Tagarchief: ferdinand huyck

Gooi versus Vechtstreek

image

Als de titelheld en ik-verteller van de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck bij de Bussumerhei staat, doet hij een interessante bevinding. Het lijkt erop dat hij de Tafelberg (36,4 meter) beklommen heeft.

Tegenwoordig ligt deze heuvel ingeklemd tussen snelwegen en provinciale wegen, maar dat vroeger een prachtig uitzicht bood tot aan Amersfoort, de Zuiderzee en bij mooi weer zelfs tot Utrecht.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men vandaar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijke geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen: – over Blaricum, de beide Eemnessen, Zoest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blaauwe zee, de Stichtse bergen, en de graauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: – en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen. (66)

Hij staat daar midden in het straatarme Gooi. De boeren weten met moeite te overleven op de kale zandgronden. Van de rijkdom die hier meer dan 250 jaar later is, is nog helemaal niets te vinden.

Daar op die Tafelberg beseft de ik-verteller Ferdinand Huyck dat de rijkdom niet ver van hem afligt. Het buiten van zijn tante ligt hier op 1,5 uur lopen vandaan. Daar ligt de oase ‘waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt’.

Het contrast kan niet groter zijn en Jacob van Lennep speelt met dit gegeven. Waar de Amsterdamse kooplieden hun royale buitenhuizen langs de Vecht hebben laten verrijzen. Op slechts 1,5 uur gaans van de plek vol ontberingen waar Ferdinand Huyck nu loopt.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Thriller of klucht?

image

De roman Ferdinand Huyck leest als een negentiende-eeuwse thriller met een hoog kluchtgehalte. De uitkomst is even verrassend als voorspelbaar. Daar ligt ook mijn grootste bezwaar van de roman van Jacob van Lennep. De ontknoping is een lang uitgestelde gebeurtenis, waar het eigenlijke verhaal traag doorheen meandert. Daarbij leest de meeste humor die de verteller bezigt als flauw en doorzichtig.

Neem het boottochtje dat Ferdinand met een flink gezelschap maakt, waaronder Lodewijk en Henriëtte Blaek. Het levert hilarische momenten op waarbij het schip in storm terechtkomt.

“‘t Is gedaan!” riep een stem uit ons midden.
Susanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen. Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotseling viel het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wioj hoorden het zeenat als grommende van rondsom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer. (286-7)

Op spektaculaire wijze is de boot over de dijk heengeslagen en op de helling aan de droge kant beland.

Buitengewoon grappig, maar niet zo diepzinnig als het veel minder spektaculaire boottochtje dat de Familie Stastok maakt in Hildebrandts Camera Obscura. Veel simpeler en minder spektaculair, maar door de beschreven situaties is het verhaal van Hildebrand (Nicolaas Beets) veel hilarischer en memorabeler dan de boottocht die Jacob van Lennep in Ferdinand Huyck beschrijft.

Maar dat drukt de pret niet aan boord van het schip van Lodewijk Blaek. De Duitser Weinstübe is onvindbaar:

“Ach lieber Gott! zum hülfe! Ich pin todt.”
“‘t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,” zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan de kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. (290-1)

Het boottochtje over de Zuiderzee steekt flauw af tegenover de grote ontsnapping aan het einde van de roman. Het tafereel verschuift naar Terschelling. Jacob van Lennep haalt alles uit de kast om de ontknoping tot een grootse gebeurtenis te laten worden. Hierbij benut hij de nodige kwinkslagen en weet alle personages in een magistraal slotakkoord te gieten.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Belachelijke dichter

image

De ik-verteller, hoofdpersoon en romantitelheld van Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck heeft het niet zo op de achttiende-eeuwse dichters. Als hij kennismaakt met de dichter Lucas Helding in het huis van Blaek, in de buurt van Eemnes, is hij niet echt enthousiast over de versjes die hij daar overal aantreft:

“Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,” zeide ik: “hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.” (48)

De naam hangt buiten, attendeert Henriëtte Blaek hem. De bezoeker leest daar dat het gebouw waarin ze zitten een koepel is en niet een kippenhok. Ook Henriëtte Blaek ziet niet veel in de dichtkunst van Helding:

“Het is anders een goede man, die Lucas Helding; ,aar het nageslacht zel er weinig aan missen, al zet hij nooit weêr een pen op het papier.” (48)

Niet veel later komt Helding binnen. Hij is een huisvriend van de Blaeken, maar de ontmoeting verandert Ferdinand Huyck niet van mening over de schrijfsels van Lucas Helding. Zelfs de jubelzang die hij krijgt toegestuurd, brengt daar geen verandering in. Het gedicht levert vooral leedvermaak op in Huize Huyck.

Ook Helding is slachtoffer van de roversbende. Hij komt steeds terug in het verhaal. Hierbij schuwt de verteller niet om de dichter voor gek te zetten. De passage waarin hij de dronken dichter meesleurt door de straten van Amsterdam is tekenend. Ferdinand Huyck weet samen met Reynhove de dichter naar zijn woning te brengen.

Tot in het nawoord van Marie Stauffacher komt Lucas Helding aan bod. Ze schrijft het volgende:

De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. (497)

Tot het einde toe weet Jacob van Lennep de dichtkunst van een eeuw voor hem, voor gek te zetten. Erg enthousiast is hij er niet over. Gelukkig doet hij dit op een grappige en humoristische manier. Soms iets te overdadig, maar dat hoort bij hem en de tijd die hij beschrijft.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Mijn exemplaren van Ferdinand Huyck

image

Ik heb 2 exemplaren van Ferdinand Huyck in mijn boekenkast. Ze komen allebei uit de serie van Romantische werken die uitgeverij Sijthoff uit Leiden vaak herdrukte. De beide boeken zijn gebonden in een rode kaft, maar zijn van verschillend zetsel. Hierdoor telt het ene boek 436 pagina’s en het andere 498.

Het werk van Jacob van Lennep was tot ver in de 20e eeuws heel populair. De boeken zijn eindeloos herdrukt. Het boek Ferdinand Huyck behoort tot de populairdere romans van Van Lennep. Net als De roos van Dekama. Misschien dat het onderwerp best aansprak. Daarnaast zijn de boeken van Jacob van Lennep geschreven in een toegankelijke stijl.

image

Ik heb een exemplaar dat heeft toebehoord aan P.J. Biesmeijer. Hij schafte het exemplaar in maart 1890 aan. Of het boek echt stukgelezen is, weet ik niet. Het boek heeft wel veel geleden. Het band valt van de inhoud af en neemt daarbij de eerste en laatste pagina’s mee.

Misschien komt de schade ook door het dikke bundeltje papier dat aan het exemplaar is toegevoegd. Dat is gemaakt door een J. van der Spek in januari 1888 en is daarmee ouder dan dat P.J. Biesmeijer het boek aanschafte.

image

In een prachtige handschrift heeft J. van der Spek alle vreemde uitdrukkingen en woorden die in het boek voorkomen opgezocht en vertaald. Hij gaat hierin heel ver. Zo zoekt deze lezer naar de verklaring van woorden als ‘bagatelletje’, ‘croquettes’ en ‘intoleroble’. Daarnaast komen de vele mythologische figuren in de roman langs als Bacchus, Atlas en Hercules. Ook besteedt deze 19e eeuwse lezer aandacht aan de Franse zegswijzen die vooral de zus van Ferdinand Santje.

Daarmee geven deze notities een leuk inkijkje in de leeswijze van een 19e eeuwse lezer. Het maakt het uit elkaar vallende exemplaar van deze historische roman de moeite van het bezitten waard. Daarom kan ik het ook niet over mijn hart verkrijgen om juist dit boek van een nieuw omslag te voorzien.

image

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Ferdinand Huyck

image

Het vakantieboek voor deze zomer zou Ferdinand Huyck worden van Jacob van Lennep. De Amsterdamse schrijver en politicus schreef deze historische roman in 1840. Het verhaal speelt zich 100 jaar eerder af. Het boek trok mijn aandacht omdat het zich in het Gooi afspeelt.

In de 18e eeuw was het gebied tussen Amersfoort en Naarden beducht vanwege de bendes die zich in de bossen en op de heides schuilhielden. Als je er niets te zoeken had, ging je er ook niet heen. Jacob van Lennep speelt met dit gegeven op een rake wijze in zijn historische roman.

Nederland staat in deze periode op de overgang naar de moderne tijd. De ijzeren eeuw moet nog beginnen. Een jaar voordat de roman uitkomt, is de eerste ijzeren spoorweg van Nederland geopend. De industrialisatie staat nog in de kinderschoenen. Een groot deel van Nederland is nog in de staat waarin het de eeuwen daarvoor al was. Het zo vernuftige systeem van de trekschuit in vooral het Hollandse gewest was aan zijn eindje. Meer dan 200 jaar was de trekschuit hèt vervoermiddel geweest om tussen de Hollandse steden te reizen.

Of Van Lennep daarom de periode van een eeuw eerder koos, is onduidelijk. Het is namelijk niet de meest charmante periode die hij kiest voor zijn historische roman. In de 18e eeuw is Nederland behoorlijk ingeslapen en weinig spannend. De keuze van Jacob van Lennep om zijn roman juist in deze tijd te situeren is dan ook zeer opmerkelijk.

Misschien dat hij zijn wandeling in de zomer van 1823 met zijn medestudent Dirk van Hoogendorp daaraan heeft bijgedragen. De scène aan het begin van de roman Ferdinand Huyck kan zo zijn weggelopen uit de dagboekaantekeningen die Jacob van Lennep 17 jaar eerder maakte.

Ook sluit de belevingswereld van Ferdinand Huyck die zich bijna moeiteloos tussen de hogere kringen van het 18e eeuwse Amsterdam begeeft, goed aan op de wereld waarin Jacob van Lennep verpoos. Ook vader Van Lennep, hoogleraar klassieke talen in Amsterdam, bezat een buiten, het buiten Manpad bij Heemstede. Daar verbleef de jonge Van Lennep regelmatig en zal hij ongetwijfeld hebben meegedaan aan het jagen en trekken door de vrije natuur. Jacob van Lennep is zijn hele leven een fervente wandelaar geweest.

Dat wandelen en trekken zie je terug in Ferdinand Huyck. Al wordt de historische roman gedreven door de fantastische opening. De jongeling Ferdinand Huyck is op de terugweg van zijn grand tour door Italië. Als hij in Amersfoort aankomt, is het geld op en moet hij op 1 of andere manier in Amsterdam zien te komen. De zoon van de Amsterdamse hoofdschout besluit om dit lopend te gaan doen. In Naarden wil hij de trekschuit naar de hoofdstad nemen.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.