Categoriearchief: dante

Bevroren tranen: Divina Commedia: Hel: Canto 33

De graaf Ugolino neemt een hap uit het hoofd van aartsbisschop Ruggieri. Hij veegt meteen zijn mond af aan de haren van het hoofd waar het net zijn tanden heeft gezet. De schim vertelt aan Dante en zijn begeleider Vergilius wie hij is.
In de vorm van een droom met bijbehorende symbolen vertelt hij zijn geschiedenis. Hoe hij op een verschrikkelijke manier ten einde kwam dankzij de man waar hij net en stuk uit de schedel verslonden heeft. Hij zou als burgemeester zijn stad Pisa hebben verraden, maar daar denkt hij anders over.

De verteller lijkt hier wel de gulden middenweg te kiezen in zijn verhaal over deze bijzondere geschiedenis. Als lezer kom ik in de verleiding om de graaf als slachtoffer te betitelen. Helaas komt de aartbisschop niet aan het woord. Ugolino en zijn zonen zijn omgekomen aan de hongerdood in die toren, die sinds hun dood de naam Hongertoren draagt.

Verderop liggen andere zondaars. Ze liggen achterover, schrijft de verteller. Ook hier is het ondragelijke koud. De tranen van de zondaars bevriezen meteen. De verteller kan het niet laten hier een treffende vergelijking te maken:

Wij gingen verder, langs een plek die anderen
ook stijf ’t in ijs houdt vastgeklemd, maar nu
’t gezicht omhoog gewend, niet naar beneden.Zo stremt het huilen zelf de tranenvloed,
het wellen van ’t verdriet wordt door de ogen
gestuit en binnen stuwt de pijn zich op.Want de eerste stroom verstart zich tot obstakel
en dat kristal vormt zelf een soort vizier
dat tot de wenkbrauw heel de oogkas opvult. (vs 91 – 99, Brouwer)

De oogholtes zitten vol met bevroren tranen dat ze veranderen in brillenglazen. In gesprek met de zondaars hier verneemt Dante dat de duivel zo wreed is dat hij de gedaante aanneemt van levende wezens zoals Branca d’Oria. Een vlijmscherpe veroordeling. De ziel baadt al in de Cocytus, terwijl zijn lijf rond op aarde rondloopt.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 33

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2000. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Vervalsers: Divina Commedia: Hel: Canto 29

img_20160823_122313.jpg
Nog onder de indruk van de zondaars die hij gezien en gesproken heeft in de 9e grachtring, trekt zijn begeleider Vergilius Dante weer in het verhaal. Dante zegt dat hij wil gaan huilen van alle smart die hij hier ziet. Vergilius ziet het anders.

De Romeinse dichter is van mening dat je de pijn en verdriet die mensen hier treft, hier moet laten. Je kunt niet alle zonden van de wereld op je nemen, vindt hij. Zelfs de bloedverwant van Dante, een neef van zijn vader, die een gewelddadige dood gestorven is, moet hij met rust laten. Je schiet er niks mee op, vindt de dichter.

Ze lopen naar de 10e en laatste ringgracht van de 8e kring, de Malebolge, de kring van de bedriegers. In de 10e ring zitten de vervalsers. Hij kan het niet goed zien omdat er niet genoeg licht is, maar er komt een ondraaglijke stank omhoog uit deze gracht. De verteller vergelijkt het met de lucht van ontbindende lijken.

Het leed dat Dante ziet, is te vergelijken met alle zieken in de periode juni in juli in de ziekenhuizen van Sardinië, de Valdichiana en de Maremmen liggen. In deze tijd van het jaar waren er tijdens Dantes leven veel malaria-slachtoffers.

Als hij wat lager komt, ziet hij de bodem van de ringgracht wat beter. Ze lopen zwijgend over de lager gelegen dwarsdam. Dan ziet Dante 2 mannen die helemaal van top tot teen met korsten bedekt zijn. Ze vechten tegen een krankzinnige jeuk:

Ik zag er twee zitten tegen elkander geleund.
Zooals men om ze te warmen pan tegen pan zet,
Van ’t hoofd tot de voeten met korsten bevlekt;

En nooit zaag ik zóo de roskam hanteeren
Door staljongen op wien de meester wacht,
Noch door hem, die ongaarne wakker blijft:

Als ieder van hen de nagels repte
Steeds over zich heen om de groote woede
Van den jeuk, waarvoor geen verlichting meer is.

En zoo trokken de nagels de schurft af,
Als het mes de schubben van den brasem,
Of van een anderen visch, die er grootere heeft. (vs 73 – 84, Bremer 1943)

Een prachtig fragment dat ik niet kan lezen zonder een ongelooflijke jeuk te krijgen. Dante loopt hier de alchemisten Griffolino en Capocchio tegen het lijf. De laatste zit hier omdat hij de alchemie heeft ingezet voor zijn eigenbelang. Hij vervaardigde er valse munten mee.

Volgens de verteller is het vervalsen van geld wel de ergste zonde tegen de staat die je kunt plegen. Tegelijkertijd wijst de alchemist Capocchio erop dat Dante hem ook moet kennen vanwege zijn kunde de natuur heel goed na te kunnen bootsen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 29

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Frederica Bremer uit 1943. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Dieven en rovers: Divina Commedia: Hel: Canto 24

Dante en zijn begeleider Vergilius komen verder naar de kern van de hel. Ze zijn belandt bij de brug die de zesde kring van de 10 grachten verbindt met de zevende kring. De brug is echter ingestort. Ze kunnen niet verder. Er liggen brokstukken voor hen.

Dante vergelijkt zijn teleurstelling in prachtige bewoordingen met de boer die ’s ochtends naar buiten kijkt in de hoop zijn vee naar buiten te kunnen doen. Hij denkt sneeuw te zien liggen, maar het is rijp:

Dan staat de boer, bij wien het voeder schaarsch wordt;
Vroeg op en kijkt, en ziet nog alle velden
Gansch wit; hij slaat zich op de dijenEn keert in huis, loopt klagend her en der,
Een arme bloed, die niet weet wat te doen
Komt weer naar buiten, en herwint de hoop,

Bemerkend hoe in korten tijd de wereld
Haar aanschijn heeft veranderd; neemt zijn staf,
En jaagt de schaapjes buiten om te grazen.

Alzoo deed de meester mij ontstellen,
Toen ‘k zag hoe zijn gelaat verduisterd werd,
En even snel volgde op dit kwaad de pleister (vs 7 – 18, Bremer)

De dichter Vergilius redt Dante opnieuw uit de positie waarin ze zijn beland. Hij wordt gedragen door de schim die de Romeinse dichter is en vliegt naar de volgende damwand. Hij wil bij de pakken neer gaan zitten, maar Vergilius maant hem aan in beweging te komen. We zijn misschien wel uit de gracht van de huichelaars, maar we zijn er nog lang niet.

Dante tuurt naar beneden, maar kan niks ontwaren. Waar zijn ze belandt? Het is te donker om goed te kunnen kijken. Als ze afdalen zien ze hier de gestraften. Overal krioelen de slangen en de naakte zielen rennen en springen, maar het is doelloos.

Ze kunnen geen kant op. Bovendien zijn ze ook met slangen vastgebonden, de handen op de rug terwijl de slangen overal doorheen steken. Hier ziet Dante Vanni Fucci. Een dief, die overigens zich ook misdroeg op andere vlakken. Maar de diefstal van de kerkschat uit de dom van Pistoia.

Voor de schrijver Dante is het de gelegenheid de ziel weer een voorspelling te laten doen. Het doel hiervan is zoals de zondaar zegt om Dante pijn te doen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 24

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Frederica Bremer uit 1943. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Goddelijke voorzienigheid: Divina Commedia: Hel: Canto 23a

Snel vluchten Dante en Vergilius naar de volgende ringgracht. Ze laten de ruziënde duivels achter. Dante vraagt zich vertwijfeld af of ze hieraan wel goed doen. Hij haalt een fabel aan over de kikker en de muis. De muis vraagt bij een sloot aan de kikker of hij mag oversteken.
De kikker heeft verkeerde bedoelingen en wil dat de muis zich vastbindt aan hem. In het midden van de sloot wil hij dan naar beneden zakken om de muis te laten verdrinken. Als de kikker in het midden van de sloot is, grijpt een wouw de muis. Omdat de kikker vastzit aan de muis via het touw, heeft de wouw hem ook.

Dante vreest het ergste, want de duivels laten zich niet zomaar voor de gek houden en wie weet wreken ze zich op hem en Vergilius. De Romeinse schrijver heeft hetzelfde bedacht en bedenkt snel een plannetje. Maar de duivels komen er al aan voordat Vergilius goed en wel het plannetje verteld heeft. Daarom grijpt de dichter Dante in zijn armen en glijdt naar beneden van de rotsachtige helling.

Hier maakt de verteller weer een prachtige vergelijking met de schoepen van een waterrad:

Nooit ging zó snel water door een geul
om rad te wentelen van een watermolen
wanneer het ’t dichtste bij de schoepen komtals nu mijn meester langs die oeverhelling,
met mij intussen aan zijn borst geklemd,
als was ḱ zijn zoon en niet slechts reisgezelschap.

Zijn voeten hadden nauwelijks aangeraakt
de diepe bedding, of zíj stonden boven
al aan de rand, maar weg was onze angst! (vs 46 – 54; Brouwer)

Eerst redt de gestalte van Vergilius Dante uit de vervelende positie waarin ze zijn terechtgekomen. Daarna maakt de verteller ook nog eens gebruik van de ‘deo ex machina’, de goddelijke kracht die de personages verder beschermt.

Ze vluchten razendsnel de 6e ringgracht in. Hier kunnen de duivels uit de 5e ring niet komen. De goddelijke voorzienigheid beschermt ze daarvoor wel. Het is wel een mooi, spannend gedeelte in de avonturenroman die dit deel van de reis door de hel meer en meer aanneemt.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 23a

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2000. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Duivels, dolfijnen en pekdrijvers: Divina Commedia: Hel: Canto 22

image

De duivels hebben namen gekregen in dit deel van de hel. Dante en zijn begeleider Vergilius lopen mee met de leider van de 10 duivels: Ruigbaard. De duivels dragen namen als Roodsnoet, Krabklauw, Zweefhoofd en Draakreus. Het voelt bijna of je in een fantasy-verhaal belandt, waarbij de duivels veranderd zijn in fantasiefiguren.

De 2 gaan verder met de groep duivels over de steendam. Vanaf de hoge dam zien ze hoe de zondaars in het pek liggen. Dante houdt het kokende teer goed in de gaten. Soms komt er een zondaar omhoog zoals een duikelaar. Niet voor lang, schrijft Dante:

Ik trachtte in ’t gaan mijn aandacht te beperken
Tot de pekzee, die rondom af te speuren
En hen die daarin kookten te bemerken.

Zooals dolfijnen die hun ruggen beuren
Een teeken voor de zeelui in hun booten,
Die ’t vluchten veilger dan het voortgaan keuren,

Zoo zag ik soms een zondaar bovenvloten
Om maar een oogenblik zijn rug te koelen,
Waarna ze bliksemsnel naar onder schoten. (vs 16 – 24; Verwey)

Als er een ‘kikker’ toch uit het pek weet te springen naar de kant, die dan niet op tijd weg is voor de duivel, dan zijn de snelle duivels er op tijd bij. Ze grijpen een man uit het koninkrijk Navarra die de dans probeerde te ontspringen.

Dante is als altijd nieuwsgierig of er nog mensen uit Italië in het pek zitten. De man krijst het uit dat hij net nog onder eentje zwom in het pek. Zat hij nog maar daar, dan zou hij het beter hebben dan hier tussen de klauwen en gaffels.

Als hij dan uiteindelijk de duivels uitdaagt, is hij ze even te slim af en duikt hij terug in het pek zonder dat ze het zien. En duivels, zouden geen duivels zijn als ze het daarna niet met elkaar aan de stok kregen. Ze slaan elkaar op de vuist en geven elkaar de schuld van de ontsnapping van de man uit Navarra.

Tijd voor Dante en zijn begeleider om verder te lopen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 22

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Albert Verwey uit 1923. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Oplichters en rechtverkrachters: Divina Commedia: Hel: Canto 21

image

In de volgende sleuf van de 10 ringgrachten, ook Malebolges genoemd, klinkt een zinloos gejammer op. Dante kijkt goed en ziet hoe een dikke, kokende peklaag in deze gracht stroomt. Hier is de hel zoals veel mensen deze voorstellen met duiveltjes die een drietand vasthouden en daarmee zondaars achterna zitten.

Terwijl Dante hier loopt, roept Vergilius plotseling ‘pas op!’. Ze geven even de ruimte aan de zwarte duivel die over de rotsbrug in hun richting komt. Hij heeft een zondaar op zijn schouders liggen en werpt hem van de rotsbrug waarop ook Dante en Vergilius staan.

Dante geeft deze duivels eigen namen: Malebranche, dat betekent Kwaadklauwen. Ze gooien alle oplichters en rechtsverkrachters hier in de kokende teer. Een verschrikkelijke straf waaruit de misdadigers proberen te ontsnappen. Maar de duivels letten hier goed op. En Dante vertelt dit in een treffende vergelijking met de kookkunst van koks terwijl de duivels naar de zondaars in de kokende teer gillen:

‘Als ’t scherp van onze gaffels je niet zint,
Is bovenkomen jou niet aan te raden.’

Door honderd haken werd hij vastgepind.
‘Huppelen mag, maar je moet onderblijven,’
Riep men. ‘Steel heimelijk als je iets vindt!’

Zo plegen koks hun koksmaats voor te schrijven
Het vlees met vorken onderin de pan
Te houden en niet te laten drijven. (vs 50-57; Cialona en Verstegen)

Vergilius waarschuwt Dante om zich meteen achter een rotsblok te verstoppen. De duivels worden link en ruiken vlees. Ze zijn inderdaad bloedlink. De klassieke dichter moet alles op alles zetten om de grijpgrage duivels te weren. Als Dante dan tevoorschijn komt, willen ze hem met hun gaffels in zijn achterste prikken.

Na een gesprek met de leider van deze duivelsgroep, krijgen ze verder begeleiding van deze monsters. Net als de toezegging dat hun geen vlieg kwaad wordt aangedaan. Vergilius stelt de dichter Dante extra gerust. Als de duivels hun tanden laten zien is het niet tegen hen, maar tegen de zondaars die hun kop boven het pek uitsteken.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 21

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Cialona en Verstegen uit 2000. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.