Tagarchief: dood

Afscheid nemen – Sientje (67)

Daar zaten we te wachten in de wachtkamer bij de dierenarts. Ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel. Sientje wilde niet gaan zitten en bleef ijsberend lopen aan de riem. We kregen haar niet op het gemak. Natuurlijk voelde ze het. Net als dat wij gespannen waren over wat dadelijk zou komen.

Iets verderop zat een man met een jonge pup. Het diertje trok in Sientjes richting. ‘Zo dat is een ouwetje’, zei het baasje. ‘Ja, we nemen vandaag afscheid van haar’, antwoordde Inge. ‘Zo verdrietig’, zei de man. ‘Heb ik vorige maand ook moeten doen met mijn labrador.’ Nu sprong een jonge hondje tegen zijn been op. Hij vroeg om een beetje aandacht, beloond met een aai over zijn bol.

In de wachtkamer

Iemand kwam uit de kamer van de dierenarts. Een hond aan de riem. Of hij wilde betalen bij de receptie. Hij maakte stampij over de laatste rekening van zijn kat, die in zijn ogen te hoog was. ‘Maar meneer, dit hebben we allemaal gedaan met uw kat.’ Daarna kwam een lang verhaal over zijn kat van wie hij afscheid had moeten nemen. Iemand anders kwam naar binnen en vroeg van wie die auto was die de weg blokkeerde. De man die stampij maakte, rekende af en liep boos weg om zijn auto weg te rijden.

Wij waren aan de beurt. Ik kreeg Sientje niet mee en trok voorzichtig aan de riem. Het lukte niet. Ze wilde niet mee, daarom pakte ik haar maar op. Het was een jonge dierenarts die ons hielp. In haar witte jas luisterde ze aandachtig naar het verhaal dat wij vertelden. Ik had Sientje op de grond gezet.

Loslaten

Ze wilde lopen, trok aan de ketting. ‘Laat haar maar los hoor’, zei de dierenarts. Terwijl ik onze hond op de grond zette, keek ze naar Sientje die rondjes om de tafel liep. De rustige stappen klonken op de plavuizen. Ik dacht even aan de pootjes die bij ons in Almelo op de vloerbedekking klonken.

De dierenarts concludeerde ook dat het tijd was. ‘Maar u kunt dat het beste beoordelen’, zei ze. ‘Wat ik zo zie, is ze echt in de war. Ze kan geen rust vinden. Elke hond stopt na een tijdje met lopen, maar zij blijft uitdrukkingsloos rondjes lopen.’ Ze vroeg wanneer we haar wilden laten inslapen. ‘U kunt haar nog even mee naar huis nemen voor het afscheid.’ ‘Nee’, zei Inge. ‘We hebben de afgelopen week al afscheid genomen.’

Foto’s gemaakt

Ik dacht terug hoe ze een dag geleden nog op de bank lag. Ik had er nog foto’s van gemaakt. Nog steeds kan ik er niet zo goed naar kijken. Ze ligt te slapen in het voorjaarszonnetje. De ogen open, maar zonder uitdrukking. Ze ziet er ontzettend pluizig uit. De vacht is dof. Het leven is eruit. Ze wacht op het moment dat ze kan sterven.

De dierenarts haalde de spullen voor de handeling. Ze legde geduldig uit hoe het proces zou verlopen, terwijl ze met haar buik tegen de behandeltafel aandrukte. ‘Eerst krijgt ze een spuitje met een slaapmiddel. Als ze slaapt, krijgt ze de uiteindelijke injectie. Dat verlamt het hart. Ze zal langzaam doodgaan. Het kan wel enkele minuten duren.’ Ik zette Sientje op de tafel. We gaven haar allemaal een knuffel. Doris keek aandachtig naar alles. Ze wilde er per sé bij zijn.

Langzaam in slaap vallen

Het begon met de eerste injectie. Ze lag rustig terwijl wij haar streelden gaf de dierenarts haar het spuitje. Haar ogen draaiden, ze viel langzaam maar zeker in slaap. Wij aaiden haar verder. Ze was goed weg. De dierenarts wachtte nog even waarna ze tweede spuit klaarmaakte. Er stond een gele sticker met een doodshoofd op het flesje. Gevaarlijk. Het gevaar werd in Sientje gespoten. ‘Het kan nog wel even duren’, zei ze erbij.

Haar adem vertraagde in haar slaap. Nu trok het zojuist ingespoten middel door de bloedbanen van onze teckel. Het einde naderde. Ze hoefde nu niet meer op de dood te wachten. We hielpen haar een handje. Ik dacht aan mijn schoonmoeder. Een hond is beter af dan een mens, vond zij. Misschien had ze wel gelijk. Het was genoeg geweest. Ik voelde de neus. Er stroomde nog een vleugje adem door de neus. Maar de onrustige ademhaling van eerst, werd rustiger en vlakker. Nog even en het hield helemaal op.

Sterretje

Het ging snel. Sneller dan gebruikelijk, zei de dierenarts. Ik voelde de tranen wellen in mijn ogen. Doris vroeg of Sientje nu ook een sterretje werd. Inge vertelde de dierenarts van haar moeder die driekwart jaar eerder was overleden en een ster was geworden. ‘Sientje wordt vanavond opgehaald en dan wordt ze daarna een sterretje’, vertelde de dierenarts. Sientje lag er op die tafel. Ik betrapte me erop dat ik haar nog even streelde. Het hele lijf gaf mee. Het voelde raar. Ook werd het lichaam kouder en stijver. De tong hing uit de bek. De dierenarts stopte hem er weer in.

We konden nog afscheid nemen als we wilden, dan ging de dierenarts weg. Maar het was genoeg. Ik keek nog een keertje om toen we wegliepen. En zag haar daar liggen. Sientje. De eerste hond die echt van mij geweest was. De hond die ik met mijn liefde had gekocht. Een tijdperk was voorbij.

Lees het vervolg: Kaartje »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

Elke zondag een nieuw verhaal van Sientje in je mailbox?

Abonneer je op de wekelijkse nieuwsbrief

Het laatste zetje – Sientje (66)

Wel moeilijk om uitgerekend als je je hond wilt laten inslapen een andere dierenarts te zoeken. Ze was na de hernia niet meer bij een dierenarts geweest. We hadden na de ruggenprik en de aansluitende pijnstillers gemerkt dat het wel weer ging. Daarom probeerden we het contact met een dierenarts zo lang mogelijk uit te stellen.

Bij het maken van de afspraak legde Inge het al uit aan de telefoon. Dat we het heel vervelend vonden om uitgerekend op dit moment een afspraak met hen te moeten maken. Je komt liever met een blije puppy binnen dan met een oud bessie die alleen nog een zetje hoeft te hebben om dood te kunnen gaan. Maar ze maakten geen enkel bezwaar. We konden komen en ze zouden ons helpen. Natuurlijk zou de dierenarts ook nog even kritisch naar Sientje kijken.

Het uiteindelijke moment

Er lagen nog wat dagen tussen dat de afspraak gemaakt werd en het uiteindelijke moment. Ik dacht terug aan hoe mijn vader elk jaar met ons konijntje Snuffie naar de dierenarts ging om hem te laten inslapen. Zo rond de zomervakantie dook de vraag op: het gaat niet meer met snuffie. Mijn vader pakte het konijn, deed het beestje in een boodschappentas en reed naar de dierenarts. Voor vertrek hadden we uitvoerig afscheid genomen. Tranen gehuild. Snuffie was ontzettend lang bij ons. Mijn hele leven al.

Na een uurtje kwam mijn vader weer terug. Snuffie zat nog gewoon in de tas. ‘Hij is nog te goed’, zei hij droogjes. Het diertje verdween weer in de kooi, waar hij weer terughipte naar zijn hoekje. Daar zat hij weer in zijn vertrouwde stand. Een kennis zei eens: ‘Het lijkt wel of hij de hele dag aan het bidden is.’ Misschien bad het dier tot de heer dat het eindelijk eens afgelopen was. We vroegen de buurvrouw of ze om de dag het beestje eten en schoon water wilde geven.

Afscheid nemen

2 jaar later ging mijn vader weer naar de dierenarts. We hadden een aai als afscheid genomen. Mijn handen zaten vol met haren. Het diertje hield geen enkele haar meer vast. Zat de hele dag in zijn hoekje in de kooi. ‘Het lijkt wel of hij om zijn einde bidt’, had een kennis gezegd.

De amechtige houding waarin het beestje de hele dag zat, leek dit vermoeden inderdaad te bevestigen. Snuffie ging weer in dezelfde donkere boodschappentas. Bij het wegfietsen maakten we nog grapjes. ‘Tot zo, snuffie.’ Een halfuur later was mijn vader weer terug. De tas was leeg. Ik had het gevoel dat ik niet goed afscheid genomen had.

Dodenrit

‘Misschien vinden ze Sientje nog te goed’, zei ik tegen Inge. Daarbij hield ik de dodenritten van mijn vader met ons konijn in gedachten. Ik hoopte het stiekem, dan kon ze nog eventjes wat langer bij ons blijven. ‘Ik kan het mij niet voorstellen’, zei Inge. Ik vertelde het verhaal van mijn vader en Snuffie. De laatste keer had de dierenarts het beestje uit de tas gehaald.

Het dier was zo licht en zag er meer dood dan levend uit. ‘Hou hem maar hier’, had hij gezegd. Mijn vader had niet eens gezien dat het diertje de injectie kreeg toegediend. ‘Hij wilde er 5 gulden voor hebben.’ Ik had het diertje graag nog in de tuin naast het huis begraven. Op de plek waar we later de duif Koertje zouden begraven en waar een paar jaar later grote graafmachines de grond afgroeven voor de uitbouw die er nu staat.

Hele gezin bij afscheid

Nu reden we met het hele gezin naar de dierenarts. Het afscheid moesten we met zijn allen nemen. Ik was een paar uur eerder van mijn nieuwe werk naar huis gegaan. Ik denk dat we de hond straks een spuitje moeten geven, had ik gezegd. ‘Maar je weet het nooit wat zo’n dierenarts ervan vindt.’

De hond uit mijn jeugd, Blekkie hadden mijn ouders ook laten inslapen. Ik kon er niet bij zijn. Het moest hals over kop. Ik woonde niet meer thuis. Ik studeerde in Leiden. Ze probeerden me nog te bellen, maar ik was de hele dag aan de studie geweeest in de bibliotheek en ’s avonds bij vrienden.

Toen ik ’s avonds laat thuiskwam en het bericht hoorde, moest ik huilen. Al wist ik heus wel dat het einde eraan zat te komen. Die zomer was ik speciaal op de hond wezen oppassen met mijn vriendinnetje. Blekkie kon amper lopen. Na een paar stappen zakte hij in elkaar. De poging om zijn pootje te lichten als hij ging plassen, was het meest schrijnend. Soms viel hij al plassend om omdat hij zijn evenwicht niet meer kon houden.

Ik had er best lang mee rondgelopen dat ik geen afscheid had kunnen nemen. Daarom vond ik dat we nu samen afscheid moesten nemen. Geen uitzonderingen. Ook Doris mocht mee bij de afspraak met de dierenarts. Hoe klein ze ook was, ze wilde er met haar neus bovenop. Het was ook haar hondje.

Lees het vervolg: Afscheid nemen »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

Elke zondag een nieuw verhaal van Sientje in je mailbox?

Abonneer je op de wekelijkse nieuwsbrief

Afmaken in de polder

In de roman Onder een hemel van sproeten gaat het slecht met het hondje van de oude man Jacob. Hij moet het diertje laten afmaken. Samen met de dierenarts overlegt hij waar dit het beste kan. De dierenarts biedt aan om het in de polder te doen. De plek waar Jacob zo graag met zijn hond is.

Jacob rijdt met de scooter naar de polder. Zijn hondje muis zit in het mandje achterop. Het diertje geniet van de wind en houdt zijn kop statig omhoog:

We hebben het goed gehad, Muis. Sinds je twaalf weken oud was heb je elke stap samen met mij gemaakt. Ik kan nu nog niet mee, maar ik ben al oud. Je weet nooit hoe de dingen lopen. Misschien kun jij het pad al verkennen, Muis. Zullen we het zo afspreken? Verken de buurt en wacht me dan op. (179)

Prachtig hoe de verteller je dit laat beleven. Het afscheid nemen van een hondje waarmee je jaren hebt opgetrokken. Het diertje is op. Zijn baasje ook, maar hij kan nog geen afscheid nemen van het leven. Zijn leven is met het verlies van zijn vrouw en zijn hond verandert van een wilde, onstuimige rivier in een futloos stroompje.

Het contrast tussen de oudere Jacob en de jongere Amy, maakt de roman Onder een hemel van sproeten tot een intense belevenis om te lezen. Al ben je het hele boek doordrongen dat het niet goed gaat aflopen. Je probeert als lezer voortdurend aan de kleine strohalmen die je tegekomt, vast te klampen. Daarmee is het boek een eerbetoon aan deze tijd. Niet zonder kansen, maar je moet ze wel zien.

Alex Boogers: Onder een hemel van sproeten. Roman. Amsterdam: Uitgeverij Podium, 2017. ISBN: 987 90 5759 836 4. 373 pagina’s. Prijs: € 19,99. Bestel

Bijensterfte

image

De laatste dagen zie ik ze liggen op het pad onder de lindebomen. Ze liggen dood op de grond, op hun zij. De vleugels wijzen treurig schuin naar achteren. Het pad ligt bezaaid met de bijenlijken en de kadavers van dikke hommels.

Ze vallen uit de boom alsof het rijpe kersen zijn en spartelen op de grond. De pootjes krabbelen over de aarde. De lijfjes draaien rondjes, de vleugels fladderen vergeefs. Ze liggen half versuft en lijken de weg compleet kwijt te zijn. Verdoofd en half verlamd.

image

Ik vermoed dat het insectengif is. Ze vallen dizzy en versuft uit de lucht en spartelen hulpeloos over de bodem. Zonder enig effect. Alleen de dood biedt uitkomst.

Ze vliegen de omgekeerde weg als Nijhoff in het Lied der dwaze bijen zingt. Daar vliegen de bijen te vroeg uit,  vol verlangen naar hoger honing. Ze bestijgen de bevroren lucht tegemoet.

image

Nu vallen ze uit de warme hemel naar beneden. En sterven spartelend. Verder weg van hoger honing dan ooit.

10 januari 1986

image

In 1986 viel 10 januari ook op een vrijdag. Die avond holde ik met mijn vriendje Erik door het centrum van Veenendaal op zoek naar vossen. De vossenjacht was geopend. Het hoogtepunt was de leider van de jeugdclub. Hij droeg een wit laken over zich heen en liep als spook door de Hoofdstraat. We herkenden hem aan zijn sandalen met geitenwollensokken erin.

We eindigden de avond met dankgebed en zongen ‘Wat de toekomst brengen moge’. Daarna zou ik met mijn vriendje Erik en zijn neefje naar huis lopen. Mijn moeder kon mij niet halen en vond het fijn als ik niet alleen over straat hoefde te lopen om 8 uur ’s avonds.

Ze waren mij aan het plagen, renden weg en liepen aan de overkant van de straat. Ik riep ze, maar ze kwamen niet. Huilend liep ik verder en stond bij de speelgoedwinkel voor het raam te kijken. Daar liet Eriks neefje mij heel erg schrikken. Ik draaide om. Het neefje rende lachend weg en ik zag Erik achter een auto wegduiken.

Daar moet het ergens gebeurd zijn, hoorde ik later. Erik kreeg een hartaanval, viel op straat en het neefje rende weg. Pas later werd hij gevonden. De ambulance reed door onze straat met gillende sirenes om hem op te halen. Ik keek met mijn vader naar het laatste staartje van het journaal.

Wat later stond ik bij de deur omdat iemand mijn vader moest spreken. De ambulance reed met gillende sirenes terug. ‘Tjonge, daar is heel wat aan de hand’, zei de meneer. ‘Ja’, antwoordde mijn vader. ‘Het ziet er behoorlijk ernstig uit als ze met de sirene terugrijden.’

Daar lag mijn vriendje Erik in. Ik wist het niet. De volgende morgen was mijn moeder verontwaardigd toen ze hoorde dat ik niet samen met Erik naar huis was gelopen. ‘Ik ga zijn moeder bellen. Dat heb ik niet met hem afgesproken’, zei ze boos. ‘Jullie mogen wel tien jaar oud zijn, maar als hij zegt dat je met hem mag meelopen, dan moet hij dat ook doen.’

Maar ze moest naar de markt en mijn vader had een overleg op mijn school over iets. Ze kwamen ongeveer tegelijk thuis en waren even buiten aan het praten. Mijn moeder kwam witjes naar binnen. Ik speelde met de playmobil samen met mijn broertje en zusje. ‘Er is iets heel ergs gebeurd’, begon mijn moeder. ‘Ga maar even zitten.’ Ik stond op om op de bank te gaan zitten.

‘Erik is overleden’, zei ze nog voor ik zat. ‘Gisteravond. Aan een hartaanval.’ Ik voelde mijn knieën week worden. Het bloed trok uit mijn gezicht weg. Ik liet mij op de bank vallen. Dit kon niet waar zijn. Daarna vroeg ik haar honderd keer hoe het gebeurd was. Ik had hem nog gezien.

Het was aan het begin van de Gortstraat gebeurd, vlak nadat het neefje mij liet schrikken. Hij was teruggekomen, zag Erik liggen en rende weg. ‘Het is maar goed dat ik vanmorgen zijn moeder niet gebeld heb’, zei mijn moeder. ‘Wat was dat verschrikkelijk geweest.’ Ik knikte en werd omringd door honderd vragen. Bewust dat hij er niet meer was.

Vandaag loop ik in het park met de honden. Geniet van het licht dat zo kenmerkend is voor januari. Het lage licht maakt het gras intens groen. De wolken zo duidelijk en helder wit. Het is 10 januari, besef ik. Net als in 1986 een vrijdag. Het is 28 jaar geleden dat Erik stierf, maar die dagen staan op mijn netvlies gebrand alsof het gisteren was.

Ik kom thuis, ga zitten achter de computer en typ: ‘In 1986 viel 10 januari ook op een vrijdag.’

Dode zwaan

dode zwaanDe schemering maakt meer en meer plaats voor de duisternis. De gordijnen zijn nog open. Een groepje jongens staat voor het raam. Ze roepen iets naar elkaar en wachten. Er is iets aan de hand, maar ze kijken niet naar ons achter het raam. Pas heel laat komt een jongen aangelopen. Het lijkt of hij uit het zijtuintje komt.

Zou er iets aan de hand zijn? Ik ga naar boven. Er moet toch een foto van de lucht worden gemaakt voor wolkenhemel. Als ik uit het raam hang en naar beneden kijk, zie ik de reden waarom de jongens zo opgelaten waren. Er ligt een dode zwaan in een van de afgezette vierkantemeters voor ons moestuintje. Ik kan het nog zien in het laatste licht voor het helemaal donker is. Het dier ligt precies in de bak. Op de rug, de kop wijst netjes naar voren. De lange hals ligt in een mooie S.

image

Wat is er gebeurd? Ik ga naar buiten om het dier van wat dichterbij te bekijken. Overduidelijk is het dier dood. Er loopt geen spoor van bloed of vocht over het pad ons tuintje in. Het dier is hier gestorven. Of neergelegd door iemand. Al lijkt het laatste mij erg sterk. Het dier ligt daarvoor in een te natuurlijke houding.

De veren wapperen mee op de wind. Het dier is geringd. Het poepgat wijst naar de hemel. Zelfs deze oogt schoon en zuiver. De witte kleur van de veren laat zien dat het hier nog niet lang ligt. Alleen de hals bevat wat gelige veertjes. Wat is zo’n dier groot. Het enorme lijf rust op de grond waar straks de groenten moeten groeien.

Als de medewerkers van de dierenambulance het dier een halfuurtje later komen halen, zijn er snel omstanders. Niemand heeft het dier zien liggen, maar iedereen is hier langsgeweest. ‘Zou het niet die zwaan zijn waarvoor jullie laatst ook zijn geweest’, vraagt ze aan de medewerkers. Ze weten het niet. Het was een andere shift. Ze denken ook dat het dier hier gestorven is. En lang ligt het er ook niet. Maar niemand heeft het gezien.

Zo hoort het ook. Sterven doe je in totale eenzaamheid. Dat hoeft niemand te zien. Afscheid nemen van het leven is zwaar genoeg. Ook voor een stervende zwaan. De medewerker legt de nek mooi over de rest van het lijf. Zijn college houdt de blauwe zak open. Het dier verdwijnt erin. We zijn allemaal even stil.