Categoriearchief: schrijver

Mogelijk ga ik dat boek lezen

‘Indien ik naar het gymnasium was gegaan zoals ik eigenlijk gewild had, inplaats van een H.B.S. 5j., dan zou ze ‘deze man waarschijnlijk nooit ontmoet hebben tenzij dan veel, veel later. Mijn leven zou dan een heel ander verloop gehad hebben. En het zijne ook. Welk vreemde gedachte.’
Zo opent Clara Eggink haar memoires aan de dichter die met het kleine geluk beroemd is geworden: Jacques Bloem. Ik kocht het boek vandaag uit een lot met allerlei werken van en over Bloem, en wat delen Van Eyck. De veiling was op de eerste dag van mijn vakantie geweest en dit lot was de enige winst uit de veiling van De Eland uit Diemen. De boeken komen uit het bezit van wijlen Wim J. Simons van uitgeverij De Beuk.
De titel Leven met J.C. Bloem spreekt boekdelen. Zij was 19 en hij was 38 toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten. Hij was gecommitteerde bij haar eindexamen. Een leuke man met humor, maar een crime om mee samen te leven. Dat is haar samenvatting van zijn leven.
Het boek bevat ook veel wetenswaardigheden die mij niet zo interesseren. Eggink bestudeert het vroege werk van Bloem uitvoerig en maakt allerlei opmerkingen over de ontwikkeling van zijn handschrift.
Details die mijn aandacht niet hebben.
Getroffen werd ik door de volgende passage over het ‘proeven’ van boeken: ‘Er was in het dagelijks leven in wezen maar één ding waar hij aan verslaafd was niet alleen, maar waar hij alles aan opofferde. Dat waren boeken en het bezit daarvan.
Behalve een lezer was hij een proever van boeken. Het was voor hem soms voldoende letterlijk van een boek te proeven, het niet helemaal te lezen, om te weten was hij eraan had. Het resultaat van die houding ten opzichte van de letteren was natuurlijk dat hij veel te veel boeken verzamelde om in een mensenleven te lezen.’ (48)
Het teken van de herkenning, alsof het over mij ging en mijn liefde voor boeken. Ik koop ook altijd boeken met de gedachte dat ik het ooit zou kunnen gaan lezen. Ik koop niet met een voornemen, maar met een mogelijkheid.
Misschien dezelfde houding is de aanleiding dat ik het boekje bezit: het leek me een goede mogelijkheid om later te lezen. Van Egginks boek over Bloem heb ik aardig geproefd.

Arme sloebers

Tot voor kort dacht ik dat schrijvers arme sloebers waren en voor elke habbekrats zouden gaan. Hoe groot was mijn verbazing toen ik las dat Jeroen Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren weigert omdat het geldbedrag een schijntje zou zijn. Voor 16.000 euro komt de schrijver zijn huis niet uit. ‘Je wordt naar de Parnassus getild en afgescheept met een aalmoes’, aldus de weigeraar.
Wat verwacht Brouwers? Dat hij tonnen krijgt toebedeeld en vanaf dat moment nooit meer een boek hoeft te schrijven. Hij zal juist moeten blijven schrijven, vind ik. Geld of geen geld, schrijven staat los van materie. De vraag of je schrijft voor de eer of het geld, is overigens niet nieuw. De schrijver van de Beatrijs opent er zelfs zijn verhaal mee:

Van dichten comt mi cleine bate.
Die liede raden mi dat ict late
Ende minen sin niet en vertare.

Hij schrijft omdat hij dit verhaal moet vertellen. Het is een van de mooiste stukjes uit de Middelnederlandse literatuur. Iets waar Brouwers een voorbeeld aan moet stellen, ophalen die prijs en de habbekrats van 16 mille geven aan een goed doel. Desnoods voor de zeehondjes.