Categoriearchief: tafereel

Kussen

Ze stonden in een liefdevolle omhelzing. Buiten voor het lelijke gebouw van glas. Zij legde haar hoofd tegen zijn schouder. Zijn hand lag losjes op haar heup.

De andere hand zag ik naar zijn mond gaan. Ze zei iets liefs tegen hem terwijl hij aan zijn sigaret zoog. Zijn antwoord vergezelde zich met de rook die zijn adem uitblies.

Het was ongeïnteresseerd en schattig tegelijk. Zij zei iets zachtjes in de richting van het glazen gebouw. Het geluid van haar stem was niet te horen. Ze  maakte haar hoofd los van zijn schouder. Ze staken de koppen bij elkaar en begonnen innig te kussen. Alsof niemand keek.

Kletsen langs de trambaan

Ze kletsen gezellig, vlak naast de trambaan. De tram – lijn 2 – komt in hun richting. Een dame verschuift het handtasje dat op haar schouder rust. De ander keuvelt rustig verder.

Tingelen

De tram nadert, begint te tingelen. Het helpt niet, de dames praten verder, dan zien ze de tram aankomen. Ze geven elkaar een afscheidkus. Zwaaien gedag. De tram komt nog dichterbij, remt al iets af. Ze zien niet dat ze in zijn spoor staan, ook al staan ze niet op de rails.

Claxon

Een claxon klinkt dreigend door het getingel heen. De dames zien niets, zoenen elkaar en fluisteren elkaar gedag. De tram komt met een vaartje in hun richting. Dan zien ze het en spatten uit elkaar. De ene de ene kant van de tramrails. De andere de andere.

Kleine eendjes

Ze waren in Utrecht bij mij komen zitten. Zij aan de ene kant van het raam en zij aan de andere kant van het raam. De jongere vrouw schoof naast mij. De oudere vrouw ging tegenover mij zitten. Ze keken naar buiten en zwegen.

Alle zicht

De wat oudere vrouw droeg een rood shirt met een lage v-hals. Het bood alle zicht op haar boezem. De zon had haar hals rood verbrand. De huid was van de droogte nog meer gaan rimpelen en versterkte de ouderdom. De huid rimpelde sterker hoe dichter ze de borsten naderde.

Uit de mottenballen

Het shirtje was duidelijk uit de mottenballen gehaald. De zon had de rode kleur verkleurt in een kleur die ergens tussen rood en oranje hing. Ze droeg haar zomerjas als een colbertje waardoor ze nog meer aandacht wist te vestigen op het décolleté en de gerimpelde huid. Om haar pols droeg ze een uitbundige armband die zich ergens midden op haar hand vastklemde.

Suikervrij

Ze bood haar medereizigster een dropje aan. Suikervrij stond op het zakje. Zelf peuterde ze met haar wijsvinger een Fisherman’s Friend los. Ze sabbelden allebei. De vrouw moest niezen. ‘Zie je. Alweer. Ik kan er gewoon niet tegen.’

Oooo

De trein stond even stil in een weiland en trok weer langzaam op. ‘Ooo’, zei de jongere vrouw. De verbazing trok heel liefdevol uit haar mond. Ze droeg een zwarte jas die even donker was als de jas van haar reisgenote.

Zo schattig

‘Je bedoelt die 2 eenden?’ vroeg het gerimpelde décolleté. Het meisje knikte met haar hoofd. ‘Nee, zag je dan niet wat erachter liep.’ Het vrouw met het rode shirt schudde haar hoofd. Het meisje trok haar wijsvinger en duim uit elkaar, maar zei niks. De vrouw keek aandachtig naar de vingers en schudde weer met haar hoofd. ‘Kleine eendjes. Zo schattig.’

De vrouw keek naar buiten, duwde haar hand tegen haar keel. ‘Het helpt wel’, zei ze erbij.

Zonder zijwieltjes

Het meisje fietste voor de man uit. Opa had zichtbaar moeite om zijn fiets in beweging te krijgen. Zijn fiets slingerde bij het opstappen. Zijn kleindochter was al een eind voor hem uit. Ook haar fietsje slingerde.

Losgeschroefd

De zijwieltjes waren er net afgeschroefd. Ze stuurde naar de linkerkant van de weg. ‘Je moet wel naar de rechterkant van de weg’, riep hij. Maar ze was al te ver weg voor hem. Haar oren hoorden niets want haar ogen zagen teveel. Ze stuurde nog meer op links aan. Naderde de trottoirband. ‘Nee, de andere kant.’

Langzaam in beweging

Hij kwam langzaam in beweging en zij reed het kruispunt al tegemoet. Een tegenligger koos zoveel mogelijk de rand van het trottoire. Het meisje fietste nu min of meer in het midden van het fietspad. Soms slingerde het fietsje nog behoorlijk, maar ze herstelde zich netjes en schoof zelfs naar rechts.

Op weg

Opa was net op weg, zij was al voorbij het kruispunt. Ze koos haar eigen weg en wist wel waarheen ze wilde. Hij reed nu even hard als zij, maar er lag een flinke ruimte tussen beide. Hij zocht haar op, terwijl zij steeds verder van hem vandaan kwam. In de richting van het bruggetje. Ik hing tussen grootvader en kleinkind in en versnelde mijn vaart. Ik haalde haar in en sloeg net voor het bruggetje linksaf.

Laat het voorjaar maar komen

Een stelletje op een houten bruggetje in het Beatrixpark. Hij staat evenwijdig aan de leuning, zij heeft zich een kwartslag gedraaid om de volle zon op haar gezicht te laten schijnen. Haar hoofd helt iets naar achter om alle zonnestralen op te vangen. Geen glimpje zon mag haar gezicht missen. De ogen dicht om te laten zien dat ze echt geniet.

De bomen zijn nog kaal, maar het ademt voorjaar in het park. Het kale gras lijkt ineens wat op te schieten in een lichter groen dan het oude. De vogels flirten achter elkaar aan en de kinderen roepen enthousiaster vanaf de schommels in de speeltuin. Jonge vaders slaan liefdevol een arm om de even jonge moeders.

De zon schuilt even achter een wolk. De jongen van het stelletje pakt haar hand. Haar ogen gaan open. Ze zetten zich in beweging van het bruggetje af. De wolk condens die ze uit hun monden blazen, is het laatste restje winter. Laat het voorjaar maar komen…

Chips, een boek en een kort rokje

Ze zat bij het raam, de tas lag naast haar. Haar benen lagen gekruist over elkaar, de panties werden bedekt door een kort rokje. Het bruine rokje begon ietsje boven de knieën, helemaal zoals het hoort. Op het tafeltje naast het raam lag een rood zakje chips. De dungesneden aardappelstukjes kraakten net zo hard tussen haar tanden als dat het zakje ritselde terwijl ze het volgende stukje chips eruit haalde.

De andere hand droeg het dikke boek. Tussen de vingers klemde ze een velletje papier, dat ze langzaam liet zakken om de volgende regel van het verhaal te kunnen lezen. De andere hand hengelde het zakje in om de volgende vangst te doen. Haar ogen tuurden half over de brillenglazen het boek in, het papiertje zakte regel voor regel.

Geknot
De chips kraakten op, de opzichtige ring om haar ringvinger vertelde dat ze getrouwd was. Haar haren bezaten dezelfde kleur als de stof van het rokje. Ze waren naar achteren geknot in een degelijk staartje. Tussen haar boek en de chips was geen speld te krijgen.

Het zakje verdween in de prullenbak. Ze herschikte zich, liet de donkerblauwe winterjas wel dicht zitten. De zilverkleurige drukknoopjes keken preuts mee het boek in en hielden alles zorgvuldig gesloten. Alleen haar goudkleurige oorbellen probeerden een gevecht aan te gaan met de degelijkheid en tuurden ontdeugend om zich heen.

Een afbeelding van een bijzonder iemand trok voorbij. Een groot staatsman, een dichter, een predikant. Alles kon het voorstellen. Het papiertje gleed er overheen en liet de woorden langzaam los, regel voor regel.

Tot het station kwam, een moeder met haar twee dochters wurmde zich rond de vrouw. De twee meisjes zetten zich op de foto, een groot rood toestel, dat een foto toonde als het opengeklapt was, klikte en er knipperde een rood lampje als het ene meisje het andere fotografeerde.

Eindbestemming
Het papiertje kwam stil te liggen op het boek. Een zucht, een blik in de richting van de meisjes, een moeizame glimlach. Het lukte niet. Het boek klapte dicht. ‘Mama wanneer mogen we eruit?’ Ik zag de vrouw met de bril hetzelfde vragen in de richting van de moeder. ‘Het volgende station’, zei ze geruststellend. De vrouw met het rode boek was niet gerustgesteld. Ze bleef zitten waar ze zat, terwijl om ons heel alle stoelen leeg waren. Ik mocht eruit, want de trein reed net mijn eindbestemming binnen.