Categoriearchief: wedstrijd

De schreeuwende stilte

Zo’n droom: eens de Jan Hanlo Essayprijs binnenhalen. Ik stuurde dit jaar mijn bijdrage over het onderwerp: de stilte. Een prachtig onderwerp waar ik veel mee heb. Naast mij stuurden 120 anderen een essay. Ik behoor helaas niet tot de genomineerden. Vanavond is de uitreiking van de prijs. Ik ben heel benieuwd naar de winnaar.

Toch wil ik graag mijn bijdrage graag delen, vandaar dat ik hem hier publiceer. De titel luidt: De schreeuwende stilte. Ik wens je veel leesplezier.

Heb je opmerkingen om mijn essayschrijfkunst te verbeteren en volgende keer meer kans te maken? Laat gerust een berichtje achter in de comments. Dan droom ik ondertussen even verder.

De schreeuwende stilte

Laten we beginnen met een korte wandeling. Gewoon een klein rondje naar het nabijgelegen park en terug. Het is een loopje van een kwartiertje op een mooie zomermiddag. We houden onze mond en stappen het huis uit. Er vliegt een vliegtuig over. Op de parkeerplaats achter het huis, start een auto. We horen het suizen van een airconditioning bij het huis van de buurman. Verderop parkeert een vrachtwagen met een piepend signaal achteruit. We steken de weg over. Een aantal auto’s passeert ons. Eentje claxonneert omdat we volgens hem te nonchalant oversteken. We komen bij het fietspad. Een elektrische fiets rijdt voorbij. Bij elke trapbeweging die de fietser maakt, klinken de hoge gillen van de aandrijving. Een scootmobiel zoemt ons tegemoet. Het is druk op het fietspad, een opgevoerd brommertje passeert ons met een knallende uitlaat.

We lopen het park in. Het ligt bij een spoorwegviaduct. Er dendert een trein overheen. Nog een vliegtuig vliegt over. Het is de vijfde in de paar minuten die we nu lopen. Als je omhoog kijkt, zie je de volgende aan komen vliegen. Het is blijkbaar een drukke vakantiedag met veel vakantiegangers van en naar een midweekje Majorca of Turkije. Aan de andere kant van het park loopt de rondweg. Een voortdurend geraas, geknor en gepruttel van auto’s en piepende remmen bij het stoplicht. Gebrom van de stilstaande stationair draaiende auto’s. De twee tonen van een ziekenwagen die er langs moet, meteen gevolgd door de sirene van een politiemotor. Je kijkt te laat op om ze te zien, maar je hebt ze al gehoord.

We lopen weer terug naar huis. Twee honden rennen blaffend achter elkaar aan. Hun baasjes roepen. Een groepje mensen zit te picknicken op het gras en praat. Er klinkt een dreun uit de grote speaker naast de picknickmand. Vanuit het buitenzwembad achter de rondweg, klinkt gegil en geplons. Weer terug in de wijk, passeren we de buurman die zijn heg aan het snoeien is met een elektrische trimmer. De man ernaast is met zijn grommende grasmaaier in de weer. Een meisje loopt langs ons. De koptelefoon die ze draagt, tikt en jammert. Uit het huis iets verderop giert een boor door de betonnen muur. We zijn bijna thuis. Opeens barst vanuit het stadscentrum luide muziek los. Hard bonken en hoog jengelen; er is een festival begonnen. We slaan opgelucht de deur achter ons dicht. Eindelijk rust. We horen het bonken van het festival binnen doorgaan, maar als je er niet teveel oplet, dringt het niet tot je door. Net als de wasmachine die boven aan het centrifugeren is, de droger die draait, de koelkast die bromt en de brandmelder op zolder die waarschuwend piept. O ja, daar moet een nieuw batterijtje in. Het ding piept nu al een hele week elke dag een paar keer.

Allemaal alledaagse geluiden die ons de hele dag omringen. Zelfs als we in bed liggen, horen we het suizen, zoeven, piepen, rommelen, grommen en brullen van alle apparaten, voertuigen en machines om ons heen. Wees maar eens stil en luister. Het zal je verbazen wat je allemaal hoort. En vrijwel alleen hoor je geluid dat de mens met al zijn apparaten maakt.

Ander geluid

De rest heet stilte. Geen absolute stilte. Het is meer een ander geluid, zoals het fluiten van de merel op het dak van het huis, de burlende edelherten uit het naburige natuurgebied, de schreeuw van de reiger als hij over het huis vliegt, de gil van de nachtuil in de warme zomernacht.

Lawaai is meer dan lawaai. Het staat symbool voor de onrust van de moderne mens. Zo is vakantie voor veel mensen niet compleet zonder weggaan. En dan niet de achtertuin of de Veluwe. Nee, de reis moet naar het buitenland met het vliegtuig. Toerisme is goed voor de portemonnee en die nieuwe camper is nodig voor de economie. Het moet mooier en grootser. De weelde smacht altijd naar meer met bijbehorende apparaten.

Stuk voor stuk produceren al die apparaten hun eigen karakteristieke geluiden. Het ene nog gekker dan het andere; een kleine analyse alledaagse geluiden: de pelletkachel zoemt, de ventilator suist, het koffieapparaat bromt, de luchtververser loeit, de computer blaast, de warmteboiler tikt, het mobieltje trilt, de laptop begint ineens muziek af te spelen en de telefoon rinkelt of musiceert. Allemaal geluiden die elk moment van de dag te horen zijn. Niet altijd allemaal gelijktijdig, maar wel in verschillende combinaties. Bij het koken formeren bijvoorbeeld de waterkoker, de afzuigkap, de inductiekookplaat en de oven zich tot een gezamenlijk koor, waarbij de koelkast met zijn ondertoon begeleidt.

Kan het nooit eens stil zijn!

Onevenredig

Het verlangen naar rust en concentratie zoeken we in de natuur. Heerlijk uitwaaien. Maar ook in de natuurgebieden is een onevenredige drukte. Maak maar eens fietsritje door de Utrechtse Heuvelrug. Geen wild dier te zien, maar de mensenmenigte vergezelt je overal. Voor je, naast je, achter je en boven je; overal zitten ze. Als het ratten waren, sloeg je doodsangsten uit. Sommige winkelstraten zijn rustiger dan wat je in het bos aantreft op een mooie zomerdag. En bij alles vergezellen die mensen zich met hun apparaten, die als een perpetuum mobile om hen heen dralen en draaien. De mens waar alle apparatuur omheen cirkelt als de ringen en manen bij een planeet.

De mens omringt zich nou eenmaal graag met geluiden. De verslaving aan apparaten en de bijbehorende energie die nodig is om de apparaten aan de praat te houden, hebben de druk die de mens continu uitoefent op de aarde blijvend verandert. Elke roep om iets te doen aan die voetafdruk, krijgt direct een antwoord van de apparaten. Hoe harder we om de stilte vragen, hoe harder het lawaai brult om het stille protest te overstemmen. En wie het hardste schreeuwt, wordt gehoord.

De oproep om minder te gebruiken, strandt dan snel in een heilig voornemen. Eigenlijk gebruiken we alleen maar meer. De vraag om te verstillen en de rust meer ruimte te geven, werkt zelfs tegenovergesteld. In plaats van de meest logische oplossing – minder apparaten – zijn er alleen maar meer en energieslurpende lawaai-apparaten bijgekomen. De oplossing in de techniek zoeken, is tot op heden vruchteloos. Een apparaat bestrijden door een ander apparaat te maken, lost namelijk niks op. Sterker nog: het nieuwe apparaat functioneert naast het apparaat dat het zou moeten vervangen. Het zadelt ons uiteindelijk op met meer apparaten.

De hoeveelheid apparaten om ons heen is zodoende explosief gegroeid de laatste 20 jaar. Neem bijvoorbeeld de bezem. Deze is vervangen door de bladblazer; het meest nutteloze apparaat dat er bestaat. Bladblazers maken geweldig veel kabaal en stinken verschrikkelijk. De mensen die ze bedienen, dragen gehoorbescherming, maar de rest van de omgeving moet dit geluid maar verdragen. En na afloop van het karwei legt de wind de blaadjes allemaal weer waar ze lagen.

De gratie van lawaai

Al die apparaten bestaan bij de gratie van het lawaai dat ze maken. Er ligt een rechtstreeks verband tussen het imponerende van een apparaat en het geluid dat hij verspreidt. Geluid verbindt het ego van de mens met het apparaat. Een auto moet lawaai maken. Als het te stil is, ervaart de bestuurder het niet meer als autorijden. Er zijn zelfs elektrische auto’s waarbij het geluid van de draaiende motor uit de boxen kunstmatig wordt opgewekt. Uit verlangen van de bestuurder; hij wil iets horen als hij het gaspedaal indrukt.

Veel van die apparaten stralen agressie uit. De herrie, de snelheid en het supersonische moeten imponeren. Sterker nog, ze moeten slachtoffers opleveren. Het is de agressie die ervoor zorgt dat iemand met veel lawaai alle ruimte krijgt. Het is niet sociaal om de wereld tegemoet te treden met veel kabaal, maar het is wel algemeen maatschappelijk geaccepteerd. Een auto krijgt altijd voorrang. De voetganger en fietser wachten netjes op hem. Anders moeten ze het met het ziekenhuis of de dood bekopen. Een vliegtuig mag zonder schaamte over je huis vliegen, ook al lig je erin te slapen of op sterven. Het lawaai gaat onverminderd voort en maakt geen uitzondering voor ras, geloof of geslacht. Het vliegt over omdat het nu eenmaal mag overvliegen.

De toestemming om dit te mogen doen, ligt besloten in het recht dat de herriemakers zich toeëigenen. Ik mag er langs omdat ik veel kabaal maak en gevaarlijk ben. De rust van een ander hoor je niet als je zelf veel herrie produceert. Je hoort weinig vanuit een auto. Je sluit je letterlijk af van de buitenwereld. Zeker als je daarbij ook nog in je ingeblikte domeintje eigen geluiden produceert uit de luidsprekers in de vorm van muziek.

De tegenhanger van dit alles is de rust. Zij is niet opgewassen tegen al dit lawaai. De stilte zwijgt. En wie zwijgt stemt toe. Stilte is de kracht van de stilte, maar ook haar zwakte. Als je niet van je laat horen, hoort niemand je. Het is de hele maatschappij die ervan doordrenkt is. Opkomen voor jezelf, veel kabaal maken, jezelf op het podium zetten; dan ziet en hoort iedereen je. Je moet de ruimte opeisen, anders krijg je hem niet. Dus vlieg maar door de lucht van een ander, rij maar hard door de straten en gil maar heel luid op een stille Dam. Het mag. De stilte antwoordt niet. Zij krijgt het zwijgen opgelegd en is doorbroken op het moment dat de lawaaimaker komt.

Afsluiten

De remedie tegen al die herrie is de koptelefoon. Sluit jezelf van de wereld af en maak je eigen geluid. Of maak de stilte en zet een koptelefoon op met ‘noise cancelling’; een tegengeluid zodat je het hinderlijke geluid niet meer hoort. Of prop miniboxjes in je oor waarmee je de herrie om je heen bestrijdt met je eigen kleine herrie. Dicht in je oor verstopt. Zo heeft niemand er last van. Denk je. Maar er is weinig hinderlijker dan iemand met van die oortjes of een koptelefoon waar een jengelend, kloppend of tikkend gedreun uit komt in een volle trein. Hij ziet, hoort en voelt niks anders dan de tsunami aan geluid waarmee hij zichzelf laat overstromen.

Maar hinderlijk of niet, kijk eens rond op straat. Overal mensen die lopen en fietsen met oortjes in hun oren. Met of zonder draad, oortjes zorgen ervoor dat je bent afgesloten van de buitenwereld met haar verscheidenheid aan geluiden. Je loopt of fietst rond in je eigen bubbel. Werp maar eens een vluchtige blik in de kantoortuin. Het zal je opvallen hoeveel collega’s een koptelefoon of oortjes dragen. De oortjes vergroten de onbereikbaarheid. Ieder leeft in zijn eigen gesloten wereldje. Maar geluid met tegengeluid bestreden, geeft geen stilte. Het bespaart je ander geluid.

Het blijft niet bij een tegengeluid direct in het oor. De reactie komt op een andere manier. Ieder mens reageert anders op geluid. Er zijn twee bewegingen waarop de Middeleeuwse mens reageert op problemen waar ze geen of weinig invloed op heeft, schrijft Hella Haasse in haar historische roman Het woud der verwachting: die van schuldbesef en boetedoening aan de ene kant en die van uitbundigheid en ongeremdheid aan de andere kant. Dat zie je ook in de reactie van de hedendaagse mens op problemen.

De moderne mens die zich onderdompelt in schuldbesef en boetedoening, denkt dat wij zelf deze toestand veroorzaken. Het is een straf van God of de natuur. De apocalyps voltrekt zich niet in één dag, maar is een geleidelijk proces van tientallen, misschien wel honderden jaren. Het eindresultaat is niet een wereld die vergaat, maar de mensheid die langzaam ophoudt te bestaan. Ga daarom nu nog aan de slag, voor het te laat is. Je kunt er nog iets aan te doen. Al weten we dat deze boodschap al tientallen jaren geroepen wordt, is het misschien al niet te laat?

Vandaag nog beginnen, is de boodschap. Maar in de praktijk lijkt het onmogelijk om echt iets te beginnen. Alleen het gat in de ozonlaag is effectief teruggedrongen door andere giftige drijfgassen te gebruiken. Maar de meeste milieuproblemen zijn niet of beperkt opgelost. Het is nog niet te laat, roept David Attenborough in zijn Netflix-documentaire Our Planet uit 2019. Maar het is om moedeloos van te worden. De boetedoeners proberen nog zuiniger te leven. In elk geval met meer schuldgevoel. We moeten zuiniger op de planeet te zijn. We hebben er maar één van, maar we doen alsof er een nieuw rijtje planeten op ons wacht voor als deze bedorven is.

Het is allemaal koren op de molen voor die andere groep: de uitbundige levensgenieters. Zij zien alle reden om nog achtelozer met de wereld om te gaan. Waarom duurzaam als de wereld binnenkort onleefbaar is? Dan kunnen we er beter nog wat meer van gaan genieten en ons helemaal te buiten gaan. Dat we mogelijk een onleefbare wereld achterlaten voor onze kinderen, is pech. In je eentje het onomkeerbare proces stuiten, is onmogelijk. Dan kun je er het maar beter van nemen.

Het stille paradijs

Het paradijs is er wel. Je moet het wel zelf zien, horen en voelen. Bij zo’n wandeling door het park bijvoorbeeld als waarmee we zojuist begonnen. Het zijn dan de kleine dingen die ertoe doen. Wat wekt bijvoorbeeld meer verbazing dan een bij nectar te zien verzamelen uit een bloem? Het gebeurt met een efficiency van miljoenen jaren evolutie. Daar kan geen uitvinding tegenop. Het is de perfecte manier om de bloem te bestuiven en met een techniek die verfijnd is door de miljoenen jaren heen. Het gaat om minimale veranderingen met een maximale verbetering: het overleven van de soort.

De samenwerking met de natuur is de oplossing van het probleem. De mens die zijn plek op deze aarde weer vindt en ruimte geeft aan de natuur waarmee hij leeft. Een plek waarin ook stilte is en de mens niet overheerst. Een evenwicht met de omgeving en de natuur. Hierin zou de mens niet altijd leidend mogen zijn, maar durft hij zich over te geven aan de grillen van de natuur. Het huis als onderdeel van die natuur, compleet met planten, dieren, bacteriën, virussen en andere uitdagingen. Alleen zo is de mens in balans. Onze apparaten en geluiden hoeven ons niet altijd te omringen, maar we zijn in interactie met onze groene omgeving.

Het gebruik van apparatuur zou hierbij ook in evenwicht moeten zijn. Een leven met wat er nodig is om te leven. Niet aangestuurd door begeerte en verlangen zoals nu in een door marketing gedreven samenleving, maar door wat je nodig hebt om te leven. De natuur voor stillen die genoeg hebben aan stil. Waarbij het pas echt stil is als de mens stil is.

Voorlezen – #50books

Voorlezen is heerlijk om te doen, maar het is ook heerlijk voorgelezen te worden. Vooral kinderen worden veel voorgelezen, maar als een verhaal goed voorgelezen wordt, kan dat een volwassene eveneens ontroeren.

Zo raakte ik getroffen door een fragment bij Zomergasten waarbij Jan Wolkers voorleest uit De Walgvogel. De taal verandert bij het voorlezen. Je hoort duidelijk waar hij de inspiratie vandaan heeft gehaald: je hoort de taal van Jesaja en Jeremia. Het is geen proza meer dat je hoort, maar poëzie.

Het voorlezen van gedichten – dat dan ineens voordragen heet – geeft dezelfde ervaring. De klanken krijgen een nieuwe betekenis. Lucebert is een dichter die werkelijk prachtig kon voordragen. Het gedicht ‘Het laatste avondmaal’ is overdonderend in zijn voordracht. Het werkt inspirerend om zo naar de gedichten van hem te luisteren.

Misschien helpt het mee om de gedichten op wolkenhemel toegankelijker te maken door ook een paar voor te dragen. Al vind ik zelf dat ik niet mooi kan voordragen. Ik vind het leuk om voor te lezen of een gedicht hardop te lezen, maar ik vind niet dat ik het heel mooi kan doen.

De verhalen van Dickens komen helemaal tot leven als ze voorgedragen worden. Echt genieten om te luisteren naar ‘The Great Winglebury Duel’ uit Sketches by Boz. Ik ben nog op zoek naar de hele voordracht van Roy Macready. De voordracht brengt het verhaal helemaal tot leven. Zo wil ik wel luisteren naar een verhaal.

Voorlezen hoort bij de opvoeding. Het mooiste moment bij het voorlezen dat ik meemaakte als ouder, was dat het boek van schoot wisselde. Ik las haar niet meer voor, maar zij las mij voor uit Jip en Janneke.

Of het verhaal dat ze laatst op school voorlas uit Meester Jaap. Ik was ontzettend trots en liet af en toe een traan los van ontroering. En voor mij heeft zij nog steeds gewonnen!

Dit is het antwoord op vraag 42 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

Voorlezen en opvoeden – #WOT

doris-leest-voor-op-voorleeswedstrijd-schoolVoorlezen hoort bij de opvoeding. Ik lees Doris al voor toen ze nauwelijks een boek kon vasthouden. Nu leest ze zelf, maar ik lees nog elke avond een verhaal voor. Deze weken lees ik de belevenissen van Meester Jaap voor in zijn klas.

Voorleeswedstrijd

In de klas won ze deze week samen met een klasgenote de voorleeswedstrijd. Vanmiddag mocht ze de strijd aangaan met de kinderen uit de andere groepen 5 en 6 van de school. De kinderboekenweek kreeg zo een extra dimensie voor haar en haar klasgenootjes.

Ik mocht erbij zijn. Doris las haar verhaal voor. ‘Meester Jaap eet een plant’ van Jacques Vriens. Een leuk verhaal over Johan die de verleden tijd niet snapt. Aan de hand van een toneelstukje maakt hij kennis met het verschil tussen de tegenwoordige en verleden tijd.

Flink geoefend

Ze had flink geoefend de afgelopen weken. Vanmiddag las ze het erg mooi voor, zonder fouten, met mooie accenten. En in een goed rustig tempo. Ik voelde mij ontzettend trots en filmde het optreden met mijn fototoestel. Het optreden ontroerde mij. Ik kon mijn tranen nauwelijks bedwingen.

Voor mij was ze de prijswinnaar. Natuurlijk ben je als ouder bevooroordeeld. Ik hoorde de anderen en vond hen beduidend minder goed. De jury van vier kinderen en de conciërge waren een andere mening toebedeeld.

Dat kon mij en Doris niet meer het bijzondere optreden afnemen. ‘Volgend jaar ga ik het weer proberen’, zei ze terwijl ze op het bankje zat.

Lenteloop

De zon nodigt uit voor een rondje langs de Lepelaarsplassen, het Wilgenbos en via het Hanny Schaftpark naar huis. Bij de Noorderplassen ontdek ik dat er een wedstrijd was. In mijn mailbox stond het een paar weken geleden al: de Lenteloop van atheliekvereniging Almere ’81.

Bij de Noorderplassen is het een klein stukje dat ik de route doorkruiste. Ik hol heerlijk in de richting van de natuur. Ik ren de dijk op bij het gemaal. Een auto keert op het fietspad, beneden haalt iemand net vogeltjes uit een net dat gespannen stond tussen 2 palen. Verderop is een markt. Boven het kraampje links vormen hoofdletters het woord ‘honing’. De potten ‘Van het een of ander’ staan opgestapeld onder het woord.

Voorbij het sportpark haak ik weer in de route van de Lenteloop. Langs mij rijden 2 rolfietsers met hoge snelheid. ‘Wil je water Jan?’ vraagt de ene fietser aan de andere. ‘Hoef jij dan niet?’ ‘Nee, ik heb water bij me.’ Ze vliegen laag over de grond met hun rolstoelfietsen. Jan laat zijn wiel even los om het bekertje te vangen. Water klotst over de randen heen op het fietspad.

Wat verder ren ik uit de route en kom er bij het beklimmen van de brug over de vaart weer in. Dit keer ren ik tegen het verkeer. Bezweet hollen ze mij tegemoet. Op het bordje staat ‘8’. Ik zie het pas als ik het voorbij ben en mij omdraai.

Achter elkaar aan komen de renners mij voorbij. Soms haalt een achterligger zijn voorligger in, maar vooral blijven ze keurig achter elkaar. Gericht op het persoonlijke record. Als het moet halen ze iemand in. Alleen als het echt moet. Ik passeer bij het Hanny Schaftpark het volgende bordje. Er staat op: ‘7’.

Ik herken de hollende massa. Een paar jaar terug rende ik alle lopen van Flevoland, ook de Lenteloop. Ik doe het niet meer. Ik ren mijn eigen wedstrijd. Het voorjaar brult en juicht de overwinning. Ik geniet van de eenzame training. Altijd de eerste plaats. De zon huldigt mij. Ik ben thuis.

Computer of mens?

Is de computer slimmer dan de mens? Het bericht van de computer die een mens verslaat, slaat in als een bom. Al is het een spelletje, het roept wel weer een oude en vertrouwde discussie op. De gedachte aan computers als zelfdenkende wezens die langzaam meer en meer macht naar zich toetrekken en daarmee de wereld veroveren. Het angstbeeld sloeg in het verleden regelmatig toe, maar nu hoor je er weinig mensen meer over.

Als kind had ik een vriendje dat helemaal wild was van alles wat techniek, computers en kennis betrof. We zagen elkaar weinig, maar soms logeerden we bij elkaar en dan konden we ons in allerlei discussies begeven. Het was ergens in de tijd dat computers in huis nog niet waren. Iemand als Chriet Titulaer vertelde over de technieken en de komst van computers in huishoudens en het leven van de alledaagse mens.

Hij vroeg mij eens wie er slimmer was: de mens of de computer. We waren allebei filosofisch ingesteld, hij wat sterker technisch georiënteerd, ik wat meer gedacht vanuit het verhaal. Want als een computer inderdaad meer wist dan een mens, dan legde de mens het altijd af tegen zijn zelfgemaakte product. Hij was immers de maker van het product. Dan kon hij nog altijd de stekker eruit halen.

Ik kan dat nog steeds niet geloven. Computers ontbreekt nog altijd een wezenlijk element: gevoel. Al werken ontwikkelaars hard aan een robot die reageert als een dier en bijvoorbeeld bij strelingen heel vertederend kijkt, of zachte geluidjes maakt. Ondanks dat is de echte robot met gevoel er nog altijd niet.

Wat er wel gebeurt en in die zin wel verontrustend is, is dat computers een steeds belangrijkere rol in ons leven vervullen. We leven voor een groot gedeelte in een virtuele wereld, een wereld die uit letters, enen en nullen bestaat. Een wereld die niet eens in papier is uit te drukken. We schrijven en lezen meer mails dan ooit en zijn daar een groot deel van de (werk)dag mee bezig.

De kachel gaat via een computer aan en uit, de trein rijdt niet alleen op stroom, maar op een computer. De mens zit soms alleen nog aan het stuur, maar als de computer uitvalt, rijdt de trein niet. Zo wordt ons leven meer en meer beheerst door computers en in die zin is de computer het aan het winnen van de mens. Zonder stroom doet een computer het niet, zonder computer doet een mens het niet…

Of heb ik het toch mis? De mens kan nog altijd de stekker eruit trekken. Op het moment dat dat niet meer kan, dan heeft de computer het echt gewonnen van de mens…

Dierendag – Het kikkerpoeltje

De kikkers bij het kikkerpoeltje in mijn achtertuin (zoek de echte)

Speciaal voor dierendag. Iedereen is bezig met de huisdieren: het konijn, de kat en de hond. Maar vergeet vooral de echte huisdieren in en rond het huis niet: ratten, muizen, kikkers, eenden, mussen, spreeuwen en huisstofmijt.

Speciaal voor een online tijdschrift schreef ik een tijdje geleden een blogje over de kikkers in mijn tuin. Het werd jammergenoeg niet meegenomen. Blijkbaar waren de bijdragen over de tuin van anderen interessanter. Iedereen zijn goed recht. Omdat ik het zonde vind dit stuk te laten voor wat het is, zet ik het speciaal voor de dierendag hier op mijn blog.

Het kikkerpoeltje

Mijn moeder houdt meer van de tuin dan van tuinieren. Zo is ze erg dol op akelei. Ze plant het werkelijk overal. Haar tuin is dan ook een overwoekerd stuk grond waar het recht van de sterkste heerst. Aan de rand van deze wildernis staat een zinken gieter. Mijn moeder haalde een keer de plant uit de gieter en schrok zich rot. Een eveneens geschrokken kikker sprong recht omhoog in haar richting. Onderin de gieter zat een flinke waterplas waarin het dier ongestoord leefde. Geen vijand kwam op het idee een kijkje in de gieter te nemen. Totdat mijn moeder keek.

De tuin van mijn ouders bleek een heus kikkerparadijs. In de akeleiwildernis verscholen ze zich. Mijn moeder was dan wel bang voor kikkers, maar ze merkte dat de dieren ook hun nut bewezen. Geen slak was er meer in de tuin te vinden. Vandaar dat de akelei ook zo welig tierde. Om de kikkerkolonie nog meer levensruimte te geven, plaatste mijn moeder een speciekuip in de tuin. Ondanks al deze tegemoetkomingen blijft mijn moeder als de dood voor deze dieren. De buurman heeft al eens een kikker uit de keuken moeten halen. Ze was alleen thuis en durfde het dier dat in paniek naar binnen was gesprongen niet weg te halen.

Mijn eigen achtertuin bezit ook veel kikkers. Onder de planten verschuilen zich veel kikkers en padden. Een tijdje terug vond ik dat het tijd werd voor een eigen kikkerpoeltje. Ik haalde een speciekuip bij een tuincentrum en groef een even diep gat in het breedste stuk van de tuin. Het water voor in de kuip haalde ik uit de gracht voor het huis. Onderin legde ik wat zand en stenen voor de kikkers. Ik kocht wat waterplanten en het poeltje stond als een huis.

Nu wonen twee kikkers en wat kleinere kikkertjes in dat huis. De grote kikker noemen we thuis Meneer, de kleinere heet Mevrouw. Ze zitten vaak op rand van de poel, bij het akelei dat ook mijn tuin verovert. Als het warm is, duikt Meneer in het water. Hij spreidt dan zijn voorpootjes en steekt zijn kop net boven het water uit. Als je hem zo ziet zitten, lijkt het net Kermit de Kikker die geniet van een welverdiende vakantie. Mevrouw in de buurt, maar op een gepaste afstand tussen het akelei.

Een tijdje terug kwam mijn vrouw ’s morgens beneden. Het was een dag eerder een warme dag geweest en de achterdeur had de hele dag opengestaan. Ze wilde de hond naar buiten laten gaan. Hij stond te dringen bij de deur. Op de drempel voor de dichte deur zag mijn vrouw meneer Kikker zitten. Ze schrok niet. Het dier zat er ook zo rustig, of hij wachtte tot hij buitengelaten zou worden. Mijn vrouw opende de deur. De kikker kwam traag in beweging, stapte van de deurpost en liep op zijn dooie akkertje de tuin in. In de richting van het akelei, naar zijn poeltje.