er straks in het voorjaar uit zal komen. Er zijn zelfs al een paar voorbodes, zoals de winterkrokus die al in bloei staat. Terwijl de laatste vruchten van de mispel vallen of weggevreten nog in de boom hangen, wacht het voorjaar om toe te slaan.

Uit deze dode boel komt dadelijk het leven. Of zoals Wolkers het vaak aanhaalt, januari is de mooiste maand van het jaar. Veroorzaakt door het bijzondere licht, waarbij de hemel alle kleuren aanneemt van het diepste blauw tot het lichtste geel. Tegelijk ziet Jan Wolkers overal het leven in de donkere en grauwe kleuren van de winter. Het groen is er niet, maar het zal elk moment helemaal loskomen.

De vogels en Jan Wolkers

Jan Wolkers gaat helemaal op in de natuur van zijn tuin. Een bijzonder leidmotief zijn de vogels. De schrijver treedt geregeld op als beschermheer over de gevleugelde dieren. Zo redt hij een kauwtje, al denkt hij in eerste instantie dat het een ekster is door de witte vlekken op de veren. Ook is hij druk in de weer met de grote lijster, die geregeld opduikt en die voor Jan Wolkers de bijnaam dikkie krijgt.

De grootste bedreiging vormen de katten in de buurt. Het noopt Jan Wolkers een keer om een nestje van passant Mao te laten verdrinken. De zwerfkat is aanvankelijk heel schuw, maar Jan Wolkers weet het vertrouwen van de kat te winnen. Hierdoor bezoekt de kat regelmatig het tuinhuisje en krijgt dan wat te eten. Als Jan Wolkers ontdekt dat Mao een nestje met jonge katjes heeft, voelt hij zich gedwongen de dieren te laten verdrinken. Het zou een ramp zijn voor de vogels al die halfwilde katten op het eiland. Een heel aangrijpende passage in het dagboek.

Snel gris ik de jongen tussen de laarzen en oude schoenen vandaan met een hand, bekijk ze even en stop dan mijn hand met die wriemelende beestjes de emmer in. Probeer ze zo zacht mogelijk vast te houden, maar de kleine wurmen blijken over een enorme kracht te beschikken. Het zweet breekt me uit. Ik kijk in de emmer en zie de kleine kopjes met de tongetjes uit hun bekjes happen naar lucht. Soms ontsnapt er een luchtbel. Het is afschuwelijk maar je kan niet meer terug. (182/183)

De dag na de ingreep is hij doodmoe. Komt door het doden van de kittens, zegt zijn vriendin Karina. Als Jan Wolkers Mao ziet zoeken naar haar jongen, treft de schrijver een enorm schuldgevoel. Hij merkt dat het dier zich opengehaald heeft in de zoektocht. De hele verdere periode dat jaar, wordt hij getroffen door schuldgevoel omdat hij het jonge leven heeft verwoest. Maar het moet om zijn andere vrienden te behouden: de vogels.

Kauwtje gered

Dat het andersom ook misgaat bewijst als Jan Wolkers in 1976 een jong kauwtje redt. De buurvrouw vindt het beestje en schakelt de hulp van vogelredder Jan Wolkers. Hij neemt het diertje mee het tuinhuisje in en ontfermt zich wekenlang over de jonge zwarte vogel. Hij krijgt de naam Edgar, naar de dichter van het beroemde gedicht The Raven, Edgar Allan Poe.

De dreiging van de aanwezige katten in de buurt hangt voortdurend in de lucht. Edgar krijgt de meer liefkozende naam Kras en Jan weet regelmatig de katten bij hem weg te houden. De vogel wordt steeds zelfstandiger en vliegt al helemaal alleen buiten. Dat betekent ook een groot gevaar. Al die halfwilde katten die er rondzwerven.

Als Jan eind augustus op de tuin komt, hoort en ziet hij Kras nergens. Hij kijkt bij de katten van de buren. Op het dak van het schuurtje. Wel katten, maar gelukkig geen veren. Hij kijkt verder. Je voelt hem aankomen. Hier gaat iets helemaal mis.

Als ik nog zo’n poosje onder de mispel sta, zie ik aan de slootkant van de buurvrouw tussen het eendenkroos iets drijven dat me een schok geeft. Dat is geen donker wakje in het kroos zoals ik nog hoop, maar donkere veren boven het water uit. Ik loop erheen. Daar drijft Krasje. Ik vis hem uit het water op. (297)

Zo’n pijnlijke scene. Pagina’s lang heb je kunnen meelezen in het groter worden van het kauwtje. Voortdurend hangt daar de dreiging van de dood. De passage waarin Jan Wolkers het dode dier bekijkt, voel je de pijn helemaal mee. Hoe het jonge leven bruut verstoord is. De manier waarop Jan Wolkers hier de dood beschrijft, grijpt je bij de kladden. De dood, zo’n allesomvattend thema in het werk van Wolkers. Het krijgt zelfs hier op de tuin zijn eigen plaats.

Dat gebeurt ook veel later als hij zijn vijgenboom plant op de as van zijn overleden kat Voske. De bomen halen de winter niet. Heel voorzichtig haalt hij de dode vijg weg en plant er de tulpenboom die hij krijgt van de botanicus uit Leiden. Een waardige grafboom voor Voske. De boom zal 2 jaar later meegaan naar zijn nieuwe huis op Texel. Samen met het grootste deel van de inventaris van de tuin. Slechts de mispel, de walnotenboom en de zilverpopulier laat hij achter. De tuin zelf lijkt zelf het meeste op een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog.

Slagveld

Het is het leeghalen van de tuin waarmee hij ook in discussie komt met het bestuur van de volkstuinen Amstelglorie. De reden hiervan is de angst dat de tuin hetzelfde lot beschoren is als veel tuinen die zijn overgedaan in de omgeving. De buurvrouw heeft haar hele tuin is om zeep geholpen. Het is een slagveld:

Eerst die mooie rij elzen omgehakt waardoor het lievevrouwebedstro verdwenen is omdat ze de stronken eruit moest laten graven. Nu is het net Verdun 1918. Een treurige loopgraaf. (337)

Dat zijn tuin eenzelfde lot beschoren is, als hij de tuin in 1981 verlaat, bezorgt hem nachtmerries. Hij heeft het huis Pomona op Texel net gekocht, maar kan er bijna niet van slapen wat er met zijn tuin zal gebeuren:

Word iedere ochtend vroeg verkleumd wakker en denk dan meteen aan de tuin. Aan al die planten die we met zoveel liefde daar onder hebben gebracht. Ik moet er dus van gedroomd hebben. De angst hoe we alles voor de schoffel en schop van de mensen die na ons komen kunnen behoeden. (422)

Verdun

In zijn inleiding ‘De kleine Hortus’ bij de dagboekfragmenten over Amstelglorie, schrijft biograaf Onno Blom dat Jan Wolkers zelf de schop en schoffel hanteert als hij zijn volkstuin verlaat. Hij laat een modderpoel achter waar de nijlpaarden zich zouden thuisvoelen. Onno Blom citeert hier bijna eenzelfde vergelijking met het slagveld van Verdun als Wolkers eerder aanhaalt over zijn buurvrouw.

Een huiveringwekkend stukje Verdun, alsof er op die troosteloze kale driehonderd vierkante meter in loopgraven en schuttersputjes verbeten tot de laatste man gevochten was. (24)

Dat is in het voorjaar van 1981. Pas na herhaaldelijk aandringen van het bestuur van de volkstuinvereniging, zegt Jan Wolkers pas op 1 augustus 1981 zijn volkstuintje op. Het is dan de hele zomer leeg gebleven. De schuur staat nog vol rommel en alles ziet er wel slecht uit met veel uitgegraven kuilen en modderpoelen.

Het is het paradijs dat Jan Wolkers verplaatst heeft naar zijn nieuwe woning op Texel. De tulpenboom zal daar uitgroeien tot een grote, imposante boon. Hij maakt er bijna 30 jaar later een prachtige aflevering van in zijn kindertelevisieprogramma over zijn achtertuin.

De liefde voor de natuur is niet minder geworden op Texel. Hier heeft hij de tuin meteen bij zijn huis. Een stap naar buiten en hij wordt omringd door een veelvoud van het grondoppervlak dat hij op Amstelglorie had. Toch is de liefde waarmee hij in zijn dagboek over zijn volkstuin schrijft, niet minder sterk dan de liefde waarmee hij later het kinderprogramma maakt.

Jan Wolkers is nooit meer naar Amstelglorie geweest na zijn vertrek. Hij hoeft niet te weten wat andere bewoners van zijn volkstuin hebben gemaakt. Of het dezelfde wildernis is als hij gemaakt had of dat het een keurig kortgeschoren grasveld is, waarop de tuinmeubels staan en de barbecue met speklappen smeult.

Geweldig verzorgde uitgave

De uitgave van de dagboekfragmenten die Onno Blom heeft verzorgd, is geweldig. Zeker ook met de foto’s waarmee de fragmenten 3 keer worden onderbroken. Ze geven een prachtig beeld van het paradijsje dat Jan Wolkers samen met zijn Karina langs de ring van Amsterdam heeft geschapen.

Wat mij betreft hadden het wel meer foto’s mogen zijn bij de vele verhalen. Jan Wolkers schrijft regelmatig dat ze foto’s hebben gemaakt van de planten en de slakken die ze vinden. De vergelijkingen van het huisje, vind ik heel mooi. Zeker ook omdat ik lang moet kijken wat er met de onderste foto toch mis is. Er klopt namelijk iets niet. Na aandachtig vergelijken met de foto erboven, zie ik het. Aan de hand van het beeld van Venus, valt het op. De foto onderin staat in spiegelbeeld!

Kale tuin

De kale tuin die ik aantref op mijn fietsrit in juni door Amstelglorie, stelt me wel een beetje teleur. Het is heel lekker weer, maar de schrijver die zich in het huisje heeft teruggetrokken, houdt de deur goed dicht. Er is jammergenoeg erg weinig struikgewas om achter te verschuilen. Ik zie de schrijver languit op de bank hangen met een laptop op schoot. Geen deuren open. Niet opgaande in de omgeving.

Ik ben snel verder gefietst. Terug over het bruggetje. Kijkend over de vele slootjes en andere plekjes vol groen. Wat een klein paradijsje aan de rand van de stad, tegen de ring aan. Wat een wonder dat dit helemaal gespaard is gebleven. Ik hoop dat veel schrijvers inspiratie mogen vinden op deze plek. Al hoop ik ook dat de tuin veel meer mag veranderen in een rijke, groene tuin waarin de planten beheerst mogen overheersen.

Jan Wolkers: Amstelglorie, De volkstuin van Jan Wolkers. Geoogst door Onno Blom. Amsterdam: De bezige bij, 2018. ISBN: 978 94 031 1780 5. Paperback. 208 pagina’s. Prijs: € 30,99.
Bestel

Zwevende teckel – Sientje (29)

Wat een ontdekking was het fietsmandje. Het lag bij de dierenwinkel en ik was meteen verkocht. Zo’n rieten fietsmandje met een stevig metalen onderstel waarop de bodem was bevestigd. Je klikte het zo vast en de hond kon je ook goed vastketenen met kettingen.

Speciaal tuigje

Een speciaal tuigje zorgde ervoor dat je hond nog beter verankerd was aan de fiets. Het was een minder fors tuigje dan het ding dat in de auto om haar grote borst ging. We vonden het wel een mooi idee dat fietsmandje. Ze zou dan bij mij achterop de fiets kunnen en dan konden we haar ook meenemen als we een rondje gingen fietsen.

Zeker ook nadat Inge een prachtige fiets won bij een loterij van de supermarkt aan het Van Dronkelaarplein. Hij kreeg een mooi stel fietstassen mee en op mijn fiets mocht dan het mandje achterop. Het was nog een heel gehannes met kettingen en tuigjes om haar er goed in te krijgen. Ze wist er steeds uit te wippen. Maar we maakten een heel handige constructie door de gaten in het mandje. Zo zat ze stevig vast.

Sinaasappelkistje

In mijn jeugd namen we onze hond altijd mee achterop in een sinaasappelkistje. Mijn vader had na lang sleutelen het ding op de bagagedrager geklemd gekregen. De reden: een lange rit naar het bos naast de fiets hollen waarbij zijn pootjes helemaal kapotgelopen waren. Om de hond toch het rondje door het bos te gunnen, werkte mijn vader urenlang in de schuur om het oude kistje vast te zetten. Als we dan naar het bos reden, mocht Blekkie achterop in het kistje. De hond hing dan gevaarlijk voorover om langs de rug van de fietser te kunnen kijken. Ik kreeg het mandje ook wel eens achterop en dan helde de fiets helemaal met de hond mee.

Iets soortgelijks gebeurde bij ons met Sientje in het mandje ook. Bij het fietsen hing ze ook gevaarlijk naar voren. Als Inge achter mij reed, hing ze nog veel gevaarlijker op de fiets. Op de fietsrit van Almelo naar Delden merkten we dat het best gevaarlijk was. Daarom haalde Inge mij niet in en bleef ze of achter mij rijden, zodat ik Sientje een beetje in bedwang kon houden. Zo fietsten we op een heerlijke zomerdag in de richting van de Noordmolen bij Delden. We liepen daar een heerlijk rondje door het bos en fietsten huiswaarts.

Inhalen

In de buurt van Bornerbroek kwamen we weer op de drukke weg. Inge haalde mij nietsvermoedend in en fietste de rotonde op. Ik voelde dat Sientje druk bewoog. Er gebeurde van alles achterin het fietsmandje waar ik geen invloed op had. Ik voelde de fiets hellen en kon het niet corrigeren. Ik keek achterom en zag hoe Sientje gevaarlijk boven de weg hing in het tuigje. Ik stopte en gilde naar Inge, die mij zo zag tobben met een in de lucht bengelende hond. Ze zweefde gevaarlijk naast het fietswiel boven de weg. Gelukkig stopte ik snel en hees haar weer terug in het mandje. ‘Je moet ook niet vooraan rijden, dan gaat het fout’, zei ik boos. ‘Sorry’, zei Inge. ‘Ik had het even niet in de gaten.’

Precies bij de rotonde was een uitspanning met een groot terras. Het was een heerlijke zomerse dag net als vandaag. Ook op die zondagmiddag zat het zonovergoten terras boordevol met mensen. Ze lachten luid om het voorval dat ze daar hadden zien gebeuren. Het was een komisch tafereel geweest van een man die een hond naast zich had bengelen aan zijn fiets en een vrouw die een kleine honderd meter vooruit reed zonder iets in de gaten te hebben.

Zwevende teckel

Ik haalde alleen opgelucht adem voor de goede afloop, want de auto’s reden af en aan vlak langs mij. Ik had er niet aan moeten denken dat Sientje op de weg terechtgekomen was of met haar lijf tussen de spaken van mijn achterwiel.

Nadien was het fietsen altijd wat minder aangenaam. Ik hield haar altijd met een hand naar achteren vast. De ketting werd nog steviger omgebonden, maar we moesten het goed in de gaten houden. De ontsnappingskunstenaar wilde gewoon graag langs mij heen kunnen kijken. Ook fietsten we voornamelijk naast elkaar en als het verkeer dat vroeg, reed ik voor. Dan hield ik Sientje extra goed vast. Inge hield haar daarbij nauwlettend in de gaten. Zo probeerden we te voorkomen dat we in een situatie zouden terechtkomen als in Bornerbroek.

Sorry voor de mensen aan het terras, maar het was een te gevaarlijk lolletje om nog een keer te herhalen.

Lees het vervolg: Een echte teckel »

Lees elke week een nieuwe blog met een nieuwe herinnering aan Sientje.

Elke zondag een nieuw verhaal van Sientje in je mailbox?

Abonneer je op de wekelijkse nieuwsbrief

Slechts 1 vijand hoeven bezweren…

De concerten zijn geweldig. Extra mooi om helemaal op eigen kracht hier naartoe te zijn gekomen. Ik besef wat voor een gigantisch voorrecht mensen hebben die hier in de buurt wonen. Je hebt hier elke zaterdag meerdere prachtige orgelconcerten in de zomermaanden.

De terugweg zou de ergste regen moeten komen, heeft mijn buienrader vanmorgen nog voorspeld. Daarom snel weer uit Utrecht. Dit keer pak ik een stuk van de Vecht om daarna via Nigtevecht en onder Weesp langs naar huis te rijden.

Ook nu veel wolken, maar ze spelevaren vooral langs de zon. Dat ik worstel met wel of niet de jas aan, is meer een luxeprobleem. Ik geniet van de prachtige huizen langs de route. Ik kom zelfs het oude kraampje langs de weg tegen met fruit. Alleen nog appels. Jammer, maar ik neem ze wel mee. Ik kan goed een appeltje voor de dorst gebruiken.

Alle toehoorders aan het strand van Almere voor het festival Zand lijken het ook droog te houden. Boven het verkeersgeraas hoor ik de dreun van het festival. Ik rij maar om, omdat ik op de heenweg teveel last had van de festivalbezoekers. Ik kon er amper langs.

Zo kom ik kurkdroog thuis. Wel een flinke bries de hele weg. De heenweg vooral bij Maartensdijk en Groenekan. Terug veel wind bij Vreeland en Nederhorst den Berg. Maar daar het schitterende fietspad tussen de plassen en door het veengebied. Dat maakt alles weer goed.

Dus eigenlijk heb ik vandaag slechts 1 vijand hoeven te bezweren, de wind. De andere hield zich op een heerlijke afstand.

Lees morgen de bespreking van het concert van Toon Hagen: Wind van binnen

2 fietsvijanden bezworen

Bij het fietsen in Nederland zijn er 2 grote vijanden: wind en regen. Deze vakantie is vooral opgegaan aan opruimen, maar eigenlijk heb ik mijn hele vakantie voorgenomen deze zaterdag naar Utrecht te gaan. Op de fiets, als compensatie omdat ik geen fietsvakantie heb gehad.

Het idee een echt orgeldagje. Eerst om 13 uur het concert in de Nicolaikerk van Toon Hagen en daarna naar de Domkerk voor een concert van Geerten Liefting. Het leukste zou het zijn om op de fiets te gaan.

Daarom volg ik al de hele week wat de voorspellingen zijn. Niet zo gunstig. Die hele fietsrit dreigt zo in het water te vallen. Niet gelijk in paniek raken, is mijn ervaring. Het valt soms zo erg mee dat er uiteindelijk niks valt.

Hoe dichter de dag nadert, hoe meer het ernaar uitziet dat er veel regen zal vallen. Met donderdag in het achterhoofd, kan dit niet goed gaan. Daarom besluit ik de avond voor vertrek maar niet op de fiets te gaan. Bovendien zal het ook nog flink koud worden.

Maar als ik dan ‘s ochtends met de honden loop, bedenk ik mij dat het doodzonde is om niet op de fiets te gaan. Wat een heerlijk weer is het. Nu moet ik wel opschieten. Ik moet uiterlijk 10 uur vertrekken. Snel boterhammen smeren, waterflessen mee en gaan met die banaan.

Zo rij ik om 10 uur weg. Donkere wolken boven Almere Poort waar ook een heel klein spatje uit valt. Ik zie een paar druppels op mijn shirtje. Dat is alles. De wolken zijn vandaag vooral mooi om naar te kijken. Net als de vele wolkenformaties die ik onderweg tegenkom. Teveel om allemaal op de foto te zetten.

Overal veel zon, heel soms een wolk voor de zon. Maar het is meer een spel tussen de zon en het dikke wolkendek. Ik geniet van de route die ik neem, over de Bussumerheide. Sommige paden heb ik niet eerder gereden. Zoals het bruggetje over de A27 in de richting van Maartensdijk en zo via Groenekan naar Utrecht.

Lees het vervolg: Slechts 1 vijand hoeven bezweren…