Tagarchief: amsterdam

De toren van Amsterdam – Leestip

Als je op de Dam staat bij het Stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam, realiseer je je niet dat er in het hoofd van sommige stadsbestuurders in de 17e eeuw ook nog iets anders aan dit stadsgezicht was toegevoegd. Namelijk, een imposante toren vast aan de Nieuwe kerk.

6363 palen in de grond

Wat niemand weet is dat dit niet bij een voornemen is gebleven. Er zitten maar liefst 6363 palen in de grond aan de westkant van de kerk. Gedeeltelijk zelfs in het water van de Nieuwezijdse Voorburgwal. Een klein stukje van de gebouwde torenvoet staat nog steeds overeind. De inmiddels gedempte gracht, geldt als het best gefundeerde stukje weg van Amsterdam met al die zware en halfzware eiken masten en elspalen in de bodem.

In zijn boek De toren van de Gouden Eeuw, Een Hollandse strijd tussen gulden en God schrijft bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek over de voorbereidingen van de bouw en het leggen van de fundering. En meer dan dat. Hij bedt het verhaal in, in de geschiedenis van de stad. De ogen én het geld glijden namelijk snel naar het Stadhuis, het wereldwonder en nog altijd een indrukwekkend monument van 17e eeuws Amsterdam.

Strijd in Amsterdamse stadhuis

In de burgemeesterskamer van het stadhuis heeft echter een felle strijd gewoed tussen de koopman en de dominee. Wie het gewonnen heeft, kun je vandaag de dag zelf op de Dam zien. De toren is er niet; de gebouwde torenvoet is gedeeltelijk weggehaald. Terwijl er een imposant stadhuis staat dat elke Amerikaan en Japanner naar binnen lokt en waar heel veel Amsterdammers (de meeste?) nog nooit zijn binnengeweest.

Een prachtig stuk geschiedenis. Zeker ook de manier waarop Gabri van Tussenbroek dit in zijn boek behandelt. Waar begint het? Het begint bij de brand van de Nieuwe kerk. Op een koude dag in januari vat het dak vlam van de eeuwenoude kerk. Het gebouw vermoedelijk gebouwd door Rutger van Kampen, bouwmeester van meer Gotische stadskerken in Nederland, zoals de Bovenkerk in Kampen, Harderwijk en de Pieterskerk in Leiden.

Forse tegenvaller

De herbouw wordt snel ter hand genomen. Het is een forse tegenvaller voor de stad die juist veel tijd en aandacht besteedt aan de bouw van het stadhuis. Niet dat de bouw al begonnen is, wel worden er huizen opgekocht op de plek waar het stadhuis moet komen. De bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek geeft daarbij een interessant kijkje in het stadsbestuur.

Een maand na de brand, wordt het nieuwe bestuur benoemd. Elk jaar wisselen de zetels op 1 februari. In het college komen Bicker en Backer recht tegenover elkaar te staan. Behartigt de ene eerste vooral de belangen van de koopman, Willem Backer is een vrome man voor wie alles ter ere van God is. Backer komt op het idee van de toren, ontleend aan de imposante toren op het Piazzetta, tegenover de San Marco in Venetië.

Dagelijks leven in Amsterdam

De drukte op het stadhuis is natuurlijk van een totaal andere orde dan het dagelijks leven in Amsterdam. Het is voor de bewoners van de stad een hard bestaan. Het leven is erg duur, vaak mislukt de oogst door slecht weer of een slechte aanvoer vanuit de gebieden waar het graan vandaan komt. Gabri van Tusssenbroek weet deze dagelijks overlevingsdrift mooi in zijn boek te verwerken tussen al het gekonkel in de burgemeesterskamer op het stadhuis.

Bijvoorbeeld als hij het heeft over de zomermaanden waarin elk jaar de bemanning van de VOC-schepen die bij Texel lagen, doorreisde naar Amsterdam om het scheepsgeld te incasseren. Meestal verblijven ze dan meteen in de stad. De verdiensten van de onderste rangen waren ronduit slecht met zo’n 7 tot 12 gulden per maand, schrijft Gabri van Tussenbroek:

In Amsterdam kon je daar eigenlijk niet van rondkomen. Drie gulden in de week was in de stad toch wel zo’n beetje het bestaansminimum. Als je in het gasthuis verpleegd moest worden, betaalde je drie gulden, en ook het bedrag voor pensioenen en ziekengeld was drie gulden. Het waren bedragen waar Willem Backer om moest lachen, evenals de anderen van het Vroedschap, gewend als ze waren aan het leven van de bovenkant. (140)

Vergeet daarbij niet, dat het hier gaat over de laagste rangen bij de VOC. Veel banen in de stad leveren veel minder geld op. En als je illegaal in de stad verblijft, ben je vaak helemaal kansloos. Het zijn de schrijnende verhalen zoals van Elsje Christiaens die Rembrandt 15 jaar later zo prachtig tekent.

Koude winters en natte zomers

Gabri van Tussenbroek vermengt in zijn boek over de toren van de Nieuwe kerk op een intrigerende manier het dagelijks leven met bijvoorbeeld het weer en andere omstandigheden. Hij beschikt over zeer gedetailleerde gegevens over het weer; de koude winters, natte zomers of juist warme periodes komen vaak terug. Net als de integratie van de grote momenten uit de geschiedenis, zoals de Vrede van Münster in 1648.

Daarmee trekt hij de geschiedenis heel dicht naar je toe. Je krijgt zo veel meer te lezen dan alleen de officiële documenten over de bouw van het stadhuis, de herbouw van de kerk en de voorgenomen bouw van de toren. Tegelijkertijd besef je wat een oorlog met Engeland bijvoorbeeld doet met het dagelijks leven in de stad. Dat heeft veel meer impact dan je zo snel in een jaartal ziet.

Net als de vrij theoretische discussies die Gabri van Tussenbroek geeft over het ontwerp van de toren. Kiest de stad voor een ouderwets gotisch ontwerp of gaat de voorkeur uit naar een klassieke toren. De 2 modellen die van de toren zijn gemaakt, laten beide varianten zien. Maar welke kiest de stad?

Jacob van Campen

Ook hier heeft Jacob van Campen een flinke lepel in de pap te roeren. Het mag dan een man zijn die erg lastig in de omgang is, hoge verblijfskosten declareert en vermoedelijk meer dan van een stevig glas houdt. Hij weet met zijn ontwerpen het stadsbestuur telkens weer te verleiden tot hoge uitgaven en gebouwen die wel een beetje voor de eeuwigheid staan.

De reden dat de toren er niet komt en uiteindelijk het stadhuis wel, is het verhaal dat Gabri van Tussenbroek heel mooi in zijn boek weet te geven. Hier zie je dat het gekonkel zoals dat soms doorsijpelt vanuit de Haagse achterkamertjes, zijn grondslag al heeft in de Gouden eeuw.

Het hoort bij de Nederlandse overlegcultuur vol compromissen en waar een verlies nooit zo scherp gespeeld wordt. De verliezer druipt af – of sterft – en niemand heeft het er meer over. En in het boek De toren van de Gouden Eeuw weet Gabri van Tussenbroek deze geschiedenis weer heel mooi te belichten. Voor iedereen die van geschiedenis, gebouwen en de Gouden Eeuw houdt, een must om te lezen. Het geeft zoveel leesplezier. Heerlijk!

Gabri van Tussenbroek: De toren van de Gouden Eeuw, Een Hollandse strijd tussen gulden en God. Amsterdam: uitgeverij Prometheus, 2017. ISBN: 978 90 446 3478 5. 368 pagina’s. Prijs: € 25,99. Bestel

Amstelglorie en Jan Wolkers

Jan Wolkers en Amstelglorie; het is een 2-eenheid. Vlak voor de zomer krijg ik opeens de behoefte om eindelijk de plek van Wolkers’ volkstuintje op te gaan zoeken. Misschien ben ik beïnvloed door het vooruitzicht van Onno Bloms bloemlezing met dagboekfragmenten van Jan Wolkers over zijn volkstuintje op Amstelglorie.

Ik stap ondanks alle drukte voor het huis op de fiets. Ik wil de tuin van Jan Wolkers eindelijk eens in het echt gaan zien. Ik hoop nog een paar sporen van de schrijver te kunnen vinden.

Biografie van Onno Blom

De biografie van Onno Blom net gelezen, rij ik via Oudekerk aan de Amstel naar het Amstelpark. Ik heb er jaren vlakbij gewerkt, maar ben er nooit eerder geweest. Een keer vlak langs de toegangsbrug. Ik loop door naar de Japanse tuin. Gewoon om even naar de Ginkgo’s te kijken en inspiratie voor de nieuwe tuin op te doen.

Daarna nog even langs de VU rijden en vandaar naar het Beatrixpark. Het park grenst aan de RAI. Ik pak het stukje dat evenwijdig loopt aan de snelweg. Vandaar langs de snelweg over de Amstel waar ik op zoek ga naar Amstelglorie. Hier heeft Jan Wolkers van december 1972 tot augustus 1981 een volkstuin gehad, nummer 294.

Voormalig tuintje

Ik rij het complex op. Geörienteerd op de plattegrond bij de ingang, waar precies het voormalige tuintje van Jan Wolkers is. Na hem hebben diverse mensen nog het volkstuintje bewoond. Het tuinhuis is altijd blijven staan. Ik heb ontdekt op internet dat het dit jaar helemaal is opgeknapt en een plaats is geworden voor schrijvers. Zo heeft biograaf Onno Blom een deel van het boek Amstelglorie in het huisje geredigeerd. Het boek bevat alle dagboekfragmenten van Jan Wolkers over de volkstuin die hij van 1972 tot 1981 heeft.

Ik fiets in de richting van het Eiland, helemaal achterin, vlak tegen de snelweg aan. Sterker nog: snelwegen. Het knooppunt Amstel waarbij de A2 begint de rondweg A10 kruist. De A2 gaat hier over in de Nieuwe Utrechtseweg. Daar op de dijk, loopt ook de metro. En verderop zoeft het treinverkeer over de ring Amsterdam. Allemaal verkeer.

Ik rij over het bruggetje, geïmponeerd door de hoge bomen. Veel berken, maar ook alle andere variëteiten. Dan rij ik over het smalle paadje. Hier heeft de schrijver vaak overheen gelopen, weet ik uit de dagboeken. Ik heb ze nog niet allemaal gelezen, maar ik weet hoe verknocht Jan Wolkers was aan zijn volkstuintje.

Opgeknapte tuinhuisje

Vanaf het pad tuur ik in de richting van het opgeknapte tuinhuisje. Op het dak liggen zonnepanelen en daarnaast oogt de tuin best wel kaal. Niet de dichtgegroeide bossage die Jan Wolkers er in de jaren 1970 van maakte. Ik kan de mispel waar Jan Wolkers zo vaak over schrijft, niet zo snel ontdekken.

Ik ga dan iets verderop op een bankje gaan zitten, eet mijn boterham met jam op. Wat een smaak. De warme junidag is genieten. Het voelt heerlijk hier op het bankje. Temidden van de volkstuinen. Hier wordt met liefde voor de natuur de rust opgezocht. De hoge bomen die verspreid over het complex staan, met de uilenkasten en andere nestkasten voor vogels; voor mij laat het zien dat hier goed gezorgd wordt voor de natuur.

Dagboekfragmenten over Amstelglorie

Jan Wolkers heeft in de jaren 1970 een aantal jaren een volkstuin gehad op Amstelglorie. Ik ben helemaal blij dat het boek is uitgekomen met alle fragmenten uit zijn dagboeken over zijn tuin op Amstelglorie. Het is een opeenschakeling van een genietende Jan Wolkers die helemaal opgaat in de natuur en vooral in het begrijpen en ingrijpen van deze natuur.

Jan Wolkers gaat helemaal op in al het groen en streeft de verwilderde tuin na. Hij heeft niet echt een plan met zijn landje. De 300 vierkante meter krijgen een inrichting waarbij menig tuinierder de angst om het hart slaat. Wat plant hij veel grote groeiers op die paar vierkante meter die hij heeft. Naast de bomen die er al groeien, zoals de mispel, zilverpopulier en de walnotenboom, plant hij er verschillende fruitbomen (appel, peer en pruim), maar ook harde groeiers als de nu zo beduchte berenklauw, Japanse duizendknoop en bamboe.

Succesromans geschreven op Amstelglorie

Op Amstelglorie creëert Jan Wolkers zijn eigen paradijsje. Wat een prachtige beschrijvingen geeft hij van het groen en de vogels. Hier in die natuur werkt Jan Wolkers ook aan zijn romans. een belangrijk deel van zijn succesromans zijn hier geschreven. Zo schrijft hij hier De walgvogel, De kus, De doodshoofdvlinder en De perzik van onsterfelijkheid. De laatste roman speelt zelfs gedeeltelijk in een volkstuintje.

Jan Wolkers zegt dat hij zich laat leiden door de tuin zelf. Hij zet de natuur daarmee naar zijn hand door vooral goed te kijken en de struiken en bomen te geleiden. Zo is hij door de jaren heen steeds in de weer met het verplaatsen van bomen en struiken naar betere plekken als hij merkt dat ze niet goed gedijen op de plek die hij voor ogen had.

Hij schroomt niet om planten uit de vrije natuur over te planten. Zo sleept hij wat planten uit het nabijgelegen Amstelpark of het Beatrixpark naar zijn landje. Of vogelkers die hij van Texel meeneemt. Stekjes haalt Jan Wolkers dus overal vandaan. Het geeft zijn tuin de charme waarin het groen overheerst. Het lijkt of het een wilde tuin is, maar ondertussen weet Jan Wolkers die onstuimigheid in heel gecontroleerde banen te leiden. En als het echt uit de hand loopt, haalt hij de plant weg.

Jaargetijden

Het boek dat Onno Blom heeft samengesteld, is vervuld van de natuur en volgt getrouw de jaargetijden. Elke jaargetijde heeft zijn charme. Niet alles draait om de zomer. Nee, de winter is voor Jan Wolkers net zo mooi. Of misschie wel zelfs mooier. Neem zo’n beschrijving midden in de winter; op 1 januari 1976 schrijft Jan Wolkers in zijn dagboek:

De tuin ziet er wild en romantisch uit, met al die dorre bruine, okergele en zwarte staken van de zonnebloemen, kaardebollen, maïs en artisjokken, waaruit het zilveren pluis puilt. Aan het pad bloeit de winterkrokus Laevigatus Fontenayi. Verderop de gele frutseltjes van de hamamelis. De grond is prachtig van structuur met de goed rottende en door de merels steeds omgewerkte half rottende bladeren. De Boeddha is vochtig en groengrijs van zich op de vulkanische steen ontwikkelende mossen. De meeste mispels zijn weggegeten. (235)

Een passage die regelrecht uit een roman van Jan Wolkers zou kunnen komen. De rotting en dorheid van de winter, verwijst niet zozeer naar het bederf, maar veel meer naar het nieuwe leven dat er straks in het voorjaar uit zal komen. Er zijn zelfs al een paar voorbodes, zoals de winterkrokus die al in bloei staat. Terwijl de laatste vruchten van de mispel vallen of weggevreten nog in de boom hangen, wacht het voorjaar om toe te slaan.

Uit deze dode boel komt dadelijk het leven. Of zoals Wolkers het vaak aanhaalt, januari is de mooiste maand van het jaar. Veroorzaakt door het bijzondere licht, waarbij de hemel alle kleuren aanneemt van het diepste blauw tot het lichtste geel. Tegelijk ziet Jan Wolkers overal het leven in de donkere en grauwe kleuren van de winter. Het groen is er niet, maar het zal elk moment helemaal loskomen.

De vogels en Jan Wolkers

Jan Wolkers gaat helemaal op in de natuur van zijn tuin. Een bijzonder leidmotief zijn de vogels. De schrijver treedt geregeld op als beschermheer over de gevleugelde dieren. Zo redt hij een kauwtje, al denkt hij in eerste instantie dat het een ekster is door de witte vlekken op de veren. Ook is hij druk in de weer met de grote lijster, die geregeld opduikt en die voor Jan Wolkers de bijnaam dikkie krijgt.

De grootste bedreiging vormen de katten in de buurt. Het noopt Jan Wolkers een keer om een nestje van passant Mao te laten verdrinken. De zwerfkat is aanvankelijk heel schuw, maar Jan Wolkers weet het vertrouwen van de kat te winnen. Hierdoor bezoekt de kat regelmatig het tuinhuisje en krijgt dan wat te eten. Als Jan Wolkers ontdekt dat Mao een nestje met jonge katjes heeft, voelt hij zich gedwongen de dieren te laten verdrinken. Het zou een ramp zijn voor de vogels al die halfwilde katten op het eiland. Een heel aangrijpende passage in het dagboek.

Snel gris ik de jongen tussen de laarzen en oude schoenen vandaan met een hand, bekijk ze even en stop dan mijn hand met die wriemelende beestjes de emmer in. Probeer ze zo zacht mogelijk vast te houden, maar de kleine wurmen blijken over een enorme kracht te beschikken. Het zweet breekt me uit. Ik kijk in de emmer en zie de kleine kopjes met de tongetjes uit hun bekjes happen naar lucht. Soms ontsnapt er een luchtbel. Het is afschuwelijk maar je kan niet meer terug. (182/183)

De dag na de ingreep is hij doodmoe. Komt door het doden van de kittens, zegt zijn vriendin Karina. Als Jan Wolkers Mao ziet zoeken naar haar jongen, treft de schrijver een enorm schuldgevoel. Hij merkt dat het dier zich opengehaald heeft in de zoektocht. De hele verdere periode dat jaar, wordt hij getroffen door schuldgevoel omdat hij het jonge leven heeft verwoest. Maar het moet om zijn andere vrienden te behouden: de vogels.

Kauwtje gered

Dat het andersom ook misgaat bewijst als Jan Wolkers in 1976 een jong kauwtje redt. De buurvrouw vindt het beestje en schakelt de hulp van vogelredder Jan Wolkers. Hij neemt het diertje mee het tuinhuisje in en ontfermt zich wekenlang over de jonge zwarte vogel. Hij krijgt de naam Edgar, naar de dichter van het beroemde gedicht The Raven, Edgar Allan Poe.

De dreiging van de aanwezige katten in de buurt hangt voortdurend in de lucht. Edgar krijgt de meer liefkozende naam Kras en Jan weet regelmatig de katten bij hem weg te houden. De vogel wordt steeds zelfstandiger en vliegt al helemaal alleen buiten. Dat betekent ook een groot gevaar. Al die halfwilde katten die er rondzwerven.

Als Jan eind augustus op de tuin komt, hoort en ziet hij Kras nergens. Hij kijkt bij de katten van de buren. Op het dak van het schuurtje. Wel katten, maar gelukkig geen veren. Hij kijkt verder. Je voelt hem aankomen. Hier gaat iets helemaal mis.

Als ik nog zo’n poosje onder de mispel sta, zie ik aan de slootkant van de buurvrouw tussen het eendenkroos iets drijven dat me een schok geeft. Dat is geen donker wakje in het kroos zoals ik nog hoop, maar donkere veren boven het water uit. Ik loop erheen. Daar drijft Krasje. Ik vis hem uit het water op. (297)

Zo’n pijnlijke scene. Pagina’s lang heb je kunnen meelezen in het groter worden van het kauwtje. Voortdurend hangt daar de dreiging van de dood. De passage waarin Jan Wolkers het dode dier bekijkt, voel je de pijn helemaal mee. Hoe het jonge leven bruut verstoord is. De manier waarop Jan Wolkers hier de dood beschrijft, grijpt je bij de kladden. De dood, zo’n allesomvattend thema in het werk van Wolkers. Het krijgt zelfs hier op de tuin zijn eigen plaats.

Dat gebeurt ook veel later als hij zijn vijgenboom plant op de as van zijn overleden kat Voske. De bomen halen de winter niet. Heel voorzichtig haalt hij de dode vijg weg en plant er de tulpenboom die hij krijgt van de botanicus uit Leiden. Een waardige grafboom voor Voske. De boom zal 2 jaar later meegaan naar zijn nieuwe huis op Texel. Samen met het grootste deel van de inventaris van de tuin. Slechts de mispel, de walnotenboom en de zilverpopulier laat hij achter. De tuin zelf lijkt zelf het meeste op een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog.

Slagveld

Het is het leeghalen van de tuin waarmee hij ook in discussie komt met het bestuur van de volkstuinen Amstelglorie. De reden hiervan is de angst dat de tuin hetzelfde lot beschoren is als veel tuinen die zijn overgedaan in de omgeving. De buurvrouw heeft haar hele tuin is om zeep geholpen. Het is een slagveld:

Eerst die mooie rij elzen omgehakt waardoor het lievevrouwebedstro verdwenen is omdat ze de stronken eruit moest laten graven. Nu is het net Verdun 1918. Een treurige loopgraaf. (337)

Dat zijn tuin eenzelfde lot beschoren is, als hij de tuin in 1981 verlaat, bezorgt hem nachtmerries. Hij heeft het huis Pomona op Texel net gekocht, maar kan er bijna niet van slapen wat er met zijn tuin zal gebeuren:

Word iedere ochtend vroeg verkleumd wakker en denk dan meteen aan de tuin. Aan al die planten die we met zoveel liefde daar onder hebben gebracht. Ik moet er dus van gedroomd hebben. De angst hoe we alles voor de schoffel en schop van de mensen die na ons komen kunnen behoeden. (422)

Verdun

In zijn inleiding ‘De kleine Hortus’ bij de dagboekfragmenten over Amstelglorie, schrijft biograaf Onno Blom dat Jan Wolkers zelf de schop en schoffel hanteert als hij zijn volkstuin verlaat. Hij laat een modderpoel achter waar de nijlpaarden zich zouden thuisvoelen. Onno Blom citeert hier bijna eenzelfde vergelijking met het slagveld van Verdun als Wolkers eerder aanhaalt over zijn buurvrouw.

Een huiveringwekkend stukje Verdun, alsof er op die troosteloze kale driehonderd vierkante meter in loopgraven en schuttersputjes verbeten tot de laatste man gevochten was. (24)

Dat is in het voorjaar van 1981. Pas na herhaaldelijk aandringen van het bestuur van de volkstuinvereniging, zegt Jan Wolkers pas op 1 augustus 1981 zijn volkstuintje op. Het is dan de hele zomer leeg gebleven. De schuur staat nog vol rommel en alles ziet er wel slecht uit met veel uitgegraven kuilen en modderpoelen.

Het is het paradijs dat Jan Wolkers verplaatst heeft naar zijn nieuwe woning op Texel. De tulpenboom zal daar uitgroeien tot een grote, imposante boon. Hij maakt er bijna 30 jaar later een prachtige aflevering van in zijn kindertelevisieprogramma over zijn achtertuin.

De liefde voor de natuur is niet minder geworden op Texel. Hier heeft hij de tuin meteen bij zijn huis. Een stap naar buiten en hij wordt omringd door een veelvoud van het grondoppervlak dat hij op Amstelglorie had. Toch is de liefde waarmee hij in zijn dagboek over zijn volkstuin schrijft, niet minder sterk dan de liefde waarmee hij later het kinderprogramma maakt.

Jan Wolkers is nooit meer naar Amstelglorie geweest na zijn vertrek. Hij hoeft niet te weten wat andere bewoners van zijn volkstuin hebben gemaakt. Of het dezelfde wildernis is als hij gemaakt had of dat het een keurig kortgeschoren grasveld is, waarop de tuinmeubels staan en de barbecue met speklappen smeult.

Geweldig verzorgde uitgave

De uitgave van de dagboekfragmenten die Onno Blom heeft verzorgd, is geweldig. Zeker ook met de foto’s waarmee de fragmenten 3 keer worden onderbroken. Ze geven een prachtig beeld van het paradijsje dat Jan Wolkers samen met zijn Karina langs de ring van Amsterdam heeft geschapen.

Wat mij betreft hadden het wel meer foto’s mogen zijn bij de vele verhalen. Jan Wolkers schrijft regelmatig dat ze foto’s hebben gemaakt van de planten en de slakken die ze vinden. De vergelijkingen van het huisje, vind ik heel mooi. Zeker ook omdat ik lang moet kijken wat er met de onderste foto toch mis is. Er klopt namelijk iets niet. Na aandachtig vergelijken met de foto erboven, zie ik het. Aan de hand van het beeld van Venus, valt het op. De foto onderin staat in spiegelbeeld!

Kale tuin

De kale tuin die ik aantref op mijn fietsrit in juni door Amstelglorie, stelt me wel een beetje teleur. Het is heel lekker weer, maar de schrijver die zich in het huisje heeft teruggetrokken, houdt de deur goed dicht. Er is jammergenoeg erg weinig struikgewas om achter te verschuilen. Ik zie de schrijver languit op de bank hangen met een laptop op schoot. Geen deuren open. Niet opgaande in de omgeving.

Ik ben snel verder gefietst. Terug over het bruggetje. Kijkend over de vele slootjes en andere plekjes vol groen. Wat een klein paradijsje aan de rand van de stad, tegen de ring aan. Wat een wonder dat dit helemaal gespaard is gebleven. Ik hoop dat veel schrijvers inspiratie mogen vinden op deze plek. Al hoop ik ook dat de tuin veel meer mag veranderen in een rijke, groene tuin waarin de planten beheerst mogen overheersen.

Jan Wolkers: Amstelglorie, De volkstuin van Jan Wolkers. Geoogst door Onno Blom. Amsterdam: De bezige bij, 2018. ISBN: 978 94 031 1780 5. Paperback. 208 pagina’s. Prijs: € 30,99.
Bestel

Offerte keuken Ikea

Inge is al een flinke tijd beziggeweest met de keuken. Wel of niet in een hoek gebouwd. En welke apparatuur moet erin. Het is veel passen en meten. Uiteindelijk heeft Inge op de website van Ikea de hele keuken ontworpen. Het wordt een Ikea keuken, dat hoort wel bij een Zweeds huisje, vinden wij.

Het is een mooie geworden. Eentje om trots op te zijn. Al vind ik persoonlijk de hoekkast met de pannencarrousel een verloren hoek. Buiten het feit dat ik een verschrikkelijke hekel heb aan een pannencarrousel

Na het intekenen op de computer ziet Inge een dreigend berichtje op Facebook van iemand die zijn keuken net heeft gekregen. Een massa aan dozen met plankjes en greepjes! Onmiddellijk rijst de vraag op: is het wel zo’n goed idee om de keuken zelf in elkaar te gaan zetten?

Daarom gaan we op zondagmiddag naar Ikea om de offerte definitief te maken. We willen het afsluiten met maaltijd in het restaurant en plannen het daarom aan het einde van de middag. We lopen rustig door de winkel naar de keukens toe en schuiven op het afgesproken tijdstip aan bij tafeltje 14.

We bespreken de hele keuken. Inge heeft hem erg goed ingericht op de website, waardoor we slechts een paar kleine dingen hoeven te bespreken. Zo kreeg ze niet de juiste oven in de keuken omdat hiervoor een andere kast nodig was. Ook is er geen mooie afwerkplaat langs de zijkanten van de kasten. De medewerker van Ikea vult dit allemaal voor ons in. Daarna lopen we door de winkel om alle keuzes door te lopen.

Als we klaar zijn, maakt de medewerker de bestelling definitief en lopen wij rond om alle spullen nog eens goed te bekijken. Het ziet er allemaal erg mooi uit op papier. We maken de afweging of het niet verstandiger is om de keuken te laten installeren. Misschien wel. Het wordt anders een karwei van meerdere dagen met het risico dat je het fout doet.

We denken er nog over na.

Daarna lopen we naar het restaurant. We hebben wel zin in iets gekregen. Eerst snel naar het toilet, komen een bekende tegen, maken een praatje. Doris heeft al een tafeltje gevonden, maar als we bij de zelfbediening komen, sluit een medewerker net de ingang. ‘Zijn jullie dicht?’ zeg ik half vol ongeloof. ‘Ja, we zijn dicht’, zegt het meisje stoicijns. Ik ben verbaasd. Het is niet waar! Zondagmiddag half 6 en dicht.

De manager laat ons er niet meer in, we zijn een minuut te laat. ‘Nee, we kunnen je niet doorlaten. Anders gaat iedereen.’ Als iemand anders gewoon langs de hekjes loopt, wijs ik haar erop. ‘Zij wel.’ Gelukkig grijpt ze in. Al vraag ik mij af wat ze gedaan had als ik haar er niet op gewezen had. Ze vertelt ons dat we beneden bij de Bistro maar wat moeten halen.

Best een domper op een feestelijke middag. Ook omdat ik merk dat het Ikea-personeel niet zo flexibel en meedenkend is als de organisatie in haar missie en visie heeft. Iets dat ik ook merkte bij het webcare team toen ik vroeg of de catalogus nagestuurd kon worden. Het levert eigenlijk alleen maar boosheid en frustratie op. Niet doen.

Nog iets dat je niet moet doen, leer ik deze zondagmiddag. Ga nooit op zondagmiddag aan het einde van de middag naar de Ikea als je aan het einde nog wat wilt eten in het restaurant. Anders heb je de hele avond nog honger, want de Bistro is geen goed alternatief.

Ons’ Lieve Heer op Solder

We hadden al eerder het idee om langs Ons’ Lieve Heer op Solder te gaan. Ik vroeg me een beetje af of het zou gaan lukken. Het spelen in De Duif viel wel midden in de openingstijden. Maar ik ontdekte dat we na afloop best nog even langs deze schuilkerk zouden kunnen gaan. Een bijzondere plek in het hart van Amsterdam waar rooms katholieken vele eeuwen hun geloof hebben beleden. Erg bijzonder ook dat dit bewaard is gebleven.

Het heet niet voor niets Ons’ Lieve Heer op Solder, ontdekken we. Wat een trappenwerk. We doorlopen het hele woonhuis van Jan Hartman en maken ook kennis met 17e en 19e eeuwse keukens en bekijken de bedstedes waar de familie in sliep. Soms met een handig luik ervoor zodat het publiek dat naar de kerk ging, het echtpaar niet hoefde te zien, maar wel min of meer door de slaapkamer liep.

De smalle gangetjes en steile trappetjes geven dit huis zijn charme. Al weet je ook wel dat je komt voor de schuilkerk op zolder. Het is indrukwekkend hoe hoog het huis is en wat er allemaal in dit huis verborgen zit. Wat een ruimte en wat een goed gebruik van de ruimte. Een tiny house liefhebber kan er veel inspiratie uithalen. Zeker als je er een tiny kerk bij zou willen bouwen.

De tegels onder de kachel, vond ik werkelijk heel gaaf. Dat wil ik ook in ons nieuwe houten huisje onder de kachel. Dat de tegels zo mooi op de vloer liggen, lichtjes geglazuurd. Misschien zelfs zonder voeg, zoals hier. Dat wordt mogelijk wel heel vies door het vuil dat tussen de stenen gaat liggen, maar het ziet er geweldig uit. Dat il

De kerk bevindt zich helemaal op zolder. Hier heeft Jan Hartman 3 woonlagen samengevoegd op een handige manier door de vloer open te werken in het midden. Zo zijn er galerijen ontstaan waar ook veel kerkvolk kan zitten of staan. Het maakt de ruimte meteen heel groot. De inrichting is heel sober. Het aantal beelden dat te zien is, is niet zoveel. Net als dat alles niet overdadig beschilderd is. Heel sober en subtiel. Erg mooi daardoor.

Waar ik zelf het meest door geraakt word is de Mariakapel. links achter het altaar, in een hoekje bij de trap. Je voelt dat mensen hier in het verleden geraakt zijn. De emotie en het verlangen zie je terug in de afgebladderde verf. Je hoopt dat het nooit zo gerestaureerd wordt als de kas van het orgel in de Oude kerk, met een dikke laag verf. Dat zou zonde zijn en de link met het verleden voorgoed weghalen.

Een indrukwekkend museum waarbij de vrijheid van het geloof sterk tot uiting komt. Dat mensen weliswaar hun geloof mochten belijden, maar wel in het verborgene, komt goed over als je in deze ruimte staat. Het besef dat je in onze samenleving die vrijheid wel hebt. Dat je mag geloven wat je wilt. Ik hoop vurig dat we deze verworvenheid koesteren. Dat je mag zijn wie je bent ongeacht geloof, sekse of ras.

De wallen en Oude kerk

De wandeling terug naar het station, lopen we via de Nieuwmarkt. Het is druk. Veel groepen en als er dan een auto midden op de stoep staat geparkeerd, is er even een opstopping. De zon schijnt werkelijk heerlijk en het lijkt ook wel of iedereen naar buiten is gekomen. Heerlijk weer, de kou is daarbij geen vijand, maar een vriend.

We slaan dan af in de richting van De wallen. Burgemeester Van der Laan kondigde een paar jaar geleden de strijd aan met dit gebied. De criminaliteit dit dit deel van de stad aantrok, was de burgervader een doorn in het oog. Het is nog steeds een toeristische attractie, maar veel panden zijn gesloten. Voor de beleving van de opgeschoten toerist maakt het niet zoveel uit.

Het is een prachtig deel van de stad met de Oude kerk als middelpunt. We gaan even de kerk binnen. Een expositie is aan de gang. Christian Boltanski heeft grote donkere installaties opgetrokken. Huizenhoge blokken, afgedekt met zwarte plastic folie. Het lijken wel grote vuilniszakken. De luchtbewegingen in de kerk zorgen dat het plastic zachtjes deint.

Een bijzondere expositie. Op de grafstenen in het schip liggen jassen. Ze verbeelden de overledenen die in deze kerk leggen. Soms staan er zuilen, een jas met een licht ervoor waaruit een stem spreekt. Ze stellen vragen. Of je alleen bent en waar je moeder is. De ruimte doet de rest.

kIn de verte vanuit de omgang in het koor klinken belletjes. Een continue stroom geluid, opnames van 800 Japanse belletjes op stokken in Quebec. In het koor op de plek waar voor de reformatie het altaar stond, liggen verdorde tulpen. In het koor staan stoelen verspreid met daarover heen jassen en uit alle hoeken en gaten fluisteren stemmen de namen van de overledenen die hier liggen.

Een indrukwekkende expositie die je ook unheimisch maakt. Spooky noemt Doris het en dat is het ook. Je voelt je ongemakkelijk, een klassiek beeld van de dood, terwijl je verlangt naar troost en liefde. De donkere installaties van plastic en de stemmen staan dit teveel in de weg.

Het orgel is in restauratie. De kas is gerestaureerd. De vergulde versieren blinken je tegemoet. Het is bladgoud dat er blinkt. De bekroning met het wapen van Amsterdam is weer vol in de verf gezet. De hedendaagse vorm van restaureren lijkt wel dat oude instrumenten of gebouwen meer blinken dan ze ooit gedaan hebben. Het is meer dan stof eraf halen. Er komt een dikke laag verf tussen toen en nu. Hoe zal dat straks met de klank zijn?

Lees verder over ons dagje Amsterdam: Ons’ lieve heer op solder »

De Duif

We lopen langs de grachten en stappen het Begijnhof in. Dan gaan we op het Spui op een bankje in de zon zitten. We genieten van onze broodjes en kijken naar de vele toeristen die voorbij lopen. Hoe een wagentje van de gemeente het plein schoonzuigt. Een grote stofzuiger waar een grote stofwolk vanaf komt als hij over het plein rijdt en tussen de kinderkopjes het vuil wegveegt en opzuigt.

We genieten van de voorjaarszon. Het vriest, maar het is helemaal niet koud om hier te zitten. De zon doet de rest en warmt je heerlijk op. Als we later langs de plek lopen met Vlaamse frites waar we vroeger altijd een zak patat aten aan het einde van een dagje Amsterdam, gaan wij verder naar De Duif.

Langs de Munttoren in de richting van de Prinsengracht waar we moeten zijn. Voorbij de Amstelkerk, helemaal van hout, vanwaar je al heel mooi de imposante gevel van De Duif ziet. Verstopt achter de hoge bomen, maar door de kale wintertooi is het gebouw goed te zien. De kerk zelf is ook indrukwekkend. Hoeveel ruimte er achter zo’n gevel verborgen zit.

We zijn mooi op tijd. Tijd om te acclimatiseren en de ruimte tot je te nemen. Als ik dan aan de beurt ben om te spelen, geniet ik vooral van de subtiele kanten van dit instrument. Het blijft een bijzonder orgel in Amsterdam, met veel Brabantse elementen erin. Dat komt ook door de lange bouwtijd van dit orgel waarbij de mooie dingen met elkaar verenigd zijn.

Ik moet wennen aan het toucher en de positie van het pedaal. Ik probeer er wat voorbereide werken op te spelen en leer dat je ‘Erbarm dich mein’ echt veel losser moet spelen, anders wordt het zo’n brei. Het beste lijkt Brahms uit de verf te komen, samen met die rustieke verfdoos boordevol met een klankpalet in alle soorten en toonaarden. Een instrument om bij weg te dromen, zelfs als je erop speelt. Het halfuur is zo voorbij.

Lees verder: De wallen en Oude kerk »