Categoriearchief: universiteit leiden

Litnet – Van boekenhuis naar cultuurhuis

litnetKomende vrijdag lever ik een bijdrage aan het symposium: Digitaal Afrikaans: Internet en de Afrikaanse literatuur. Ik mag iets vertellen over het Zuid-Afrikaanse Litnet waarvoor ik sinds 2001 schrijf.

Ik sta stil bij de vraag wat dit digitale medium kan betekenen voor Nederlandse studenten en geïnteresseerden in de Zuid-Afrikaanse letterkunde.

Litnet is opgericht in 1999 door Etienne van Heerden. Op 11 januari 1999 ging de website online als een ‘aanlyn-boekejoernaal’. Het kreeg de veelzeggende ondertitel ‘die boekehuis met baie wonings’ mee. De voertaal was Afrikaans, aangevuld met artikelen in het Engels, Nederlands en Xhosa.

Al vrij snel verviel het woord boeken. Nu pakt de website het veel breder en omvat het onderwerp ‘cultuur’. Naast het huis met de vele woningen, is het ook de stem van de Zuid-Afrikaanse cultuur in al zijn gevarieerdheid. Het huidige ‘Mission Statement’ staat in het Engels:

LitNet aims to provide a robust virtual home for culture lovers and to remain the leading South African multicultural online journal. As a broad cultural journal with an Afrikaans-speaking heart but an openness to a multicultural environment and living space, it also accommodates other languages such as Xhosa, English and Dutch.

Deuitbreiding naar een Engelstalig platform voor Zuid-Afrikaanse cultuur heeft de laatste jaren veel aandacht gekregen. De wekelijkse nuusbrief in het Afrikaans krijgt mogelijk ook een Engelstalige variant.

Het ligt in de bedoeling dit nog verder uit te bouwen in de nabije toekomst. Of er ooit een Nederlandstalige nieuwsbrief komt, is de vraag. Het Nederlandse publiek is te versnipperd en te klein voor het gewenste resultaat.

Benieuwd naar mijn lezing, kom gerust langs vrijdagmiddag in Leiden.

Lees de boeiende lezing van Etienne van Heerden over de relatie van internet met het postmodernisme (in Afrikaans)

Door elkaar lezen – #50books

image
Gelezen, nog te lezen, tegelijk lezen.

Ik ben opgevoed dat je netjes eerst het ene boek uitleest en dan pas aan het volgende begint. Het liefst breng je het uitgelezen boek eerst naar de bibliotheek om in te wisselen voor het volgende. Het is net zo’n regel dat je een boek uitleest. Een verplichting die ik mijzelf opleg en die geregeld tot een marteling leidt.

Ergens ben ik door elkaar gaan lezen. We hadden het er vaak over tijdens de studie. Ik had de sport om collegedagen te maken van 9 tot 21, waarbij ik dan een college of 10 volgde. In dat soort tijden kon het voorkomen dat je zo’n vier tot vijf boeken per week las. Het was lezen tegen de klippen op. Zeker als daar ook nog een boek bijzat als Misdaad en straf.

Dat boek las ik echt in een roes. Ik begon eraan en liet mij meesleuren door het verhaal. De volgende dag werd het boek behandeld bij het college en ik las de hele avond en een groot deel van de nacht door. Ik las het verder tussen de colleges door tot ik het helemaal uit had. Het hoorcollege van dr. Matthias Prangel maakte de beleving alleen maar sterker. Deze leeservaring uit 1998 is één van de meest intense die ik ooit had.

Meer boeken tegelijk

Ik lees nog altijd meerdere boeken tegelijk. Het is heerlijk om als je het ene boek even zat bent, over te stappen naar het andere. Ik ben niet bang dat ik de verhalen door elkaar haal, al denk ik dat je moet oppassen met het gelijktijdig lezen van boeken uit dezelfde reeks.

Ik zou niet twee reisverhalen van Paul Theroux door elkaar gaan lezen. Net als dat ik niet een verhaal van Paul Theroux en Redmond O’Hanlon evenwijdig aan elkaar zou lezen. Maar meerdere romans tegelijk of een informatief boek naast een fictief werk, kan best. Ik lees wel meerdere gedichtenbundels naast elkaar. Ze vullen elkaar aan, versterken de werking en zorgen voor de afwisseling.

Groot gevaar

Het grote gevaar van naast elkaar lezen is dat er een boek sneuvelt tijdens het lezen. Gewoon omdat het niet interessant is. Je bent eraan begonnen, maar een ander boek dat je in dezelfde periode leest, wint het en wordt opgevolgd door een ander boek. Het boek zakt langzaam naar beneden in de stapel en verdwijnt helemaal uit zicht. Het is een risico en ook een groot risico. En dat is in tegenspraak tot dat andere boekprincipe: een boek lees je uit!

Om al die halfgelezen boeken een beetje te voorkomen, probeer ik nu wel wat trouwer aan één boek te blijven. Ook omdat ik bang ben dat ik het boek vergeet zodra ik aan het andere boek lees. Het is mij te vaak overkomen, waardoor een bespreking in de vorm van een blogpost uitbleef. Jammer, want ik doe het graag. Alleen kost het wel wat tijd.

Verleiding

De verleiding blijft aanwezig. Zo las ik een groot deel van de biografie van Steve Jobs terwijl ik allemaal andere boeken las. Alleen was dat aan het eind niet meer te houden, het versnipperde het verhaal teveel. Ik las de biografie die Walter Isaacson schreef, uiteindelijk helemaal uit. Deze week – ik was allang weer een ander boek aan het lezen – schreef ik de blogposts om ze later te zullen publiceren. Dus ook een boek lezen en onderwijl over een ander boek schrijven, het kan allemaal.

Dat door elkaar lezen heeft altijd een risico: je haalt de boeken door elkaar. Het overkwam mij kortgeleden. Ik besprak een jubileumbundel voor een oud-docent van mij en las op dat moment een andere jubileumbundel voor een andere oud-docent. Daar haalde ik een paar dingen door elkaar die in de boekbespreking terechtkwamen.

Ik werd daar kort na publicatie op gewezen en kon de informatie uit het andere boek snel verwijderen. Of het een erg voorval was? Ik dacht dat degene die in een essay besproken werd, een predikant was, maar hij was een leraar. Niet veel mensen zullen het hebben gezien, maar in een boekbespreking voor onderzoekers is het een vrij ernstig vergrijp.

#50books

Dit is het antwoord op vraag 4 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief vanPeter PellenaarsMartha Pelkman heeft in 2014 het stokje overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject. 

Romantisch – #WOT

image
Pure romantiek, het landschap van Indonesie zoals Franz Wilhelm Junghuhn het beschreef en tekende.

Ik raak altijd een beetje in de zweem van ‘romantisch’. Mensen zien dan een tafel met twee stoelen, een kaarsje en een ober die de maaltijd voor de twee mensen op de stoelen serveert. Romantisch diner voor twee, heet dat.

Geen romanticus
Ik vind daar niet veel romantisch aan. Dat komt ook omdat ik niet zo’n romanticus ben. Ik kom niet thuis met een bosje rode rozen. Als ik op een mooie kikkerverzameling stuit, neem ik het mee voor haar en geef het. Dat doe ik weer.

Echt romantisch is de cultuurhistorische stroming, met imposante parken als het Vondelpark. De kronkelpaadjes en het op het oog ongeordende, dat haast symbool staat voor de verborgen hartstochten in de mens.

Als in een roman, betekent romantisch dan ook. De personages van een roman doen ook zo overdreven en excentriek. Later slaat het vooral op een bepaald soort romans, op liefdestaferelen en schattige paartjes in datzelfde romantische park. Het heeft weinig meer van doen met de romantiek.

Pure romantiek
Voor mij is de natuur pure romantiek. Bij het horen van Peter van Zonnevelds college over Junghuhn werd ik geraakt. Hier was een schrijver van mijn hart. Iemand die de natuur in al zijn hartstocht beschreef. Ongrijpbaar en bijna onmogelijk in woorden te vatten.

Daar wilde ik meer van weten en mijn studie stond vanaf die dag in 1998 in het teken van Franz Wilhelm Junghuhn. Ik kreeg een paar dagen later het artikel van Peter van Zonneveld mee waarin hij over Junghuhn schrijft. ‘Groots, woest of bekoorlijk? Het romantisch landschap en de Nederlandse literatuur (1750-1850)’

Extase
Veel wist ik al van zijn colleges maar de vergelijking die Van Zonneveld maakte tussen Alexander von Humboldt en Junghuhn, bracht mij in extase. Ik ging verder met die vergelijking en schreef een scriptie van 32 pagina’s. Veel te veel voor die 3 studiepunten, maar wat een feest om te doen.

En dat is nog altijd het toppunt van Romantiek: de natuurbeschrijvingen van Junghuhn. Het heeft mij nooit meer losgelaten. Ik studeerde op Junghuhns Terugreis af en werd zelfs genomineerd voor de scriptieprijs. Nog altijd grijp ik een paar keer per jaar naar zijn werk. Dan lees ik weer die ontroerende passages en voel mee met de natuur die Junghuhn presenteert in zijn werk.

Komrij en Junghuhn

Junghuhns Licht- en Schaduwbeelden
Het exemplaar van Junghuhns Licht- en Schaduwbeelden uit de bibliotheek van Gerrit Komrij.

Deze week kreeg ik het exemplaar van Junghuhns Licht- en Schaduwbeelden uit Komrij’s bibliotheek in bezit. Het was het enige boek dat mij toebedeeld was bij de veiling eind november. Een bijzonder bezit omdat het boek mij verbind met Komrij en het onderwerp van afstudeerscriptie: Franz Wilhelm Junghuhn.

Ik kwam Gerrit Komrij ergens in 2000 tegen in cafe De Swart in Amsterdam. Hij vertelde dat hij die dag Junghuhns Java had aangeschaft. ‘Ken jij Junghuhn?’ vroeg hij toen ik heel enthousiast reageerde. ‘Zeker, ik ga erop afstuderen’. En ik kwam helemaal los. In die tijd ontmoette ik nooit iemand die Junghuhn kende. Altijd moest ik de naam van de Mansfelder spellen, omdat iedereen zijn naam verkeerd zei.

Ik vertelde hem van het college van Peter van Zonneveld in 1998. ‘Dit is het’, dacht ik terwijl Van Zonneveld een prachtige presentatie gaf over deze Duitse natuurwetenschapper in Nederlandse dienst. Het heeft me niet meer losgelaten. Ik schreef er een scriptie en artikel over, waarna ik mij voornam om als ik ging afstuderen ‘iets met Junghuhn te doen’.

Ik werd geplaagd door allerlei verplichte colleges en mislukte liefdes. Uiteindelijk maakte ik in 2000 een begin met mijn afstudeerscriptie. Het werd een heruitgave van Junghuhns Terugreis van Java naar Europa uit 1848. Een monnikenwerk, eerst moest het boek worden ingescand en daarna alle ingevoerde tekst worden gecorrigeerd. Ik werd geholpen door Ton Harmsen die het boek voor mij inscande. De lap met teksten moest ik helemaal doorworstelen. Alle tekens van het 19e eeuwse Nederlands, met veel Duitse zinsconstructies, verbeterend.

Daarna alle annotaties bij de tekst zoeken. Overal legde ik keurig uit wat alle geologische termen betekenden of de namen die genoemd werden. Het leverde veel bladeren op in encyclopedieen, biografische woordenboeken en geologische naslagwerken. Het schrijven van de inleiding was de laatste klus die ook weer maanden in beslag nam. Ondertussen moesten al mijn vrienden mijn ervaringen rond Junghuhn aanhoren. Ze werden er bijna zelf enthousiast door.

Mijn werk werd beloond met een nominatie voor de Nationale scriptieprijs. Ik was waanzinnig trots. En toen Komrij mij in 2003 plotseling mailde wat ik in hemelsnaam in Almelo deed met mijn teckel Sientje, vroeg ik of hij mijn scriptie wilde hebben. Misschien kon hij mij helpen uitgevers geinteresseerd te maken voor het werk van Junghuhn.

Het is er niet van gekomen en staat nog op een lijstje met voornemens. In 2009 probeerde ik wel mijn scriptie voor ALW te schrijven. Dat ging over Junghuhns Licht- en schaduwbeelden. Het enige filosofisch en levensbeschouwelijk getinte werk dat Junghuhn schreef. Hij deed het anoniem. Veel te gevoelig. Geen overbodige luxe. De Duitse vertaling van het boek werd zelfs in Oostenrijk en enkele Duitse staten verboden.

Bij de veilingcatalogus zag ik dat Gerrit Komrij ook enkele werken van Junghuhn in bezit had. Het waren naast Licht- en Schaduwbeelden, ook Reizen door Java. Een prachtig boek waarin Junghuhn verslag doet van zijn reizen langs alle vulkanen op Java. Het zijn de artikelen die hij voor het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie schreef. Uiteindelijk zijn deze ook in het grote overzichtswerk Java (deel 2, de vulkaanbeschrijvingen) gekomen.

Ik weet niet of dit het boek is waarnaar Komrij refereerde in de Amsterdamse kroeg. Misschien had hij ook nog Java in zijn bezit. Hij had in elk geval ook Schmidts biografie over Junghuhn. En het eerder genoemde Licht- en Schaduwbeelden, de 7e herziene en vermeerderde druk uit 1883. Een prachtige uitgave, zo zag ik bij de kijkdag.

Ik had al een exemplaar van Licht- en Schaduwbeelden, de 6e druk uit 1867. Dit is een onvolledige druk. Er zijn allerlei gedeeltes weggelaten ontdekte ik bij het lezen van het boek. Terwijl ik die gedeeltes heel erg nodig had bij mijn onderzoek voor ALW. Daarom kwam ik weer uit bij mijn eigen fotokopieen uit 1998.

De nieuwe aankoop is een mooie aanvulling op mijn huidige Junghuhn-verzameling. Het bezit van Komrij’s exemplaar bevestigt de gedeelde interesse in de bijzondere 19e-eeuwer Franz Wilhelm Junghuhn.

Leids kwartiertje en de evolutie

Een promotie had ik niet eerder meegemaakt, maar voor mij brak Frank Landsbergen gisteren het ijs. Hij promoveerde op de semantische en syntactische ontwikkeling van het werkwoord krijgen. Een roodgekleurd boek boordevol met grafieken en computersimulaties. En ook Engels. Vreemd gezicht blijf ik dat vinden als er dan een midden in zo’n zin het Nederlandse ‘krijgen’ staat, ook nog eens cursief geschreven om te benadrukken dat het echt daar om gaat.

Het was zeker een interessant verhaal en het theaterstuk dat zo’n verdediging toch is, maakt het allemaal nog spannender. Zeker als je het boek ook pas na afloop bemachtigt, maar dat kwam ook doordat de treinen niet op tijd reden. Het was ergens een wonder dat ik nog stipt om 16.15 uur de ruimte binnenkwam. Waar het Leids kwartiertje niet goed voor is.

De dissertatie van Frank, Cultural evolutionary modeling of patterns in language change, Excercises in evolutionary linguistics, gaat uit van de evolutie van taal en demonstreert eigenlijk dat taal zich ontwikkelt. De metafoor die zijn promotor, Arie Verhagen, vervolgens gaf, was dat de wetenschap ook evolueert. Telkens met een klein stapje naar voren.

Na de borrel liep ik met een vriend naar zijn huis om een hap couscous te eten. Daar vroeg ik mij hardop af hoe het nu met de evolutie van een stad als Leiden zit. Ik woon er nu zeven jaar niet meer en probeerde de verschillen en overeenkomsten te zoeken. Door het smalle steegje passeerde mij een man met een grote baard en een dikke buik. De fiets zwabberde over de kinderkopjes en het stuur rammelde zo hard dat het leek of hij voortdurend aan zijn fietsbel trok. Ik zag voor mij hoe een jongere versie van de man een andere man in de haren vloog in de mensa, aan de Kaiserstraat.

Wat verderop stonden deuren van studentenhuis open, rolde de lucht van verschraald bier naar buiten en zag ik door het open raam twee fietsen gestald staan tegen een groene bank boordevol met donkere vlekken. Midden op de brug van de gracht stonden studenten gezellig te kletsen. Fietsers probeerden hen te ontwijken. Zij deden hetzelfde waardoor fietsers en kletsende studenten elkaar alsnog tegenkwamen. ‘Als Leiden zich evolueert, dan gaat dat heel langzaam’, zei ik. ‘Zo langzaam dat wij dat niet meer meemaken’, concludeerde Michaël. ‘Het gaat zo langzaam dat we eigenlijk niet weten of het vooruit of achteruit gaat’, bevestigde ik.

Een rottend en uitgebloeid geval

De TV staat aan voor Sesamstraat. Eindelijk weer televisie zonder naar hollende, gooiende of hangende mensen te kijken. Vreugde, blijdschap, een traan van ontroering en zweet van geluk verlaten mijn lichaam door al mijn poriën.
Tot het embleem van Studio Sport in beeld verschijnt. ‘Ze zijn toch klaar’, verzucht ik. Dat zijn ze inderdaad, alleen moeten ze nog gehuldigd worden in het Olympisch stadion van Amsterdam.
Geen Pino, Ienniemienie, Bert en Ernie, maar een hossende menigte die voor de zoveelste keer de persoonlijke overwinningen van een groep individuen viert.
‘Kijk’, zeg ik als eindelijk een uur later een bloeiende penisplant in beeld verschijnt. ‘Dat noem ik een prestatie. Tien jaar lang dag in dag uit bemesten, ertegen praten, niet op vakantie en een huwelijkscrisis. Dat noem ik een prestatie.’ Ik zie de tuinman van de hortus in Leiden zuchten en steunen, maar hij houdt moed en presteert als een topsporter.
Wat er straks van over is? Een rottend en uitgebloeid geval, maar duizenden hebben een glimp opgevangen van de grootste bloem ter wereld.