Tagarchief: congo

Congo en Almere

De gastschrijver van Almere, Redmond O’Hanlon houdt zijn 2e avond in de bibliotheek. In november vertelde hij over zijn eerste ervaringen in onze stad. Nu vergelijkt hij Almere met zijn reiservaringen in Congo.

In het eerste gedeelte van de avond leest hij voor uit zijn magnum opus Congo. Zo vertelt hij over de fetisj die hij aan het begin van zijn reis koopt bij een Congolese tovenaar. Volgens de verkoper zit er een kindervinger in, maar Redmond O’Hanlon kan dat niet geloven, hij denkt dat er de vinger van een aap in zit.

Naast de fetisj heeft hij nog iets bij zich: een Afrikaans beeldje, uit hout gesneden en waarin onder meer met een mes bij de nek delen zijn weggeschraapt. Of de 12 knopen in het rode touw dat om zijn nek hangt. Elke knoop is een geslaagde vloek.

Na het voorlezen uit Congo is het de beurt aan een serie dia’s. Aan de hand van deze beelden vertelt Redmond O’Hanlon over zijn verdere belevenissen in Afrika. Zo komt het beroemde petje voorbij, net als de jonge gorilla die Redmond dagenlang heeft verzorgd. Hij is als een moeder voor het dier.

Het deel na de pauze is echt interessant. Hier vertelt Redmond over de overeenkomsten tussen Congo en Almere. Hij weet er aardig wat op te sommen. Zo geniet hij van de kleine gemeenschap in Nobelhorst. Er wonen betrekkelijk weinig mensen bij elkaar. De ideale gemeenschap zou volgens hem – en een bevriende professor die hij citeert – bestaan uit 60 tot 80 personen. Daarmee verklaart Redmond ook dat mensen niet meer vrienden/bekenden hebben dan dit aantal. Je kunt niet meer onthouden dan het seksleven van maximaal 60 mensen, zegt hij.

De pygmeeën die hem in Congo bij zijn reis door de jungle vergezellen, zijn vijanden van de banda. De banda zijn best agressief, maar volgens Redmond kunnen de pygmeeën vrij eenvoudig hun jachtgebieden veiligstellen tegen de banda. De banda’s zijn ontzettend bijgelovig. Elke boom heeft een ziel. ‘Dan zeggen ze tegen een banda, loop niet langs die boom, want anders vallen je ballen eraf. De banda geloven dat en durven nooit langs die boom te lopen. Zo weten de pygmeeën de beste jachtgebieden te behouden.’

In Congo is Redmond op zoek naar de dinosaurus die in het meer zou leven volgens de overlevering. Het dier is al lange tijd niet meer gezien, maar toch probeert Redmond het prehistorische dier te zullen zien. Het Weerwater is zeker zo waardevol als het meer in Congo. ‘Alleen mist het een monster’, stelt de Engelse schrijver van reisverhalen. ‘Of nee, er is wel degelijk een monster. En dat monster heet Floriade!’

De Oostvaardersplassen kent Redmond O’Hanlon al. Een jaar of 30 geleden nam Adriaan van Dis hem hierheen. Als vogelliefhebber zag hij het pasgeboren natuurgebied. Het is ondertussen veranderd in een heuse farm met al die buffels, stelt hij. Buffels zie je op elke boerderij, die hoef je niet in een natuurgebied uit te zetten. Net als de herten en paarden, vindt hij dat er teveel zitten. ‘Er moeten gewoon 3 of 4 roedels wolven komen, dan is er snel een natuurlijk evenwicht.’ Maar dat heeft een keerzijde: ‘Wolven zijn gek op mensenbaby’s.’

Een gebied als de Oostvaardersplassen moet zeker de poorten openen, maar wel voor alleen natuurliefhebbers. Liefhebbers van iets anders kunnen ook naar een pretpark gaan. Het gaat juist om het contact met de natuur. Het idee dat je heel even op survival bent om dan maandag gewoon weer op kantoor aan het werk te kunnen.’

Lees verder over Het geheim van Almere

Conrads Hart der duisternis

image

Na het lezen van Redmond O’Hanlons Congo en Dark Star Safari van Paul Theroux pakte ik er Joseph Conrads Hart der duisternis weer bij. Ik las het tijdens mijn studie voor een college over koloniale literatuur. Het boek behoort tot de klassiekers van de Engelstalige literatuur.

Zoals vaker gebeurt levert de koloniale literatuur een klassieker op voor de hele literatuur. Hetzelfde is in Nederland het geval bij de Max Havelaar en Stille kracht. De confrontatie met de andere cultuur vraagt een nieuwe manier van kijken naar jezelf en de ander.

Veel Afrika-reizigers koesteren een grote liefde voor Conrads Hart der duisternis. Misschien dat de verwoording van de angsten hen aanspreekt. Mogelijk de verhaallijn van de observerende kapitein Marlow. Of de brute daden van meneer Kurtz, zodat je je afvraagt wie de wilde is. Zo wordt het boek meer dan een koloniaal boek. Het grijpt tot in de diepste zielenroerselen van de mens.

Ik heb de vertaling van Bas Heijne gelezen. Een boeiende vertaling die volgens de vertaler zelf het midden houdt tussen vrij en letterlijk. Een vertaling zoals het moet.

Het verhaal begint op een schip dat in de monding van de Theems ligt. Charlie Marlow zit daar met een groepje mannen op het dek. Ze wachten op een gunstige wind. De zee verbindt de heren. Terwijl ze zo de zon in de zee zien zakken, begint Marlow te praten over zijn ervaringen in Congo.

Hij krijgt een aanstelling als schipper op een rivierstomer, maar bij aankomst blijkt de stomer op de bodem van de rivier te liggen. Hij probeert hem weer te repareren, maar de noodzakelijke materialen – klinknagels – ontbreken. Terwijl hij eerder op zijn reis overal klinknagels zag liggen, zijn ze hier nergens te vinden. Hij legt zich erbij neer.

Verderop in het boek vaart hij op de rivierstomer. Hoe hij tot deze daad is gekomen, blijft achterwege. De vaartocht voert naar de buitenpost van meneer Kurtz. Overal heerst de dreiging. Zeker als ze vanaf de over worden aangevallen door wilden.

Dat eigenlijk Kurtz achter deze aanval zit en deze despoot een hele greep van die wilden in bedwang heeft, blijkt later pas. De schedels rond zijn verblijf getuigen van zijn daden:

Ze zouden nog meer indruk gemaakt hebben, deze hoofden op de staken, als ze niet met hun gezichten naar het huis toegekeerd hadden gestaan. Slechts één ervan, degene die me als eerste was opgevallen, keek mijn kant op. (102)

Als hij tevergeefs de zieke Kurtz uit de rimboe haalt, bezoekt hij later Kurtz’ verloofde en verzint zijn laatste woorden omdat de waarheid te hard is. Dat terwijl het voor Marlow een raadsel is wat Kurtz nu eigenlijk precies van beroep was:

“Hij had het in zich om heel groot te worden,” zei de man, die geloof ik organist was, met sluik grijs haar dat over een vettige jaskraag viel. Er was voor mij geen reden om aan zijn woorden te twijfelen en tot op de dag van vandaag kan ik niet zeggen wat Kurtz’ van beroep was, of hij er ooit wel een had – en welk van zijn talenten het grootst was. (128)

Het zo blijft het verdere leven van deze schurk een groot raadsel en lukt het de verteller Marlow niet om de schurk een menselijk gezicht te geven. En juist dat is de kracht van het verhaal, het ontbreken van een waardeoordeel van de verteller Marlow. Hij vertelt alleen maar het verhaal over zijn zoektocht naar Kurtz en daarbij verhaalt hij over de diepe, rauwe kant van de mens.

En dat verklaart de liefde voor het verhaal zoals reizigers als Redmond O’Hanlon en Paul Theroux dat hebben. Het lukt mij nog niet helemaal door te dringen in het verhaal. Waarschijnlijk is dat de kracht van Joseph Conrads roman.

Joseph Conrad: Hart der duisternis Oorspronkelijke tekst: Heart of Darkness. Vertaling en nawoord Bas Heijne. 2e druk. Uitgeverij Contact (Pandora Pocket), 1997. ISBN 90 254 5725 8. 144 pagina’s.

Oblomov

image

De zoektocht naar de dinosaurus in Congo maakt de Congolezen erg bang. Het brengt Redmond O’Hanlon in een geïsoleerde positie. Hij raakt zelfs zo geïsoleerd dat hij vriendschap sluit met een gorillajong. Hij ontfermt zich over de baby en loopt er de hele dag mee rond.

Hij praat de hele dag met het dier. Als hij verdwaalt raakt in het oerwoud, probeert hij het dier te laten vertellen waar hij naartoe moet. Natuurlijk lukt het hem niet. Het maakt het zo moedeloos dat hij het dier voorleest uit Oblomov.

Luister goed, ik ben deze keer nog niet zo ver in het boek. De jonge Oblomov, Oblomov als jongen, is in de kinderkamer, net als jij, en zijn oude kindermeid is, net als ik, verhaaltjes aan het vertellen. Ze “grift in de kinderlijke geest een onvergetelijk beeld van heel die Russische Ilias, geschreven door onze homerische zangers in achter nevels verzonken tijden, toen de mens nog niet opgewassen was tegen de gevaren en geheimen van het leven en de natuur”. … Daar zijn we nog steeds niet tegen opgewassen, hè? (485)

Het lezen van de Rus Gontsjarov doet denken aan zijn vriend Simon Stockton in de Amazone. Daar verandert de yup die in het oerwoud mooie kiekjes denkt te kunnen maken in een angsthaas. De complete gekte nabij. Redmond O’Hanlon ziet zijn vriend zelfs ten onder gaan daar in de wildernis.

In Congo lijkt dit te gebeuren met O’Hanlon zelf. Zo lopend in het oerwoud met een gorillababy om zijn nek, verdwaald. Het brengt hem op de rand van gekte. Zeker ook als het dier zijn shirt onderpoept en hij er gewoon mee doorloopt.

Redmond O’Hanlon: Congo. Oorsponkelijke titel: Congo Journey. Vertaald uit het Engels door Tinke Davids. Amsterdam, Uitgeverij Atlas, 1996. 568 pagina’s. ISBN: 90 254 0165 1

Dinosaurus en kever

imageOp zoek naar het meer waar de dinosaurus gezien zou zijn, tekent de Congolees Manou een plattegrond van het meer. Zo kan Redmond O’Hanlon zien waar ergens de dinosaurus zich ophoudt in het meer Lac Télé. Dan bedient de verteller zich van een prachtig staaltje vertelkunst:

Een klein rood kevertje, een soort meikever, werd aangelokt door de lichtstraal en stortte neer, midden in Lac Télé, stopte zijn vleugels onder zijn glimmende schild, kroop naar het noordoosten om de dinosaurus te inspecteren, opende zijn schild weer en zigzagde weg, de duisternis in. (398)

Hier hanteert Redmond O’Hanlon een prachtige vergelijking. Op de plattegrond verandert het kevertje in een monster. Het is beeldspraak waarbij het kleine groot wordt en een mug bijna letterlijk in een olifant verandert.

Redmond O’Hanlon: Congo. Oorsponkelijke titel: Congo Journey. Vertaald uit het Engels door Tinke Davids. Amsterdam, Uitgeverij Atlas, 1996. 568 pagina’s. ISBN: 90 254 0165 1

Fetisj

image

Het begint een traditioneel ingrediënt in de reisboeken van Redmond O’Hanlon te worden, zijn fetisj-kamer in zijn huis. Boudewijn Büch wist op televisie al een bezoekje aan deze bijzondere kamer te filmen. In de boeken van O’Hanlon komen het gevonden vogelei en de teen van de overleden vriend steeds terug.

Het boek Congo opent zelfs bij de féticheuse om een zegen voor de reis door de oerwouden van Congo te vragen. Verderop weet hij zelfs een fetisj te bemachtigen van een tovenaar.

[D]e fetisj die je nu in je handen houdt, meneer Redmond, die bevat de vinger van een kind. De geest van dat kind zal je beschermen. Die geest zla je behoeden voor gedachten die oud en treurig zijn. Die geest zal je vrijwaren van ziekte. De fetisj zelf is geheim. (230)

Hij stopt de fetisj veilig in zijn broekzak en voelt er soms aan om zijn angsten te bezweren. Het staat in schril contrast met O’Hanlons houding tegenover het christendom. Dat vindt hij waanzin, terwijl zelfs de Congolezen hem op de hypocriete houding wijzen.

Een kruis om de nek dragen, is ook een fetisj. Het eten en drinken van het lichaam en bloed van het grote blanke hoofd, is geen reden om de Afrikanen uit te lachen om hun geloof.

Redmond O’Hanlon krijgt zelfs de status van tovenaar als de Congolezen vernemen dat hij in huis een kamertje heeft met allerlei ‘herinneringen’, zoals hij het zelf noemt. Volgens Manou is het een fetisjhuisje, zoals Afrikanen.

Je ziet er blank uit, maar je bent een Afrikaan. Je voorouders, dat zijn eigenlijk Afrikanen, de oude mensen, de voorouders, pygmeeën die zo van het oerwoud houden. (560)

Ik ben het helemaal met Manou eens.

Redmond O’Hanlon heeft later een prachtige televisie-aflevering gemaakt over zijn fetisj met de vinger van een kind erin. Hij achterhaalt een hele handel in lichaamsdelen van overleden kinderen. Hierom verdwijnen veel kinderen in bepaalde Afrikaanse landen. Om nooit meer terug te keren.

Zie hoe hij op zoek gaat naar de oorsprong van zijn fetisj

Redmond O’Hanlon: Congo. Oorsponkelijke titel: Congo Journey. Vertaald uit het Engels door Tinke Davids. Amsterdam, Uitgeverij Atlas, 1996. 568 pagina’s. ISBN: 90 254 0165 1

Lezen in de jungle

imageLeest in Tussen Orinoco en Amazone zijn reisgenoot Simon Stockton eindeloos in de klassiekers van Dostojevski. Ook in Congo is er een reisgenoot van Redmond O’Hanlon die leest. Medereiziger Lary Shaffer leest in Congo onderweg DickensOur Mutual Friend en Martin Chuzzlewit.

Het ontwikkelt zich net als in het vorige reisboek tot een heus Leidmotief, waarnaar de verteller O’Hanlon met zichtbaar genoegen verwijst. Zoals wanneer Redmond in zijn rugzak op zoek is naar iets. Hij kan het niet vinden en krijgt van zijn lezende vriend een uitdrukkelijk advies:

Weet je, als je hebt gevonden wat je in godsnaam nou weer zoekt, misschien zou je dan meteen even die verdomde drieënzestig zwarte sokken vol maden die je hier in de tent hebt uitgestrooid, kunnen oprapen en terugdoen waar ze thuishoren: in die stinkende backpack van je, wat een levensgroot gevaar voor de volksgezondheid is. (256)

Lary Shaffer – een filmer die voor Nobelprijswinnaar Nico Tinbergen werkte – leest vooral ‘s avonds in de tent bij het licht van de zaklantaarn. Niet zoals die eerdere reisgenoot Simon Stockton aan boord van de boot of al trekkend door het oerwoud.

De Congolezen zien het lezen van Dickens als een goede daad. Manou bijvoorbeeld wil dolgraag gaan studeren in Amerika en net als Lary de boeken van Dickens gaan lezen, in zijn zelfgebouwde huis.

En ‘s avonds zal ik die Dickens lezen, en ik zal alle films van doctor Lary bekijken en ik zal saka-saka eten en ik zal Coca-Cola drinken, en Johnny Walker, Black Label. […]; ik geef samen met doctor Lary les, we zijn werkers, we werken samen, we zijn elkaars gelijken, we waarderen elkaar. (557)

Lary Shaffer reist maar een gedeelte met Redmond O’Hanlon mee en hij bereikt zelfs nooit het meer met de dinosaurus. Hij weet een echte band weten op te bouwen met de Congolezen, iets waar Redmond pas aan het einde van zijn boek in slaagt. Hij krijgt dan vooral respect voor zijn fetisj-kamer.

Redmond O’Hanlon: Congo. Oorsponkelijke titel: Congo Journey. Vertaald uit het Engels door Tinke Davids. Amsterdam, Uitgeverij Atlas, 1996. 568 pagina’s. ISBN: 90 254 0165 1