Categoriearchief: boudewijn büch

Helder en eerlijk licht – #omzwervingen

Ik sta zo op het plein voor de Amsterdamse Westerkerk en probeer mijn fiets weg te zetten. Ik ruik een geur van verbrand rubber en andere verontreiniging die uit de donkere wolk komt die over de stad waait. Precies op het moment als ik mijn fiets vastzet, begint mijn telefoon verschrikkelijke herrie te maken. Het is een alert, waarin ik opgedragen wordt ramen en deuren te sluiten. Net als de ventilatie uit te zetten.

Als ik bij de ingang van de kerk kom, is er een opstootje. Een man laat zich neervallen, terwijl de beveiliger hem tegenhoudt. Hij begint te gillen in het Engels dat hij de politie er dan maar bij moet houden. Ik passeer de drukteschopper en stap naar binnen.

De Westerkerk is een prachtige kerk. Vooral het licht is er heel erg mooi. De hoge ramen dragen daaraan bij, misschien ook de plek waar de ramen op uitkijken. Het lijkt wel of je zo de gouden eeuw in stapt. Heel helder en eerlijk licht. De kleur komt fris over, alsof de tijd stilstaat en niets meer beweegt.

Dan sta ik weer buiten, pak mijn fiets en rij nog even in de richting van de Kinkerbuurt. Ik wil nog even langs het huis fietsen waar Gerrit Komrij in Amsterdam heeft gewoond, aan de Jacob van Lennepkade. Ik moet op mijn mobieltje zoeken welk nummer het was, inderdaad 191. Dan nog een stuk doorfietsen tot ik hem heb.

Aan de overkant kan het huis beter op de foto zetten. Het ruikt naar wiet. Terwijl ik zo kijk, vraag ik mij af of ik hier niet eerder was. Had Jan van Aken zijn woonboot niet ergens hier liggen? Ja, dat moet inderdaad zo geweest zijn. Het idee dat hij hier vlak voor het voormalig huis van Gerrit Komrij zijn woonboot had liggen, vind ik grappig en weemoedig tegelijk.

Ik besluit om te keren, maar misschien moet ik ook nog even bewust op zoek naar het grachtenpand van Boudewijn Büch. Zo rij ik even later over de Dam, langs de kermis. Het is overal verschrikkelijk druk en het kost mij veel bellen, remmen en ontwijken om bij het Waterlooplein te komen.

Voor de Portugese synagoge bij het stoplicht besef ik dat ik vergeten ben langs het huis van Boudewijn Büch te rijden. Ik rij door. De Hortus is misschien wel leuk om even te kijken. Ik zie dat de Museum Jaarkaart er niet geldig is en de entree 9 euro bedraagt. Teveel. Dan maar door.

Deze week een fietsritje naar Amsterdam; lees morgen Amsterdam Rijnkanaal

Ordening in mijn bibliotheek – #50books

image

Bij de foto’s van Boudewijn Büchs bibliotheek zie je op oudere foto’s dat alle boeken netjes geordend staan. De foto’s die vlak na zijn dood zijn gemaakt, laten een rommelige bibliotheek zien. Boordevol stapels boeken op tafeltjes, voor de kasten en op de trap.

Of hij dat speciaal voor de foto’s heeft opgeruimd of dat later de slordigheid binnentreedt, durf ik niet te zeggen. Iets soortgelijks zie je ook op de foto’s die van Gerrit Komrij’s bibliotheek zijn gemaakt na zijn dood. Het ordenen van boeken kost tijd en misschien heb je dat niet meer vlak voordat je sterft.

Bij mij schiet de ordening er de laatste tijd ook aardig in. Ook omdat mijn bibliotheek een beetje begint dicht te groeien. Tot nu lukt het nog net de boeken ergens op andere te leggen. Dat is niet zo goed voor de boeken, dus ik zou eigenlijk de rijen moeten herordenen. Misschien wegdoen wat ik overbodig vind.

image

In mijn studententijd besloot ik ook mijn kamer rigoreus opnieuw in te delen. De reden was dat ik geen boek meer kon vinden. Ik ontwikkelde de theorie dat je iets niets hebt als je het niet kunt vinden. Alle wanden van mijn kamertje voorzag ik van planken waarop ik de boeken zorgvuldig uitstalde. Daarnaast nam ik uitvoerig mijn bibliotheek door en deed kritisch allerlei overbodige boeken weg. Ze kwamen in twee grote dozen die ik tijdelijk op de gang zette.

Ik verhuisde een klein jaartje later naar Almelo en de twee grote dozen gingen mee. Na nog een keer kritisch alles te hebben uitgeplozen, verkochten we een deel van de overtollige boeken op de Almelose boekenmarkt op Hemelvaartsdag. Dat deden we twee jaar achter elkaar en het leverde een leuk bedrag op.

Na de laatste verhuizing in 2006 heb ik alle overtollige boeken in dozen bewaard waarmee ik ooit nog op de boekenmarkt wil staan. Andere wil ik via internet verkopen. Maar zoals dat vaker gaat, komt het er niet van en blijft de grote herschikking achterwege.

image

De stapels boeken die zich nu in mijn bibliotheek beginnen te vormen, zouden het teken aan de wand moeten zijn: ik moet weer eens aan de slag om alles overzichtelijker te maken. Al kan ik op dit moment alles snel vinden en hoef ik niet heel lang op zoek naar een boek. Ze staan op alfabetische volgorde. De opgestapelde boeken liggen op andere boeken die in dat alfabet ergens zitten.

Maar het staat zoveel mooier en overzichtelijker. Bovendien is vorig jaar een deel van Inges boeken een etage lager verhuisd. Dus misschien volgend weekend maar eens een beginnetje maken. Of wordt het toch een weekend of wat later?

#50books

Dit is het antwoord op vraag 7 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

Kongo en Congo

imageIk kwam laatst de bundel met reisverhalen Naar huis tegen in de kringloopwinkel van Diemen. In deze bundel met verhalen van Boudewijn Büch, Charles Darwin en Paul Theroux, staat ook een verhaal van Redmond O’Hanlon. Het verhaal heeft de veelzeggende titel ‘Kongo’.

De verantwoording aan het eind van het 190 pagina’s tellende boekje vermeldt de vertaler van dit verhaal, Tinke Davids. Dan volgt een belangrijke zin over het grote reisboek van Redmond O’Hanlon dat nog moet verschijnen: ‘Kongo verschijnt najaar 1993′.

Najaar 1993 verschijnt het grote reisboek van Redmond O’Hanlon niet. En de jaren erop ook niet. Pas in september 1996 verschijnt de eerste druk van dit boek. Het telt meer dan 50 pagina’s en heeft de titel Congo gekregen.

Het verraadt iets van de moeite die Redmond O’Hanlon heeft om tot zijn prachtige reisverhalen te komen. Een proces dat jaren kost van schrijven, schrappen, herschrijven en veranderen. Het meest blijkt dat nog als je het verhaal ‘Kongo’ naast het grote reisverhaal legt.

Het verhaal uit Naar huis vindt in het grote reisverhaal Congo een plekje in de hoofdstukken 30, 31 en 32. Hij kiest ervoor in het korte verhaal om de naam van Léonard achterwege te laten en te beperken tot Commandant.

Het verhaal is echt een fragment gebleven en is moeilijk los te lezen van het grotere geheel. Veel van de context die het grote reisverhaal bevat, valt in het korte verhaal weg. Wel blijft de prachtige vertelwijze overeind die O’Hanlon zo kenmerkt. Het verhaal nodigt daarmee uit tot het lezen van het grote reisverslag.

Redmond O’Hanlon: Congo. Oorsponkelijke titel: Congo Journey. Vertaald uit het Engels door Tinke Davids. Amsterdam, Uitgeverij Atlas, 1996. 568 pagina’s. ISBN: 90 254 0165 1

Eenzaam

image

Het tweede boek in de Eilandenreeks Eenzaam is een heel ander boek dan het eerste Eilanden. In Eenzaam schrijft Boudewijn Büch over de eilanden waar hij wel geweest is. Ook worden de eilanden niet afzonderlijk besproken, maar opgenomen in thematische essay’s.

Interessante onderwerpen waarbij hij gelukkig vaak ook andere dingen bespreekt. Zoals het essay over vuurtorens waar Boudewijn Büch veel schrijft over de ander passie van hem: pharofilie. Hij noemt zich naast een nesofiel (eilandenliefhebber), ook een pharofiel (vuurtorenliefhebber). In Eenzaam beschrijft hij in een hoofdstuk zijn hunkering naar vuurtorens. De liefde voor vuurtorens brengt hem op eenzame plekken, vaak een eiland, waar meestal niemand meer woont.

Vuurtorens, afgelegen streken en eilanden – zij leiden een eenzaam, betwist en absurd bestaan in de geschiedenis van de aardbol. Een wereld waarvan ik steeds vaker droom dat ik haar gefantaseerd heb. (223)

Het zijn de verhalen die dit boek tot een interessant boek maken. Ik geniet ervan. Ook al weet ik dat je het met een flinke korrel zout moet nemen. Zou Boudewijn Büch werkelijk op 21 november 1979 in de DC-10 met Zuidpoolnieuwsgierigen hebben gevlogen? Een vlucht later zou het vliegtuig neerstorten en nooit meer vanaf Nieuw-Zeeland over de Zuidpool en de Mt Erebus vliegen. Hij zet het heel dramatisch aan, maar heel veel details vertelt hij niet. De informatie die hij beschrijft komt voornamelijk uit de boeken over de ramp met het vliegtoestel waarvan hij er vijf noemt.

Als je niet gefixeerd bent op de waarheid, is het boek heel interessant om te lezen. Zoals het hoofdstuk over de Chileense expansie en de beelden op Paaseiland. Het levert interessante opmerkingen en belevenissen op. Over de dictator Augusto Pinochet Ugarto die steevast als misdadiger wordt afgeschilderd tegenover de vermoorde Allende:

De heldenvisie op Salvador Allende Gossens is, naar mijn diepste overtuiging, een Europees-Noordamerikaanse constructie. Het presidentschap van Allende Gossens moet bijna twintig jaar na zijn dood als een absolute mislukking worden beschouwd. Daarentegen was het regime van Pinochet Ugarte economische gezien een succes.

De daden van Pinochet keurt Boudewijn Büch wel af, maar ‘de linkse decacentie van Allende Gossens moest het land in 1973 bijna noodzakelijkerwijs in de handen drijven van beroepsmilitairen, een beroepsgroep waar heel Zuid- en Midden-Amerika al sedert eeuwen door vergitigd wordt.’ Daarna merkt hij op dat Pinochet Ugarte een wreedaardige dictator was, ‘maar bij lange na niet de enige Chileense slechterik, zoals we in Europa denken.’

Het zijn interessante constateringen die met eilanden weinig van doen hebben, maar ze helpen wel mee het verhaal over de Chileense expansiedrift te begrijpen. Zoals de verovering van Paaseiland die mede dankzij de Amerikanen tot een redelijk toegankelijke plek op aarde werd. Ze laten er hun vliegtuigen USA-Australië landen voor een tussenstop. De passagiers krijgen in de twee uur dat het vliegtuig stilstaat een snelle rondleiding naar de dichtstbijzijnde beelden.

Natuurlijk zijn het details, want Boudewijn Büch schrijft veel bevlogener of Roggeveen die er als eerste lande. Of over het eiland van Robinson Crusoe. De romanfiguur die elke eilandliefhebber heeft getriggerd: helemaal alleen op een onbewoond eiland. Het is het verhaal van Selkirk, ‘natuurlijk wél een ordinaire zeerover’, die zich vrijwillig laat afzetten bij één van de Juan Fernández-eilanden.

Ruim vijf jaar verblijft hij op het eiland en laat zich uiteindelijk meenemen door een Britse piratenvloot. Selkirk vormt voor de schrijver Defoe de inspiratiebron voor zijn roman Robinson Crusoe. In 1966 geeft de Chileense regering twee eilanden van de Juan Fernández-eilanden in de Stille Oceaan de namen: Isla Alejandro Selkirk en Isla Robinson Crusoe. De namen van de feitelijke en fictieve eilandbewoners van de onbewoonde eilandjes in de Stille Oceaan.

Deze weetjes en alle informatie die Boudewijn Büch verzamelt en uitvoerig vermeldt – zeer selectief en niet altijd even volledig – maken het boek tot een aangenaam werk. De eindeloze reeks publicaties die hij opsomt maakt het niet altijd even toegankelijk. Het dient vooral ook om de belezenheid én het boekenbezit van de schrijver goed tentoon te spreiden. Of zoals hij zelf schrijft in een kleine, maar eigenlijk heel grote opmerking in het nawoord bij de tweede druk van dit tweede deel uit de eilandreeks:

Nog een kleine opmerking tot slot. Alle in Eenzaam genoemde boeken, tijdschriften, stencils, knipsels et cetera bezit ik zelf; ze maken deel uit van mijn Bibliotheca Didina Et Pinguina (Amsterdam). Indien ik een publicatie niet noem of ken, ligt dat eenvoudig aan het feit dat ik haar niet bezit. Meestal vindt dat zijn oorzaak in mijn onmacht om een bepaald drukwerk te bemachtigen of te traceren. Dat ik zelden of nooit gebruik maak van geleende geschriften of (openbare) bibliotheken komt omdat ik het tijdelijk bezit van een boek niet verdragen kan. (262)

Daarbij vindt hij dat het openbaar Nederlands boekenbezit nauwelijks iets heeft dat het hart van de eilandenliefhebber sneller doet kloppen. Dat doet het boek van Boudewijn Büch zeker wel, het vertelt van een passie waarover nooit genoeg geschreven is.

Boeken met gesigneerde boeken – #50books

image

Van de boeken van Maarten ’t Hart ging eens het gerucht dat er meer gesigneerde boeken in omloop zouden zijn dan ongesigneerde exemplaren. Als Paul Theroux in De gelukkige eilanden naar Australië gaat voor interviews en signeersessies, komt die oneindige rij van mensen voorbij.

‘Het is onmogelijk te voorspellen wat voor ontwijkende en nerveuze dingen er gezegd zullen worden door de lezers die zich voor je tafeltje verdringen.’

Dan volgt een opsomming in cursieve letters: ‘Ik dacht dat u langer was, zeggen ze. Ik dacht dat u jonger was. Wanneer hebt u uw baard afgeschoren. Of: Mijn man en ik gaan volgende maand naar India – kunt u een betaalbaar hotel in Darjeeling aanbevelen? Of: U zou met een tekstverwerker moeten werken, of: U bent de lievelingsschrijver van mijn moeder – wilt u op haar verjaardagsfeestje komen? Dat is aanstaande dinsdag.

Boudewijn Büch

Bij de introductieweek van de universiteit in mijn jaar, kwam Boudewijn Büch bij studentenvereniging Minerva langs. Ik ging met Wouter naar het tafeltje toe. We schoven aan in de rij belangstellenden na afloop van het praatje dat Büch hield over studeren in Leiden.

Ik weet niet meer of hij daarin nog wat vertelde over zijn (verzonnen) studententijd. Toen wij aan de beurt waren, grapte ik dat ik zijn handtekening niet hoefde. ‘Die heb ik toch al van je televisiespotje.’ Boudewijn Büch begreep het niet. ‘Nou aan het einde van een klimaatspotje zet u uw handtekening’, legde ik uit.

Hij vond mijn opmerking maar bijdehand. ‘Man, dat is jaren geleden’, verzuchtte hij. Het Postbus51-spotje voor een betere wereld waarin bekende Nederlanders hun voorliefde voor het milieu uitspraken, draaide nog regelmatig in de sterspotjes mee. Hij keek al snel naar het einde van de rij om via de achteruitgang het pand uit te vluchten.

Maarten ’t Hart

Maarten ’t Hart schrijft in Dienstreizen van een thuisblijver over een signeersessie bij boekhandel Van der Galie in Utrecht. Een grote bewonderaarster met lange nagels. Ze wacht hem buiten op om met hem langs een dierenwinkel te lopen met een vogelspin waar ze bang voor is.

Ze klautert met haar scherpe nagels bijna in de schrijver. En besluiten om even bij te komen op een terrasje. Als ze vraagt of hij iets voorin haar boek wil schrijven, laat ze hem een boek van J.M.A. Biesheuvel zien. Hij krabbelt de handtekening van zijn naam- en stadgenoot: ‘want ik weet precies hoe de handtekening van Maarten Biesheuvel eruit ziet’.

Dan ontdekt de dame met de lange nagles dat niet Maarten Biesheuvel bij haar zit, maar Maarten ’t Hart. Precies de schrijver waar ze zo’n hekel aan heeft, ‘van dat schofterige boekje De vrouw bestaat niet, getverdemme’. Hij krijgt een glas rode spa in zijn gezicht geworpen, waarna ze wegbeent in de richting van de vogelspin.

Het hart van Borneo

image
De junglereizen van Redmond O’Hanlon

Hoe kom je bij de schrijver Redmond O’Hanlon uit? Het is zo’n ritje via via. Natuurlijk kende ik de clown van de Beagle-reis van de VPRO wel. Ook had ik stukjes gezien van de serie met O’Hanlons helden. Zodoende lag zijn oeuvre van drie reisboeken bij mij in de boekenkast.

Bij het lezen van Boudewijn Büchs Eilanden ging ik ook wat speuren op internet. Zo kwam ik uit bij een film waarbij de Nederlandse schrijver op bezoek gaat bij de avonturier de Engelse reiziger en wetenschapper. Hij weet onwijs veel van vogels en de negentiende-eeuwse reisliteratuur. Dezelfde literatuur waar ik ook zo verzot op ben.

In zijn eerste reisboek Naar het hart van Borneo bezoekt Redmond O’Hanlon het regenwoud van het eiland Borneo. Borneo is het op twee na grootste eiland ter wereld na Groenland en Nieuw-Guinea. Op dit immense eiland bezoekt Redmond O’Hanlon met zijn vriend, de dichter James Fenton het eiland. Ze doen Sarawak aan. Dat is het gedeelte van het eiland aan dat onder Maleisië valt. Het andere gedeelte, de Kalimantan behoort toe aan Indonesië.

Het boek van Redmond O’Hanlon leest als een avonturenboek, maar bevat een schat aan informatie. Het is een reisverhaal dat de avonturen bevat van het jongensboek. Het begint met de training die hij volgt op het oefenterrein van de 22ste SAS in de buurt van Hereford. De SAS-majoor geeft een handleiding hoe je de periode in het oerwoud kunt overleven. Het levert een monoloog op van anderhalve pagina waarin alle ontberingen voorbij komen.

Daarna bezoekt Redmond O’Hanlon de schrijver van The tropical traveller, waar hij informatie krijgt over de palang. ‘Dat is een buis of staaf van bamboe, been, hardhout enzovoort waarmee het uiteinde van de penis wordt doorboord bij veel stammen in de binnenlanden,’ Het citaat is een voetnoot uit een artikel van Tom Harrison over de Borneo-neushoorn, maar boezemt genoeg angst in bij de twee reizigers.

Op het vliegveld van Singapore neemt de marechaussee al Redmond O’Hanlons geweer in beslag. Op voorspraak van ‘amulet van middeleeuwse pracht’, een verklaring waarbij Redmond O’Hanlon en James Fenton voor wetenschappelijk onderzoek de binnenlanden intrekken, krijgen de twee begeleiding van drie ervaren mannen uit de jungle. Ze gaan in een kano de rivier op naar de diepe binnenlanden van Borneo, het hart van Borneo.

Wat volgt is een prachtig verhaal van een tocht door de jungle. Ze komen vrijwel geen mens tegen en worden bijna één met de natuur. Het eten is eentonig en afgrijselijk. Het ontbijt, de lunch en het avondeten bestaat uit rijst en vis.

De zelfspot druipt van de pagina’s. Zoals het moment waarop de twee heren besluiten hun dure visgerei te proberen. Ze zouden ‘hun eens leren hoe Engelsen met een minimum aan inspanning de meeste vis vingen.’ Het wordt een vertoning waarbij de loodjes en haakjes door de lucht vliegen. Zonder enig resultaat.

‘Er klonk een vreemd klokkend oerwoudgeluid achter ons. Dana, Leon en Inghai hingen tegen de rotsen aan. Wanneer de Iban besluiten dat iets echt leuk is, en weten dat ze een hele tijd gaan lachen, gaan ze er eerst bij liggen.’ (58)

Met de harpoen halen de mannen uit de jungle binnen enkele minuten een paar grote vissen uit de rivier. Het eten voor die avond en de volgende dag wordt bereid in twee oeroude kookpotten boven het vuur.

Zo verloopt de hele tocht door de jungle. De verbazing en verwondering waarmee de twee Engelsen door het oerwoud lopen, tegenover de ervaring van de drie mannen uit Kapit. De prachtige beschrijvingen van de Borneose natuur staan als heuse juweeltjes in dit spannende avonturenverhaal geklemd.

De natuur van Borneo is overweldigend en paradijselijk op zijn tijd. Het vormt eveneens een voortdurende bedreiging, waarbij Redmond O’Hanlon vooral de steun vindt bij de begeleiders. Zij trekken door het woud boordevol ervaring. Het is een schat aan rijkdom, waarbij zij zelfs meer kennis van de vogels hebben dan de Engelse schrijver.

Daarmee is Redmond O’Hanlon een feest om te lezen. De spanning van het verhaal – de reis door Borneo vol met de ontberingen – gecombineerd met de kennis die de verteller opdoet. Het roept tegelijkertijd de vraag op waarom je al die ontberingen zou moeten lijden. Of zoals de begeleider Leon de vraag stelt:

”Och mijn beste vriend,’ zei hij tegen James, terwijl hij de bloedzuiger lostrok, tegen een boom drukte en met zijn parang doormidden hakte, ‘waarom jij komen zo ver om zo te lijden? Waarom?’ (171)

Een vraag die zich alleen laat beantwoorden in het boek zelf: de prachtige avonturen die de twee beleven midden in die jungle. Het zijn de ontberingen meer dan waard. Redmond O’Hanlon trekt de rimboe in om zijn verhaal te halen. Het overleven en de drang te overleven maken het tot een doorleefd verhaal. Een reisverhaal dat gerust kan wedijveren met de verhalen van ontdekkingsreizen uit de negentiende eeuw.