Categoriearchief: treinverhaal

Conducteur Ad Harms

20140921_145934Bijna alle conducteurs die je kaart controleren vergeet je weer. Gelukkig maar. Soms blijven ze hangen. Dan zie je ze later en herkent ze. Een conductrice die ik daar eens op attendeerde, was er niet zo blij mee.

Na de herkenning verdwijnt de conducteur even snel weer uit je geheugen. Een conducteur hoort in de trein, de herinnering aan een conducteur ook.

Bij het openslaan van het tijdschriftje Spoor herkende ik hem meteen: Ad Harms. Deze hoofdconducteur krijgt extra aandacht in het herfstnummer van dit tijdschrift voor vaste klanten van NS. Harms reist het liefst ’s nachts. ‘In een vorig leven ben ik vast mol geweest, of een vleermuis’, zegt hij in het artikel.

Ik ken Ad Harms niet van de nachttrein. Ik herkende hem als de conducteur bij een grote storing in Utrecht. Het was 2009 en ik zat in de stoptrein naar Almere. We zouden vertrekken, maar bleven staan. De conducteur riep om dat we nog niet konden vertrekken. Er was iets met de wissels.

Daarna hield hij ons keurig op de hoogte. Zo vertelde hij later dat we geen toestemming kregen om te vertrekken. Hij legde keurig uit dat de treindienstleiding het niet verantwoord vond om weg te rijden. Ze konden namelijk geen contact leggen met de treinen onderweg. Na de wisselstoring was er een complete communicatiestoring opgetreden. Zonder de organisatie af te vallen, vroeg hij ons om begrip.

Zijn geduldige en heldere uitleg hielp mee aan het begrip. Ook zijn spijtige houding toen de trein uiteindelijk niet vertrok en wij allemaal noodgedwongen moesten uitstappen, verdiende respect. Buiten de trein gaf hij zijn persoonlijke excuses voor de situatie en probeerde iedereen zo goed mogelijk te helpen.

Zo’n conducteur zou bij de top van NS moeten spreken over serviceverlening. Het begint al met de algehele communicatie op het station en online. Hoeveel beter zou dat kunnen. Ad Harms liet mij zien hoe het beter kan. Hij deed dit vooral vanuit zijn liefde voor het vak en de dienstverlenende houding tegenover de reizigers.

Later reisde ik nog weleens met hem mee. Ook toen viel mij zijn gastvrijheid en vriendelijkheid op. Iemand met veel plezier in het werk en met hart voor de reizigers. Daarom is het helemaal terecht dat hij zo’n mooi plaatsje heeft gekregen in dit nummer van Spoor.

Bijzonder treinkaartje

image

Vannacht kroop het laatste treinkaartje uit het automaat van de NS. Ik heb heel wat treinkaartjes gehad. Vaak weggegooid, soms bewaard. Meestal waardeloos van reizen die ik al helemaal vergeten ben.

Er is één treinkaartje waar ik heel zuinig op ben. Het zit in een fotoalbum. Het is het treinkaartje waarmee ik op 9 september 2001 naar Apeldoorn reisde. Het was een zondagochtend. Ik zou voor het eerst Inge ontmoeten.

We hadden in het midden afgesproken. Zij kwam uit Almelo en ik uit Leiden. We gingen daarna naar Paleis Het Loo. Ik had in een zware tas brood, drinken en een fruitsalade mee voor de picknick.

Het regende verschrikkelijk hard toen we het bos inreden voor de picknick. Daarom gingen we maar in de auto picknicken. Zo zaten we daar in de gietende regen ergens in de bossen bij Apeldoorn. Daarna bracht ze me weer terug naar het station waar ik de trein naar huis weer pakte.

Thuisgekomen lag er een ongelezen mailtje in de inbox. Of ze me niet snel weer zou kunnen zien.

Geen plaatjes

image

‘Kijk deze is het.’ Een man loopt langs mij en trekt voor mijn neus een boek uit de kast. Het is De grote spoorwegcarrousel van Paul Theroux. Hij geeft het aan de man die bij hem is. Een oudere man die het boek geïnteresseerd openslaat. Hij bladert aandachtig door de pagina’s en speurt de bladzijden af.

‘Nee, die hoef ik niet’, zegt de oudere man tegen de jongere. Het zou zo zijn zoon kunnen zijn tegen wie hij spreekt. ‘Maar dat is het boek dat je wilde lezen’, antwoordt de zoon. ‘Nee, er zitten helemaal geen plaatjes in’, verzucht de vader.

Hij loopt voor mij langs en duwt het boek weer terug in de boekenkast. Het is precies dezelfde pocket als die ik drie jaar geleden las. Zonder plaatjes, maar het verhaal is beeldend genoeg. Ik kijk hem spijtig na en besef dat deze man een mooi boek aan zijn neus voorbij laat gaan.

Treinen en bussen in Het drijvende koninkrijk

image

In Het drijvende koninkrijk reist Paul Theroux niet exclusief met de trein. Hij wisselt de treinritten af met stukken die hij te voet aflegt. Ook maakt hij gebruik van de bus als er geen trein voor handen is. Zo staakt tegen het einde van zijn tocht het personeel van de spoorwegen. Dan is hij alleen op de bus aangewezen omdat geen trein rijdt.

Al beweren de krantenberichten dat tien procent van de treinen wel zou rijden. Paul Theroux ziet er niet één. Alleen rijdt de trein op een geprivatiseerde spoorweg. Het traject is tot zijn spijt slechts 15 kilometer. Zo is hij vrijwel de gehele oostkust aangewezen op de bus. Een verschrikking vindt Paul Theroux. Hij merkt ook geen verschil met bussen in Venezuela of India. Een bus is een bus.

Stand van (Enge)land

Theroux maakt de reis langs de kust van het Verenigd Koninkrijk omdat hij de stand van het land wil peilen. De keus voor de lokale spoorweglijntjes is omdat hij merkt dat veel lijnen met opheffen worden bedreigd of al zijn opgeheven. Het ‘Beeching Report‘ uit 1963 wordt overal uitgevoerd en een nieuw rapport, het ‘Serpell Report‘ stelt ondermeer een variant A voor. Hierin wordt het spoorwegnet van Groot Britannië teruggesnoeid van 17.000 kilometer naar 2.500.

De dorpen zonder spoorwegverbindingen zijn lastig te bereiken. De bus doet er dikwijls vele malen langer over dan de trein. Zonder auto lijken deze oorden onbereikbaar. De arme en oudere mensen kunnen zo niet eenvoudig uit hun dorp of stadje komen. En zo keren de dorpjes weer in hun oude isolement van de tijd voordat de spoorwegen kwamen en gebieden ontsloten.

‘Dorpen werden weer chagrijnig en klein, en winkels gingen dicht, en de mensen die op het platteland bleven wonen, raakten steeds meer aan huis gebonden. De steden kregen steeds meer inwoners en werden armer.’ (313/314)

Paul Theroux ziet hierin een terugkerend patroon: eerst worden er stations langs de lijn gesloten, dan verdwijnen er allerlei voorzieningen op de stations en tenslotte wordt de lijn opgeheven omdat deze niet meer rendabel zou zijn. Is het verwonderlijk, stelt hij. De hele lijn is al uitgekleed! Als de treinengekken langskomen, betekent het niet veel goeds voor de lijn: hij zal binnenkort worden opgeheven. Ze fungeren als een soort aasgieren, alleen geïnteresseerd in het verleden van de trein.

Taal van het land

Het drijvende koninkrijk is ook een ander reisverhaal omdat Paul Theroux de taal van het land goed spreekt. Een bezoek aan een land waar je je moedertaal kunt spreken, voelt anders. Het accent ligt minder op het vreemde, maar op het vertrouwde.

‘Schrijven over een land in de taal van dat land was een groot voordeel, want elders was je altijd aan het interpreteren en het vereenvoudigen. Door vertalingen ontstond een onduidelijke dubbelzinnigheid – je zag het land altijd zijdelings. Maar taal groeide vanuit een landschap – het Engels was uit Engeland gegroeid, en het leek logisch dat het land alleen zijn eigen taal op de juiste wijze geportretteerd kon worden.’ (14)

Zo ontdekt de Amerikaanse schrijver de vervallen staat van het land. Niet alleen de spoorlijnen zijn vervallen, ook de hotels en pensions zien er smoezelig uit. De treinlijntjes zijn ten dode opgeschreven. Sommige onheilsspellers zeggen dat over tien jaar niet één van die lijnen meer zal bestaan.

Serie over Het drijvende koninkrijk

Dit is het tweede deel van een serie blogs over Het drijvende koninkrijk van Paul Theroux.
Lees ook het eerste deel: Langs de Engelse kust met Paul Theroux

Langs de Engelse kust met Paul Theroux

image

In Het drijvende koninkrijk reist Paul Theroux langs de Engelse kust. Hij maakt een rondreis langs de hele kust van het Verenigd Koninkrijk, inclusief Noord-Ierland dat in het boek Ulster heet. Het is een leuk verhaal om te lezen na het streng opgezette treinverhaal van De oude Patagonië-expres.

In Het drijvende koninkrijk legt Paul Theroux delen van de reis te voet af. Hij wisselt dit af met stukken per trein. Alleen als het niet anders kan, dan pakt hij de bus. Dat laatste gebeurt wel enigszins met tegenzin. Zo gaat hij flink tekeer over een jengelend kind in de bus. Als hij in de trein zit, lees je niet over dit soort ergernissen.

De spoorlijnen die Paul Theroux bereist zijn meestal de secundaire lijnen, de lokaalspoorwegen. Hij verwacht zelf dat de meeste van deze spoorlijnen over niet al te lange tijd verdwenen zullen zijn. Dikwijls rijden er nog stoomtreinen. Aan de hoeveelheid personeel in verhouding met de hoeveelheid treinreizigers, meet Paul Theroux vrij snel af hoe rendabel de lijn is. Vaak is de rekening snel gemaakt met een handjevol reizigers. Niet rendabel, vaak wel handig en ook heel mooi.

Het levert een veel minder groots en meeslepend verhaal op dan bijvoorbeeld bij De oude Patagonië-expres of De grote spoorwegcarrousel wel het geval is. Dat is ook de charme van dit boek, boordevol vervallen pensionnetjes, bijna opgeheven spoorlijnen en werkloze jongeren. Het geeft een beeld van het Engeland aan het begin van de jaren ’80. De tijd van Margaret Thatcher. Engeland is duidelijk in crisis. In Liverpool breken rellen uit, fabrieken gaan failliet en de kust lijkt volgebouwd te worden met kerncentrales.

Engeland lijkt in verval. De rellen in de steden, het verdwijnen van al die treinlijnen en de grote hoeveelheid werkelozen. Alleen Londen lijkt zich aan al dit leed te onttrekken. De rest van het land kreunt onder de verandering in tijden. Zeker ook als de spoorwegen aan het einde van zijn reis gaan staken. De dreigende staking vormde aan het begin van zijn boek een reden juist op reis te gaan. Aan het einde is de staking een grote ergernis.

Het drijvende koninkrijk is een krachtig verhaal geworden over het Engeland aan het begin van de jaren 1980. Een land in verval. En Paul ziet dit overal: de vervallen pensions en hotels. De enorme caravanparken aan de kust en de krijtrotsen die in zee verdwijnen. Ze nemen bij hun val soms hele dorpen mee. Zo verdwijnt een Engeland dat hij nog probeert vast te leggen.

Al vraag ik mij af of het nog altijd onderbelichte deel van het Verenigd Koninkrijk – het land buiten Londen – zo wezenlijk veranderd is ten opzichte van het land dat Paul Theroux berschrijft. Maar dat zou ik dan een keer zelf moeten ondervinden, want na Paul Theroux hebben weinig schrijvers de moeite genomen dat Engeland zelf te leren kennen. En Paul Theroux schrijft mooi, maar het loont zeker als anderen ook het voetspoor langs de Engelse kust volgen.

Meneer Thornberry

image

De oude Patagonië-Expres zit boordevol met verhalen die Paul Theroux onderweg opdoet. Het is daarmee een veel evenwichtiger boek dan bijvoorbeeld De grote spoorwegcarrousel. Ik vind het verhaal onderweg met ene meneer Thornberry werkelijk geweldig. Het overkomt hem in Costa Rica.

Paul Theroux zit in de trein van San José naar Limón naast Luis Alvarado. De Costaricaan vraagt hem waarom hij niet met de andere Amerikaan in de wagon praat. Daar heeft Paul niet zo’n behoefte aan. Hij geniet liever van de treinreis dan in gesprek te zijn met een landgenoot. Hij is juist San José ontvlucht vanwege de vele Amerikanen die hij daar tegen het lijf liep.

Paul Theroux wil alleen reizen. Hij wil de dingen niet zien met andermans ogen:

‘Als ze je iets aanwijzen dat je al hebt gezien, besef je dat je eigen waarnemingen nogal voor de hand liggen; als ze iets aanwijzen dat je niet had gezien, voel je je belazerd, en je belazert de boel nog meer wanneer je later als een eigen observatie opneemt. In beide gevallen is gezelschap ergerlijk. O kijk eens, het regent is even erg als De Corsicanen hebben een eigen lengte-eenheid – de vara. (187)

Ga jij maar met hem praten, zegt Paul tegen Luis. Misschien leert hij je wel Engels. Luis heeft een andere mening. Hij gaat naar de Amerikaan en attendeert hem op zijn landgenoot Paul. De oude man gaat op de plaats van Luis zitten en zegt: ‘Tjonge wat ben ik even blij u te ontmoeten!’

Daar zit Paul Theroux de rest van de nog zes uur durende reis naar Limón met meneer Thornberry opgescheept. Meneer Thornberry is zijn reisgezelschap kwijtgeraakt en ziet Paul Theroux als een aangenaam alternatief. Zijn landgenoot is schilder en reist van een flinke erfenis de hele wereld over.

Stream of consciousness

Alles wat de heer Thornberry ziet, noemt hij op. Zoals de pijpleiding die regelmatig opduikt en waar hij Paul Theroux steeds op wijst zodra deze verschijnt.

‘Het was de ‘stream of consciousness’ als bij James Joyce. Meneer Thornberry was een minder dubbelzinnige Leopold Bloom, ik een weerstrevende Stephan Dedalus. Meneer Thornberry was eenenzeventig. Hij woonde alleen, zei hij; hij kookte voor zichzelf. Hij schilderde. Misschien was dat de verklaring. Dat eenzame bestaan had hem geleerd in zichzelf te praten: hij dacht hardop. En hij was jaren alleen.’ (193)

Na de vraag – ter afleiding – of hij dan nooit hertrouwt is na zijn eerste vrouw, krijgt Paul Theroux het verhaal te horen van de verpleegster die met hem wilde trouwen. Meneer Thornberry was heel ziek geweest en werd verpleegd. Hij trouwde met haar omdat hij met haar naar bed wilde. Maar dat mocht na het huwelijk nog steeds niet. Bij terugkeer van de niet geconsumeerde huwelijksreis, wilde ze van hem scheiden en een flinke alimentatie ontvangen. Ze had gehoord dat hij een flinke erfenis had gehad. Met haar vriend wilde ze daar wel even van profiteren. Daarna deed hij haar een proces aan, wegens bedrog. Hij wint het.

Maar de treinreis gaat verder na dit verhaal:

‘Bijna zonder onderbreking zei hij: ‘Palmen,’ toen ‘Varken,’ ‘Hek,’ ‘Hout,’ ‘Nog meer van die winde – op Capri zie je die ook veel,’ ‘Zwart als schoppenaas’, ‘Amerikaanse auto.’
De uren verstreken; meneer Thornberry praatte zonder ophouden. ‘Biljarttafel,’ ‘Zeker bijstandstrekker,’ ‘Fiets,’ ‘Knap meisje,’ ‘Lantaarns.” (194)

Paul Theroux wil hem wel uit de trein gooien, maar zijn medelijden voor meneer Thornberry weerhoudt hem hiervan. Eindelijk verschijnt daar Limón. Paul Theroux gaat maar eens op zoek naar een hotel. Het aanbod om met meneer Thornberry mee te gaan naar zijn hotel slaat hij af. Hij gaat zelf op zoek en zwerft door het ‘afschuwelijke oord’. Tevergeefs. Hij kan geen hotel vinden. Al zou hij er ook niet graag blijven vanwege al het ongedierte en viezigheid die hij daar aantreft. Hij zwerft door de stad tot hij in hij buurt van het marktplein Thornberry tegen het lijf loopt. ‘Ik heb overal naar u lopen zoeken.’

Logeren

Wat is Paul Theroux blij met zijn gezelschap. Hij mag bij hem op de hotelkamer logeren. Er staan toch drie bedden in de hotelkamer. Om negen uur gaan ze slapen, omdat meneer Thornberry altijd op die tijd naar bed gaat en er is maar één sleutel.

We waren net een ouder echtpaar, we liepen zwijgend heen en weer, trokken zedig onze pyjama’s aan. Meneer Thornberry trok de dekens over zich heen en zuchtte. Ik las een tijdje, toen deed ik het licht uit. Het was nog vroeg, buiten was het nog lawaaiig. Meneer Thornberry zei: ‘Motorfiets.’ ‘Muziek.’ ‘Moet je ze horen kwekken.’ ‘Auto.’ ‘Treinfluit.’ ‘Dat zijn zeker golven.’ ‘Toen viel hij in slaap.’ (199)

Uiteraard gaat het verhaal nog verder. De volgende dag gaat Paul Theroux nog met meneer Thornberry op excursie naar de lagune, op zoek naar papagaaien en apen. Net zo hilarisch. Daar ligt ook de kracht van dit boek. Paul Theroux observeert zijn medereizigers en vooral mede-Amerikanen in prachtige en treffende bewoordingen. Zo ontstaat een reisverhaal zoals een reisverhaal hoort te zijn: de reis is het leidmotief.

Candans

Als de cadans van een trein helpt de treinreis het verhaal vooruit. Onderweg doet Paul Theroux al deze verhalen op die hij integreert in zijn reisverslag. Daarmee beschrijft hij niet alleen wat hij ziet, maar vooral wat hij meemaakt en alle verhalen die hij hoort.

Ook aan het verblijf in Limón komt een eind. Als hij op een ochtend ‘een enorme zwarte man’ op hem afkomt en zegt dat hij de zoon van God is, vindt Paul Theroux het genoeg. Hij wil terug naar San José. Meneer Thornberry wil ook graag weg, maar het vliegtuig zit vol, de bus gaat pas ’s avonds en de trein is al vertrokken. Dan nemen we toch een taxi? Stelt Paul Theroux voor. Daar had meneer Thornberry nog niet aan gedacht. En zo reizen ze terug naar San José.

[Meneer Thornberry] keek uit het raampje en kneep zijn ogen dicht. ‘Hut,’ zei hij. ‘Varken.’ ‘Koe.’ ‘Bananen.’ In de buurt van San José werd hij opgewonden. ‘Kijk,’ zei hij, ‘daar heb je onze pijpleiding.’ (203)

Meer lezen

Lees mijn andere blogs over De Oude Patagonië-expres van Paul Theroux: