Categoriearchief: taalgebruik

Scheepsbenamingen

image

De biografie van een schip noemt Corine Nijenhuis haar boek Een vrouw van staal. Het is een interessant verhaal over de Nederlandse binnenvaart die aan het begin van de 20e eeuw over een heel gevarieerde delta voer.

Zijn nu de kanalen en de grote rivieren de belangrijkste verkeersaders, in de tijd waarin de Alfons Maria wordt gebouwd zijn de Zeeuwse wateren en de Zuiderzee ook het terrein van de binnenvaart.

In Een vrouw van staal komt bovendien een flinke hoeveelheid nautische informatie voorbij. De benamingen van de verschillende delen van het schip bijvoorbeeld: roef, kluiver, kluiverboom, fok, vleugel, gaffel, den en romp.

Het helpt dan wel mee dat voorin het boek 2 zijaanzichten van de klipper zijn te zien, verspreid over de 2 periodes van de klipper: als zeilschip en na de ombouw tot binnenvaartschip. Gedurende het boek raak je meer en meer vertrouwd met de verschillende scheepskundige begrippen.

Dan verbaas je je niet meer over passages als deze:

Vorige zomer, in 1946, toen er net genoeg staal was geweest om de kapotgevaren kop te vervangen, was op de werf niet alleen het loopdek boven boven het ruim verwijderd, maar ook dat van stuurhut en roef. (268)

Daarmee geeft Corine Nijenhuis een mooie inkijk in een eeuw Nederlandse geschiedenis vanaf het water. Ze leert je meteen ook enkele begrippen> Het maakt de scheepvaart minder geheimzinnig dan ze lijkt.

Corine Nijenhuis: Een vrouw van staal, De buitengewone biografie van den binnenvaartschip.Amsterdam: Uitgeverij Brandt, 2015. ISBN: 978 94 92037 12 1. 400 pagina’s. Prijs: € 20. Bestel

Spreekwoorden

image

Het commentaar van de dode Mohammed Jahangir vanuit het dodenhuis geeft de roman Zeg maar dat we niet thuis zijn van Rashid Novaire surrealistische trekjes. Het zijn humoristische fragmenten waarbij de dode Mohammed Jahangir speelt met taal en cultuur. Daarbij geeft de dode ook commentaar op het verhaal en het verloop hiervan. Het maakt het verhaal, hoe gek het ook klinkt, luchtiger.

Zoals het spel met spreekwoorden in zijn 7e interuptie, tussen hoofdstuk 8 en 9, vertelt de dode in cursief:

Mosterd na de maaltijd. Dat is een van de uitdrukkingen die ik van mijn zoon uitgelegd kreeg. Ik vond het een goede uitdrukking. Iedereen weet wat ermee wordt bedoeld. Iedereen die heeft geleefd.
Veel moeilijker te snappen vond ik wat de Nederlandse schoenmakers op bordjes lieten weten: klaar terwijl u wacht. Ik dacht altijd: als alles al klaar is, waarom wacht ik dan nog?
(97)

Precies een kijk op Nederland die anders is en waar ik gek op ben. Het haalt je uit de vanzelfsprekendheden en leert je met een vreemde blik naar je eigen land te kijken. Het bordje bij de schoenmaker dat zo’n vaststaande uitdrukking is, is helemaal niet zo vaststaand.

De andere blik op je vanzelfsprekendheden laat je anders kijken naar je eigen wereld. Ik vind dat prachtig. Dat is zeker ook de kracht in een roman als die van Rashid Novaire. Hij wijst met zijn verhaal niet alleen op de andere begrafenis- en rouwrituelen, maar ook op ‘kleinere’ dingen zoals taal.

Rashid Novaire: Zeg maar dat we niet thuis zijn. Roman. Amsterdam: Ambo/Anthos, 2015. ISBN: 978 90 414 2579 9. Prijs: € 18,99. 224 pagina’s.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn vierde bijdrage over Zeg maar dat we niet thuis zijn van Rashid Novaire. We lezen dit boek vandaag bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

Reet

image

Het verhaal dat August Willemsen schrijft voor Maatstaf levert een prachtig beeld op van 2 jongeren die een reis naar Spanje maken. Het verhaal is ook gepubliceerd in de brievenbundel Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen. De verteller is helemaal in de wolken. Hij is smoorverliefd op Marian. De opening van het verhaal is brilliant:

Marian was in Blaye. Pikzwart. Zó mooi dat ik stond te trillen op mijn benen. Maar ze moest nog blijven tot de 10de. (211)

Wie de brieven uit deze periode opslaat en die mogelijkheid krijg je nu bij deze brievenbundel, ontdekt dat de werkelijkheid in de brieven weer een beetje verschilt van de werkelijkheid in dit verhaal. Daarvoor is het natuurlijk ook literatuur.

Verderop maken Marian Plug en August Willemsen zich vooral druk over het gebruik van het woord ‘reet’. Ik vind het woord niet terug in het verhaal van Willemsen. Het verwijst naar het verhaal dat Willemsen voor het tijdschrift Raster schreef en dat bij deze briefwisseling juist niet is opgenomen.

Dat verhaal is ook gebruikt bij de bundel Vrouwen, vreemden, vrienden in 1998. Hierin schrijft August Willemsen het volgende:

Dat bijvoorbeeld Marian, behalve een gezicht welks schoonheid alom werd geprezen, eigenlijk best een ‘lekkere reet’ had, werd niet alleen nooit uitgesproken maar probeerden we ook op alle mogelijke manieren niet te zien. (12)

Mogelijk dat vanwege de overeenkomst, daarom het betreffende artikel niet is opgenomen in de briefwisseling tussen August Willemsen en Marian Plug.

Ze winden zich flink op over het gebruik van dit ordinaire woord. Hun vriend Jaap zou het woord gebezigd hebben, stelt August Willemsen in zijn brief:

Wat hij helemaal vergeten was, maar ik niet, en wat ook niet in mijn stuk staat, is dat hij degeen was die me, op een feest bij Dick, erop wees dat jij zo’n mooie reet had. Vergeef me de uitdrukking, het waren zíjn woorden. Nu, om zulk soort dingen hebben we even gelachen. (244)

Marian kan er niet om lachen. Ze vindt het een ‘ellendig’ woord dat ze zelf nooit (heeft) gebruikt en dat volgens haar op ‘puur seks’ duidt. Ze vraagt zich af niet Jaap Kruyff dit woord gebruikt heeft. August Willemsen belt de betrokkene op, maar ook hij ontkent. Hij is geen man van grove taal.

Zo meent iedereen het woord nooit te hebben gebruikt. Is het geheugenverlies, schaamte of bewuste ontkenning? Als ik het zo lees, is het van alles een beetje. Natuurlijk kan August Willemsen zelf ook last van geheugenverlies hebben. Het woord komt immers uit zijn brein en herinnering in het verhaal terecht.

Dan is de wens dat iemand iets gezegd zou hebben, groter dan dat iemand het echt gezegd heeft.

August Willemsen: Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen. Briefwisseling met Marian Plug. Met een voorwoord van Maarten Asscher. Bezorgd door Joost Meuwissen. Amsterdam, Antwerpen: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2014. Privé-domein, nr. 280. ISBN: 978 90 295 8979 6. 301 pagina’s. Prijs: € 24,95.

Lees ook mijn bespreking op Litnet

Dictee – #WOT

image

Het plezier dat mensen beleven zich vrijwillig over te leveren aan een tekstueel misstandje vol met spellingvalkuilen. Daar heb ik nooit iets van begrepen. De dictees om het spellen onder de knie te krijgen waren al erg genoeg en om je nu over te leveren aan de grillen van Het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Het gebruik van ‘der’ zegt al genoeg. Het is iets ‘des oubolligen’ in plaats dat het mij toebehoort.

Zegt het foutloos schrijven van een dictee dat je kunt schrijven. Nee, het zegt dat je goed op de hoogte bent van de spelling van het Nederlands. En de spelling heeft weinig met taal te maken, meer met regels. De spelling is eerder een compromis dan een logisch geheel. Jij wat, ik wat en we noemen het Nederlands. Iemand die alle regels en uitzonderingen kent, kan foutloos spellen. Al gaapt er best een groot gat tussen spelling en praktijk.

Ik beleef weinig lol aan een dictee. Een tekst opgelegd door een ander. Als een literator een mooi stukje proza met valkuilen schrijft, kan ik er best een lolletje aan beleven. Van het dictee van Gerrit Komrij herinner ik mij alleen Bommelskonten. En juist dat woord mocht je op alle mogelijke manieren spellen omdat het niet een officiële plaatsnaam was.

Volgende week buigen al die spellingfanaten zich over de tekst van Kees van Kooten. Hij begint met de loop van de jaren – of moet ik hier zeggen ‘in de loop der jaren’ – steeds meer op een persiflage van hem te lijken: Dr. E.I. Kipping. Draaiend met de pen tussen wijsvingers en duimen, onderwees hij hoe je die uitdrukking correct zei. Zoals ik Kees van Kooten in het NOS-journaal zag bij de bekendmaking dat hij dit jaar het Groot dictee zou gaan verzorgen, ontbrak alleen de pen in de hand.

Het dictee is daarmee een evenement geworden en ik vraag mij af wie van de prominenten het dictee met een glimlach schreef. Ik herinner mij het collectieve zuchten als de meester aankondigde een dictee te zullen afnemen. Nu schuift zelfs Helmuth Lotti aan. Zonder zuchten. Met een glimlach krijgt hij zijn roodbekraste velletje terug. Vroeger de reden om te zuchten. Nu de trots van elke prominent.

Cultuurpessimisme

image

Tegen het einde van zijn 95 pagina’s tellende essay Wat alleen de roman kan zeggen schrijft Oek de Jong:

Bij het kranten lezen zijn er bepaalde onderwerpen waar ik liever niet over lees (80)

Dat heb ik ook bij het essay van Oek de Jong. Hij zegt hele mooie dingen over de roman en de waarde van de roman. Zo beschrijft hij prachtig de ervaring bij het lezen van de erotische scènes van de Japanse schrijver Yasunari Kawabata. Dat hij winnaar van de Nobelprijs is, moet Oek de Jong uiteraard even noemen om de schrijver meer waarde te geven.

Pessimistische scènes

Het zijn juist die pessimistische scènes over de teloorgang van de cultuur die ik liever niet lees. Opmerkingen als:

Veel achttienjarigen die naar de universiteit gaan, zijn niet in staat een tekst van enige lengte te schrijven en hebben zelfs moeite met correct spellen. (83)

Het is een cultuurpessimisme dat je van de oudere generatie hoort, terwijl nieuwe studenten over heel andere capaciteiten beschikken waar ik jaloers op ben. Het is een andere zienswijze wat cultuur is. Dezelfde als waar Oek de Jong zelf iets laat doorschemeren uit de tijd waarin hij jong is. Het onderscheid tussen hoge en lage cultuur is dan aan het vervagen.

De literaire roman behoorde tot de hoge en de strip tot de lage cultuur, Chopin was hoge cultuur, popmuziek lage. Voor mijzelf betekende dit onderscheid in de praktijk niets, want in de Amsterdamse subcultuur waarin ik me vanaf eind jaren zeventig bewoog werd het al niet meer gemaakt. In het Shaffy Theater keek ik in de ene zaal naar een toneelstuk van Peter Handke en in een andere naar een show van clown Django Edwards. (16)

Hoge en lage cultuur

Dat versmelten van hoge en lage cultuur gebeurt in deze tijd meer dan ooit. Luister je het ene moment nog naar Bach, het andere moment klinkt er een de muziek van Arnin van Buren door de luidsprekers. Of lees je het ene moment een gedicht van Gerrit Komrij, het andere zing je een lied van André Hazes mee.

Daarmee beantwoordt Oek de Jong een heel belangrijke vraag niet: wat voor een toekomst is de roman weggelegd. Hij blijft sterk hangen in de jeugd die niks meer kan en weet, terwijl ik op internet heel andere bewegingen zie: iedereen schrijft, iedereen blogt. Een recensent in een krant moet concurreren met de duizenden meningen over een boek op internet.

Filmpjes kijken en googlen

Internet is meer dan het filmpjes kijken en googlen dat Oek de Jong in zijn essay doet. Het www is een niet meer weg te denken medium in onze cultuur geworden. Oek de Jong gaatvoorbij aan een belangrijk onderdeel in de cultuur die hij door al zijn pessimisme niet ziet.

Hij blijft teveel hangen in een schoonheidsbeleving die hij zelf ook niet meer heeft. Hij vergelijkt zijn jeugd met de jeugd van tegenwoordig. Hierbij vergeet hij dat de processen die hij en zijn generatie in gang hebben gezet, bijdragen aan de ‘verloedering’ waar hij over schrijft.

Dat is jammer. Het cultuurpessimisme haalt de kracht uit zijn essay. Ik zou hem juist willen uitdagen om mee te gaan op internet. Zijn ervaringen met de oude klassieken daar te delen. Het levert hem en ons nieuwe gezichtspunten op en zal bijdragen aan de cultuur.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is een bijdrage aan Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nlLees de bijdragen van anderen in de reacties.

De groeten

Het was zondagavond bij de nachtzoen dat ik haar succes wenste op school. De vakantie voorbij zou ze maandag de draad weer oppakken. ‘Doe de groeten aan de juf’, zei ik terwijl ik het licht uitdeed.

Ik herinnerde mij hoe mijn vader altijd de leus meegaf mijn best te doen. Vaak vroeg hij erbij of ik de meester of de juf de groeten wilde doen. Ik vergat het altijd om de groeten over te brengen. Zo werd het langzaam een opdracht die erbij hoorde en die meer voor mij was dan voor mijn meester of juf. Lees verder De groeten