Tagarchief: essay

In het spoor van Don Quichotte

Ben ik zo’n liefhebber van Paul Theroux, wereldreiziger, hebben we in Nederland onze eigen globetrotter. Het is de Floortje Dessing van de literatuur: Cees Nooteboom. Een reisschrijver van formaat, dat bewijst zijn laatste boek wel. In het spoor van Don Quichotte is een prachtige bloemlezing met mooie reisverhalen.

Het titelverhaal vertelt over de zoektocht naar de sporen van Don Quichotte. Cees Nooteboom vindt meer sporen van het boek dan van de schrijver Cervantes. De molens zijn echt reuzen geweest in de verbeelding van de schrijver, stelt hij. Het geeft een mooie kijk op literatuur.

Cees Nooteboom reist schrijvers en hun verhalen achterna. Hij heeft de drang om alles vast te leggen! Het notitieboekje is daarbij een onmisbaar instrument. Hij verzucht in het essay ‘Gantheaume Point. Notities als labyrinth’ hoe hij voor de ontmanteling de bibliotheek van Borges bezoekt.

Alle boektitels die hij ziet, probeert hij nog vast te leggen in zijn notitieboekje:

[P]agina na pagina vulde ik met de merkwaardigste, stoffigste, nu onachterhaalbaar geworden titels, ik had het gevoel dat ik tegen de tijd schreef; een dag later zouden al die kasten leeg zijn en ik besefte dat ik dan wel de laatste geweest zou zijn die de bibliotheek van Borges gezien had. (56/57)

Nooteboom is zo druk met noteren dat hij vergeet te kijken! De schok is dan ook groot als hij het notitieboekje verliest. Het exterieure geheugen verdwijnt ergens in een overvolle stadsbus van Buenos Aires.

Je proeft als lezer hoe hij nog altijd van deze verdwijning, meer dan 30 jaar geleden, last heeft. Het verdriet om de teloorgang van iets dat hij probeerde vast te leggen wat op haar beurt ook verdwenen is. Zou iemand die dit boekje vindt, begrijpen wat erin staat? Cees Nooteboom beseft maar al te goed dat de krabbels nauwelijks te ontcijferen zijn en helemaal niet te begrijpen.

Cees Nooteboom: In de sporen van Don Quichotte. Amsterdam, Antwerpen: De Bezige Bij, 2016. ISBN: 978 90 234 4832 7. Prijs: € 15,00. 128 pagina’s.Bestel

Het n-woord

img_20160731_192241.jpgHet verhaal waar Het diepe Zuiden van Paul Theroux vooral over gaat is het verhaal van de zwarte bevolking. Elke benaming die je deze bevolkingsgroep geeft is teveel. In het indrukwekkende essay waarmee Paul Theroux het eerste deel van zijn reisverslag afsluit, is tekenend: ‘Intermezzo: Het taboewoord’. Het sluit naadloos aan bij onze discussie over Zwarte Piet.

Taboewoord

Het draait om het n-woord, het woord ‘neger’ of ‘nigger’. Het betekent niet veel meer dan ‘zwart’ maar is heel zwaar beladen. Een blanke mag het woord niet over zijn lippen laten gaan:

Mijn ouders verafschuwden het woord, ook dat soort conventioneel gebruik ervan. Ze beschouwden het terecht als racistisch en als blijk van benepenheid en onwetendheid van de gebruiker. Ik kan geen enkel ander woord in het Engels bedenken dat zo’n kracht heeft: dat woord uitspreken is zoiets als vuurspuwen. Het woord zelf is historisch gezien een neerbuigend synoniem voor slaaf en impliceert een inferieur, zelfs minder dan menselijk wezen. (153)

Het is vooral de historie die op het woord drukt en die blanke mensen in verlegenheid brengt. Terecht. Het is ook verschrikkelijk wat er in het verleden is gebeurt. De hele slavenhandel. Het misbruiken van mensen om er rijk van te worden. Het letterlijk over lijken gaan om er nog meer winst uit te halen.

Rappers

De enige die het woord ongegeneerd mogen gebruiken, zijn de zwarten zelf. De donkere rappers bedienen zich in hun raps gretig van dit woord waarbij blanken hun maag voelen draaien van schaamte. Het woord geeft deze rappers macht. Macht om als enige te spreken over ‘nigger’ of ‘nigga’. Op het moment dat een blanke dit woord gebruikt, kun je hem beschuldigen van racisme. Op het moment dat een zwarte rapper erover zingt, is hij een held die het taboe durft aan te snijden.

[R]appers hebben op basis van dit woord een exclusief zwart outlaw-priesterschap gecreëerd, terwijl ze wel de goedkeuring van blank publiek willen voor hun muziek. Maar er is niet één blanke in Amerika die de woorden van deze met slang beladen songs in het openbaar zou kunnen herhalen zonder baan en reputatie op het spel te zetten en mogelijkerwijs zelfs het risico te lopen te worden beschuldigd van poging tot racistische ophitserij. (159)

Het brengt de blanken op een achterstand. De kritische opmerking die Paul Theroux er meteen bij maakt is dat het taboe vooral geld oplevert voor de rappers. Toch laat de reis van Paul Theroux zien dat in Het diepe Zuiden racisme nog iets alledaags is. De samenleving is een gescheiden samenleving waarbij blanke en donkere mensen elkaar vermijden en ook een sterke afkeer van elkaar hebben.

Rellen in Dallas

Paul Theroux slaat de spijker op zijn kop. Dat is ook terug te zien in de recente rellen in Dallas, waarbij de rassenstrijd weer volledig lijkt te zijn opgelaaid.

Paul Theroux: Het diepe Zuiden, Vier seizoenen op tweebaanswegen. Met foto’s van Steve McCurry. Oorspronkelijke titel: Deep South. Nederlandse vertaling: Miebeth van Horn. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2016. ISBN: 978 90 450 3051 7. Prijs: € 34,99. 508 pagina’s. Bestel

Poep en de Schoolmeester

image

In Papieren tijgers van Gerrit Komrij komt zijn voorliefde voor poep voorbij. Net als het voornemen een mooie bloemlezing hierover te schrijven. Het boek dat Kakafonie moet gaan heten, verschijnt pas dertig jaar later, maar in zijn bijdrage ‘Met een broek vol stront de wereld rond’ geeft hij een klein voorproefje met De geschiedenis van de plafondschijter.

De meligheid komt vooral op bij boeken uit deze tijd. De ngegentiende eeuw behandelt Komrij met een groot respect en liefde voor die tijd. Zelfs een facsimile-uitgave met gedichten van De schoolmeester bekoort hem. Vooral vanwege de inleiding door Marita Mathijsen en Tom van Deel.

In deze uitgave citeren de editeurs uit de brieven van Gerrit van de Linde. Gerrit Komrij hoopt dat spoedig een uitgave van deze brieven komt. Een bespreking later is dit boek inderdaad verschenen. Ik ken het boek en ben het roerend met Gerrit Komrij eens:

Dat taalgebruik! De preciezen en de preutsen hebben de negentiende eeuw zo geterroriseerd, dat het je elke keer als een verrassing overvalt dat ze ‘t een en ander tóch bleken te hebben uitgevonden. ‘t Is zo weldadig wanneer je een iemand die naar buiten toe zo geslachtsloze eeuw zijn kloten ziet tellen. (207)

Alsof dat nog niet genoeg is, sluit Komrij zijn bundel af met een prachtige bijdrage over negentiende eeuwse dichtende arbeiders. Ze komen voorbij, de arme wegwerker, de dienstmaagd uit Sneek die versjes schrijft en de boerenknecht uit Vorden. De laatste krijgt zelfs een aanbeveling van de domineedichter Bernard ter Haar in zijn bundel. Al is het jammer dat de dominee de naam van de bundel verkeerd schrijft.

Zo levert het lezen van Papieren tijgers veel plezier op. Het is heerlijk om je onder te dompelen in stijl, humor en ironie die Gerrit Komrij zo eigen is. Dat hij zichzelf daarbij niet spaart, is vanzelfsprekend. Daarvoor kent hij zichzelf en zijn lezers maar al te goed.

Gerrit Komrij: Papieren tijgers. Amsterdam: Uitgever De Arbeiderspers, 1978. ISBN: 90 295 2708 0. 234 pagina’s.

Papieren tijgers

image

Heerlijk zijn de essay’s van Gerrit Komrij. In zijn boek Papieren tijgers staan veel bijdragen die de schrijver in de jaren ’70 schreef. Hij schrijft over literatuur, kunst en architectuur. Het accent ligt wel op de literatuur.

Een paar beroemde besprekingen staan erin. Zoals de besprekingen over boeken van Hotz en Mulisch. Vooral de vorm waarin hij de verhalenbundel Dood weermiddel van Hotz bespreekt, is mooi. Komrij krijgt een vriend aan de telefoon maar wil eigenlijk niet gestoord worden, want hij leest zo’n mooi boek. Vervolgens produceert hij de ene loftuiting na de andere.

Maar dat is een uitzondering. Komrij doopt zijn pen regelmatig in vurig gal. Met een groot gevoel voor humor smeert hij zijn kritiek over de literaire boterhammen. Zo schrijft hij over Huub Oosterhuis:

Het is het geraaskal, het gestamel, dat ware poëzie moet suggeren. Het is het gepreek dat je dankzij schijnpoëzie dingen kan vertellen als ‘God is een cirkulatiepunt. God is een knipoog van herkenning.’ Ja, m’n fiets. God is de dynamo van de herdrukken van Oosterhuis. (134)

Komrij schrijft prachtig mee in de metafoor van Huub Oosterhuis, wat erg humoristisch overkomt. Zo passeert een stoet aan joligheid voorbij in de bijdrages van Komrij. In een bijdrage over analfabetisme suggereert de dichter dat je het met analfabetisme best een eind kan schoppen.

Het voorbeeld van André van der Louw bewijst ons dat iemand, zonder ooit en boek te hebben gelezen, nog heel goed een burgemeester kan worden van ‘n middelgrote gemeente. (45)

Heerlijk. Of wanneer hij tevreden vaststelt dat hij dankzij Van Agt eindelijk weet waar hij voor of tegen is. Als Van Agt tegen is, dan is hij voor. Deze methode kun je ook toepassen op de inrichting van je huis. Bedenk welke meubels je vijand in huis heeft en gooi die Oisterwijkse kloostertafel meteen het huis uit. Terloops merkt Komrij op dat die tafel, de Albert Mol onder de meubels is. Altijd beledigend.

Gerrit Komrij: Papieren tijgers. Amsterdam: Uitgever De Arbeiderspers, 1978. ISBN: 90 295 2708 0. 234 pagina’s.

Van Deyssel over Maurits

imageDe vondst van het eerste deel van Van Deyssels Verzamelde opstellen wordt extra beloond met het boek zelf. Wat een geweldig deel is dit. De lezer krijgt een bundel prachtige essay’s te lezen.

Mijn oog valt meteen op de recensie van Van Deyssel over de boeken van Maurits Van de suiker in de tabak en Hoe hij Raad van Indië werd. Maurits is het pseudoniem van P.A. Daum en Lodewijk van Deyssel is laaiend enthousiast over de boeken van deze schrijver. Hij schrijft aanstekelijk over de boeken van deze journalist uit Nederlands-Indië.

De heer Maurits heeft die twee voortreffelijke boeken geschreven, waarvan de titels hier boven staan, en daarmeê heeft-i me een groot plezier gedaan. Dat klinkt misschien verwaand, dat ik zeg, dat-i mij dar meê een groot plezier heeft gedaan. Ik kan ‘t niet helpen, en tóch móet ik ‘t zóo zeggen, want dit is precies wat ik dacht na de lezing dier boeken: jongen, kerel, Maurits, wat doe je me daar erg veel plezier meê. (237/238)

Wat mij vooral treft is de prachtige stijl die Van Deyssel hier hanteert. Geen opsmuk en met heel veel humor. Ik heb erg gelachen bij het lezen van de recensie en vermoedde dat Van Deyssel dit humoristisch bedoelde. Hij schrijft over de levensechte verhalen van Maurits. Van Deyssel leest liever dit soort verhalen doordrenkt van het leven dan de saaie literaire verhandelingen van auteurs als Terburch.

Hij gaat ver in zijn bewondering en daarbij hanteert hij extreme bewoordingen. Bijvoorbeeld wanneer hij schrijft dat hij moest huilen bij het lezen van een passage in Hoe hij Raad van Indië werd.

Er zijn menschen, die gauw huilen, maar ík huil niet gauw en bij een boek nog minder gauw als bijv. in de komedie, maar toen de heer Maurits mij vertelde van Corries dood toen ze ‘n ‘n kind kreeg, in zijn “Raad van Indië”, tóen heb ik eventjes moeten huilen en daar ben ik hem zeer, zeer dankbaar voor.'(239)

Het komt licht overdreven op mij over. Al vermeldt Van Deyssel aan het einde van de bespreking dat Maurits zich kan wedijveren met grote auteurs uit het buitenland, ‘die een uitnemende reaktie zijn tegen de suffigheden van menig duf hollandsch schrijver.’ (240)

Ik sloeg het eerste deel van Harry Pricks biografie over het leven van Lodewijk van Deyssel open. Het boek zat eveneens in het lot. Daar schrijft Harry Prick dat Van Deyssel een zwak had voor de boeken van Maurits. Dan volgt een heel lang citaat uit de boekbespreking uit het eerste deel van de Verzamelde opstellen.

imageGeen woord te bespeuren over de ironische bewoordingen waarin Van Deyssel zich uitdrukt. Maar volle ernst. En helemaal kan ik dat niet geloven. Misschien bewonderde hij Maurits, maar hij doet dit wel met erg veel humor.

En dan weet ik gelijk weer wat ik in de hedendaagse kritiek mis: de humor. Gerrit Komrij deed het soms, maar het kan niet vaak genoeg. Humor helpt zeker om kritiek leuk te maken en haalt de angel van het venijn eruit.

Cultuurpessimisme

image

Tegen het einde van zijn 95 pagina’s tellende essay Wat alleen de roman kan zeggen schrijft Oek de Jong:

Bij het kranten lezen zijn er bepaalde onderwerpen waar ik liever niet over lees (80)

Dat heb ik ook bij het essay van Oek de Jong. Hij zegt hele mooie dingen over de roman en de waarde van de roman. Zo beschrijft hij prachtig de ervaring bij het lezen van de erotische scènes van de Japanse schrijver Yasunari Kawabata. Dat hij winnaar van de Nobelprijs is, moet Oek de Jong uiteraard even noemen om de schrijver meer waarde te geven.

Pessimistische scènes

Het zijn juist die pessimistische scènes over de teloorgang van de cultuur die ik liever niet lees. Opmerkingen als:

Veel achttienjarigen die naar de universiteit gaan, zijn niet in staat een tekst van enige lengte te schrijven en hebben zelfs moeite met correct spellen. (83)

Het is een cultuurpessimisme dat je van de oudere generatie hoort, terwijl nieuwe studenten over heel andere capaciteiten beschikken waar ik jaloers op ben. Het is een andere zienswijze wat cultuur is. Dezelfde als waar Oek de Jong zelf iets laat doorschemeren uit de tijd waarin hij jong is. Het onderscheid tussen hoge en lage cultuur is dan aan het vervagen.

De literaire roman behoorde tot de hoge en de strip tot de lage cultuur, Chopin was hoge cultuur, popmuziek lage. Voor mijzelf betekende dit onderscheid in de praktijk niets, want in de Amsterdamse subcultuur waarin ik me vanaf eind jaren zeventig bewoog werd het al niet meer gemaakt. In het Shaffy Theater keek ik in de ene zaal naar een toneelstuk van Peter Handke en in een andere naar een show van clown Django Edwards. (16)

Hoge en lage cultuur

Dat versmelten van hoge en lage cultuur gebeurt in deze tijd meer dan ooit. Luister je het ene moment nog naar Bach, het andere moment klinkt er een de muziek van Arnin van Buren door de luidsprekers. Of lees je het ene moment een gedicht van Gerrit Komrij, het andere zing je een lied van André Hazes mee.

Daarmee beantwoordt Oek de Jong een heel belangrijke vraag niet: wat voor een toekomst is de roman weggelegd. Hij blijft sterk hangen in de jeugd die niks meer kan en weet, terwijl ik op internet heel andere bewegingen zie: iedereen schrijft, iedereen blogt. Een recensent in een krant moet concurreren met de duizenden meningen over een boek op internet.

Filmpjes kijken en googlen

Internet is meer dan het filmpjes kijken en googlen dat Oek de Jong in zijn essay doet. Het www is een niet meer weg te denken medium in onze cultuur geworden. Oek de Jong gaatvoorbij aan een belangrijk onderdeel in de cultuur die hij door al zijn pessimisme niet ziet.

Hij blijft teveel hangen in een schoonheidsbeleving die hij zelf ook niet meer heeft. Hij vergelijkt zijn jeugd met de jeugd van tegenwoordig. Hierbij vergeet hij dat de processen die hij en zijn generatie in gang hebben gezet, bijdragen aan de ‘verloedering’ waar hij over schrijft.

Dat is jammer. Het cultuurpessimisme haalt de kracht uit zijn essay. Ik zou hem juist willen uitdagen om mee te gaan op internet. Zijn ervaringen met de oude klassieken daar te delen. Het levert hem en ons nieuwe gezichtspunten op en zal bijdragen aan de cultuur.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is een bijdrage aan Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nlLees de bijdragen van anderen in de reacties.