Categoriearchief: weesp

Maaltijdsalade in de trein

De enige zitplek in de trein die nog over was, schiep een man door zijn weekendtas op het rekje te leggen. De enorme zwarte tas had naast hem gelegen, maar de menigte die in Weesp instapte, dwong hem plaats te maken. Op het tafeltje waaraan hij zat, lag een enorme bak met een maaltijdsalade. De blauwe 2 letters van een groot supermarktketen prijkten overal op de plastic bak.

Naast hem zitten

Ik ging naast hem zitten. Er was nergens anders ruimte. De jongen die voor mij liep, wachtte even, maar ging verder bij het zien van de salade. Ik was zo blij met de plek na al de vertraging en het uitvallen van een trein, dat ik er ging zitten.

Vork in plastic

Weldra stak de man naast mij de vork die hij bij zich had in het plastic. Een dominante lucht van de zalmsalade vulde de ruimte. Blij dat ze niet meer in die bedompte bak hoefde te zitten, maar de vrije ruimte kreeg. De man viste het zakje met dressing voor de salade uit de bak, trok aan de bovenkant, maar hield slechts een plukje plastic vast. Het zakje zat nog dicht. Hij begon te trekken en te sjorren aan het zakje met de smurrie, maar het bleef potdicht zitten. De inhoud mocht er blijkbaar niet uit.

Tussen de tanden

De man gaf het niet op. Daarvoor was de dressing te lekker en de salade te duur. Hij klemde het zakje tussen zijn tanden en probeerde het los te trekken. Opnieuw was er geen beweging in te krijgen. De inhoud gaf zich niet prijs. De man pakte zijn vork en drukte een spie in het zakje. Het gat dat hij maakte, probeerde hij groter te maken. Maar toen hij de dressing over zijn salade wilde gieten, kwam slechts een uitermate dun straaltje van het spul uit het zakje. Opnieuw drukte hij zijn vork erin en trok aan het zakje. Dit moest een keer fout gaan, de vlekmakende inhoud zou er een keer uitkomen, maar zou hij het vette goedje goed kunnen spreiden over de sla en zalm in de bak?

Sauskledder

Hij drukte opnieuw in het zakje, een kledder saus vloog door de lucht en belandde op de broek van een medereiziger. Op zijn broek hadden zich op de knie 2 druppels gevormd die langzaam naar beneden zakten. Ze lieten een spoor van vettigheid na. De man drukte in zijn zakje, perste de helft eruit en gaf de strijd op. De belandde in de prullenbak onder het tafeltje.

Niks in de gaten

Nu zag de salade-eter de vlekken op de broek van zijn medereiziger. Deze had niks in de gaten. Hij was helemaal verdiept in zijn blackberry en kraste met zijn pen op een touchscreen. Niemand zag het, behalve de salademan en ik. De salademan mengde met zijn vork de dressing met de salade. De zalmlucht verspreidde zich nog sterker in de ruimte. De vrouw tegenover mij keek even verstoord op van de penetrante geur die het bakje gaf.

In de maag

De salademan zat toch in zijn maag met de door hem veroorzaakte vlek. Zeker ook omdat ik zo indringend naar de zakkende druppels kreeg. Ze lieten een donker spoor na op de spijkerbroek. Het spoor was zeker enige centimeters lang. De salademan tikte tegen de sausvrije knie van het dressingslachtoffer. Verstoord keek de man op van zijn blackberry en keek zijn medereiziger aan. Hij tuurde over de bril heen, die wat gezakt was bij het werk op zijn kleine zakcomputer. ‘Meneer’, zei de salademan. ‘Voor mijn gevoel ging er wat saus over uw broek heen.’ De man keek hem geĆ«rgerd aan en wuifde snel met zijn hand. Hij mompelde iets onverstaanbaars en keek weer op zijn schermpje. Het pennetje kraste nog iets uitdrukkelijker over het scherm.

Hap

De salade-eter nam een hap van de salade. De croutons kraakten in zijn mond, de zalmlucht walmde uit de bak. De damp leek wel een oliebron die nooit zou stoppen met stromen. De man staarde bij het kauwen naar buiten. De huizen van Almere Poort rezen uit de grond. Iedere dag kwam er weer een paar meter beton bij. Het nieuwe stadsdeel leek iedere dag een straat rijker te zijn. De laatste kiepwagens met zand reden weg, een vrachtwagen met betonmolen keerde terug van de bouwplaats.

Almere Muziekwijk

De trein minderde vaart, station Muziekwijk. Het voertuig stond al stil toen de man met de blackberry zijn zakcomputertje wegstopte, de tas van zijn schoot haalde, opstond en naar de uitgang liep. Even rook het nog iets sterker naar zalm, maar de lucht stabiliseerde zich snel. De jongde roerde weer wat in de bak en nam een hap.

Televisiehelden

Station Weesp, zondag aan het einde van de middag. Het lijkt al het holst van de nacht, zeker ook omdat de wind tussen de benen gluurt en schuurt. De trein vertrekt vlak voor mijn neus en ik trek de deur open van het wachthokje. De deur voelt op een of andere manier heel zwaar en kraakt in zijn scharnier.
Als ik op het ijskoude stoeltje zit en de koude via mijn billen naar binnen voel trekken, stapt de rest van de overstappende reizigers het hok binnen. De ramen hadden er net zo goed niet in kunnen zitten, want overal is het guur.

Een jonge vrouw staat met een meisje in haar armen. ‘Mama, ik heb je gemist’, zegt het meisje. Haar capuchon heeft een kraagje van nepbont. De trots van moeder straalt warmte om zich heen. Ze zet het meisje neer. Ze leunt met haar rug tegen de deur en laat de deur zachtjes klapperen. Ik zie het meisje, de dikke lippen en grote ogen doen mij direct denken aan Rudy uit de familie Huxtable. Haar blik werkt vertederend, net als het filmsterretje uit de Amerikaanse serie van de jaren tachtig.

Ik laat me meevoeren door het boek dat in mijn schoot opengeslagen ligt. Portugal en de warmte lachen mij via Komrij toe. Hoe leuk kan collecteren voor een kapel zijn. Bij Komrij lag je de tranen en krijg je de tuiten er gratis bij.

Als de trein is binnengereden en ik met jas en al mijn boek weer opensla, kijk ik op. Ik zie een grote bril, een onverzorgde baard en een buik die boven een tricotbroek zweeft. Weer een televisieheld bekruipt mijn gedachten: vader Jim Royle, van een andere familie, de Engelse Royle Family!

Gehaald bij het missen

‘Dat gebeurt bij deze trein altijd’, had ze kwaad gezegd. Ze droeg een gebreide muts en zocht een medeslachtoffer. In mij vond ze die niet, ik trok mij direct terug in de stinkende wachtruimte.

De man die in de vorige trein tegenover mij had gezeten, was iets gewilliger. Zijn knieen stonden licht gekromd, de benen steunden een beetje stuntelig op een paar wandelschoenen. Aan weerszijden van zijn kale knikker stonden verwaarloosde bossen haar. Zijn uitstraling deed me iets aan Maarten ’t Hart denken. Hij bladerde toen hij nog tegenover mij zat in een tijdschrift waarbij hij wat langer stopte bij een kop over pixels die je voor de gek zouden houden. Geen schrijver, maar misschien wel een fotograaf.

Nu stond hij bij de dame en knikte als ze een paar woorden gesproken had. Ik bedacht ineens dat het natuurlijk heel mooi zou zijn als twee eenzamen elkaar zo troffen. Daar kan geen datingsite op internet tegenop. We misten de trein, maar haalden elkaar.