Categoriearchief: schrijven

Klein Dochteren – IM A.L. Snijders – #ZKV

In de tijd dat ik een baantje had bij een heus museum, reed ik 3 keer per week het stuk van Almelo naar Angelo. Een eind van 80 kilometer, waarbij ik de eerste 25 op de snelweg reed en de rest over 80-kilometerwegen. Langs Lochem, Zutphen en Doesburg om uiteindelijk achter de IJsseldijk in het kasteel bij Angerlo terecht te komen.

Vlak achter Lochem, ligt Klein Dochteren, een bijna niet noemenswaardig plaatsje. Je rijdt dan over de N236 langs een indrukwekkend landhuis uit de jaren ’30. Het schijnt dat daar tegenwoordig een commune in verblijft. En daar in de buurt woont dus de beroemde schrijver van korte verhalen, zeer korte verhalen zoals hij ze noemt: A.L. Snijders.

Niet geweten op de ochtenden dat ik daar reed. Misschien dat hij op enkele honderden meters afstand van mij rondtufte op zijn tractor. Na het houthakken en de kippen voeren. Een ZKV in het hoofd en later aan het papier toevertrouwend terwijl hij door het kleine keukenraampje van zijn boerderijtje naar buiten keek.

“Er rijdt een rood autootje door de ochtendmist. Waar zou hij heen gaan?”

De schreeuwende stilte

Zo’n droom: eens de Jan Hanlo Essayprijs binnenhalen. Ik stuurde dit jaar mijn bijdrage over het onderwerp: de stilte. Een prachtig onderwerp waar ik veel mee heb. Naast mij stuurden 120 anderen een essay. Ik behoor helaas niet tot de genomineerden. Vanavond is de uitreiking van de prijs. Ik ben heel benieuwd naar de winnaar.

Toch wil ik graag mijn bijdrage graag delen, vandaar dat ik hem hier publiceer. De titel luidt: De schreeuwende stilte. Ik wens je veel leesplezier.

Heb je opmerkingen om mijn essayschrijfkunst te verbeteren en volgende keer meer kans te maken? Laat gerust een berichtje achter in de comments. Dan droom ik ondertussen even verder.

De schreeuwende stilte

Laten we beginnen met een korte wandeling. Gewoon een klein rondje naar het nabijgelegen park en terug. Het is een loopje van een kwartiertje op een mooie zomermiddag. We houden onze mond en stappen het huis uit. Er vliegt een vliegtuig over. Op de parkeerplaats achter het huis, start een auto. We horen het suizen van een airconditioning bij het huis van de buurman. Verderop parkeert een vrachtwagen met een piepend signaal achteruit. We steken de weg over. Een aantal auto’s passeert ons. Eentje claxonneert omdat we volgens hem te nonchalant oversteken. We komen bij het fietspad. Een elektrische fiets rijdt voorbij. Bij elke trapbeweging die de fietser maakt, klinken de hoge gillen van de aandrijving. Een scootmobiel zoemt ons tegemoet. Het is druk op het fietspad, een opgevoerd brommertje passeert ons met een knallende uitlaat.

We lopen het park in. Het ligt bij een spoorwegviaduct. Er dendert een trein overheen. Nog een vliegtuig vliegt over. Het is de vijfde in de paar minuten die we nu lopen. Als je omhoog kijkt, zie je de volgende aan komen vliegen. Het is blijkbaar een drukke vakantiedag met veel vakantiegangers van en naar een midweekje Majorca of Turkije. Aan de andere kant van het park loopt de rondweg. Een voortdurend geraas, geknor en gepruttel van auto’s en piepende remmen bij het stoplicht. Gebrom van de stilstaande stationair draaiende auto’s. De twee tonen van een ziekenwagen die er langs moet, meteen gevolgd door de sirene van een politiemotor. Je kijkt te laat op om ze te zien, maar je hebt ze al gehoord.

We lopen weer terug naar huis. Twee honden rennen blaffend achter elkaar aan. Hun baasjes roepen. Een groepje mensen zit te picknicken op het gras en praat. Er klinkt een dreun uit de grote speaker naast de picknickmand. Vanuit het buitenzwembad achter de rondweg, klinkt gegil en geplons. Weer terug in de wijk, passeren we de buurman die zijn heg aan het snoeien is met een elektrische trimmer. De man ernaast is met zijn grommende grasmaaier in de weer. Een meisje loopt langs ons. De koptelefoon die ze draagt, tikt en jammert. Uit het huis iets verderop giert een boor door de betonnen muur. We zijn bijna thuis. Opeens barst vanuit het stadscentrum luide muziek los. Hard bonken en hoog jengelen; er is een festival begonnen. We slaan opgelucht de deur achter ons dicht. Eindelijk rust. We horen het bonken van het festival binnen doorgaan, maar als je er niet teveel oplet, dringt het niet tot je door. Net als de wasmachine die boven aan het centrifugeren is, de droger die draait, de koelkast die bromt en de brandmelder op zolder die waarschuwend piept. O ja, daar moet een nieuw batterijtje in. Het ding piept nu al een hele week elke dag een paar keer.

Allemaal alledaagse geluiden die ons de hele dag omringen. Zelfs als we in bed liggen, horen we het suizen, zoeven, piepen, rommelen, grommen en brullen van alle apparaten, voertuigen en machines om ons heen. Wees maar eens stil en luister. Het zal je verbazen wat je allemaal hoort. En vrijwel alleen hoor je geluid dat de mens met al zijn apparaten maakt.

Ander geluid

De rest heet stilte. Geen absolute stilte. Het is meer een ander geluid, zoals het fluiten van de merel op het dak van het huis, de burlende edelherten uit het naburige natuurgebied, de schreeuw van de reiger als hij over het huis vliegt, de gil van de nachtuil in de warme zomernacht.

Lawaai is meer dan lawaai. Het staat symbool voor de onrust van de moderne mens. Zo is vakantie voor veel mensen niet compleet zonder weggaan. En dan niet de achtertuin of de Veluwe. Nee, de reis moet naar het buitenland met het vliegtuig. Toerisme is goed voor de portemonnee en die nieuwe camper is nodig voor de economie. Het moet mooier en grootser. De weelde smacht altijd naar meer met bijbehorende apparaten.

Stuk voor stuk produceren al die apparaten hun eigen karakteristieke geluiden. Het ene nog gekker dan het andere; een kleine analyse alledaagse geluiden: de pelletkachel zoemt, de ventilator suist, het koffieapparaat bromt, de luchtververser loeit, de computer blaast, de warmteboiler tikt, het mobieltje trilt, de laptop begint ineens muziek af te spelen en de telefoon rinkelt of musiceert. Allemaal geluiden die elk moment van de dag te horen zijn. Niet altijd allemaal gelijktijdig, maar wel in verschillende combinaties. Bij het koken formeren bijvoorbeeld de waterkoker, de afzuigkap, de inductiekookplaat en de oven zich tot een gezamenlijk koor, waarbij de koelkast met zijn ondertoon begeleidt.

Kan het nooit eens stil zijn!

Onevenredig

Het verlangen naar rust en concentratie zoeken we in de natuur. Heerlijk uitwaaien. Maar ook in de natuurgebieden is een onevenredige drukte. Maak maar eens fietsritje door de Utrechtse Heuvelrug. Geen wild dier te zien, maar de mensenmenigte vergezelt je overal. Voor je, naast je, achter je en boven je; overal zitten ze. Als het ratten waren, sloeg je doodsangsten uit. Sommige winkelstraten zijn rustiger dan wat je in het bos aantreft op een mooie zomerdag. En bij alles vergezellen die mensen zich met hun apparaten, die als een perpetuum mobile om hen heen dralen en draaien. De mens waar alle apparatuur omheen cirkelt als de ringen en manen bij een planeet.

De mens omringt zich nou eenmaal graag met geluiden. De verslaving aan apparaten en de bijbehorende energie die nodig is om de apparaten aan de praat te houden, hebben de druk die de mens continu uitoefent op de aarde blijvend verandert. Elke roep om iets te doen aan die voetafdruk, krijgt direct een antwoord van de apparaten. Hoe harder we om de stilte vragen, hoe harder het lawaai brult om het stille protest te overstemmen. En wie het hardste schreeuwt, wordt gehoord.

De oproep om minder te gebruiken, strandt dan snel in een heilig voornemen. Eigenlijk gebruiken we alleen maar meer. De vraag om te verstillen en de rust meer ruimte te geven, werkt zelfs tegenovergesteld. In plaats van de meest logische oplossing – minder apparaten – zijn er alleen maar meer en energieslurpende lawaai-apparaten bijgekomen. De oplossing in de techniek zoeken, is tot op heden vruchteloos. Een apparaat bestrijden door een ander apparaat te maken, lost namelijk niks op. Sterker nog: het nieuwe apparaat functioneert naast het apparaat dat het zou moeten vervangen. Het zadelt ons uiteindelijk op met meer apparaten.

De hoeveelheid apparaten om ons heen is zodoende explosief gegroeid de laatste 20 jaar. Neem bijvoorbeeld de bezem. Deze is vervangen door de bladblazer; het meest nutteloze apparaat dat er bestaat. Bladblazers maken geweldig veel kabaal en stinken verschrikkelijk. De mensen die ze bedienen, dragen gehoorbescherming, maar de rest van de omgeving moet dit geluid maar verdragen. En na afloop van het karwei legt de wind de blaadjes allemaal weer waar ze lagen.

De gratie van lawaai

Al die apparaten bestaan bij de gratie van het lawaai dat ze maken. Er ligt een rechtstreeks verband tussen het imponerende van een apparaat en het geluid dat hij verspreidt. Geluid verbindt het ego van de mens met het apparaat. Een auto moet lawaai maken. Als het te stil is, ervaart de bestuurder het niet meer als autorijden. Er zijn zelfs elektrische auto’s waarbij het geluid van de draaiende motor uit de boxen kunstmatig wordt opgewekt. Uit verlangen van de bestuurder; hij wil iets horen als hij het gaspedaal indrukt.

Veel van die apparaten stralen agressie uit. De herrie, de snelheid en het supersonische moeten imponeren. Sterker nog, ze moeten slachtoffers opleveren. Het is de agressie die ervoor zorgt dat iemand met veel lawaai alle ruimte krijgt. Het is niet sociaal om de wereld tegemoet te treden met veel kabaal, maar het is wel algemeen maatschappelijk geaccepteerd. Een auto krijgt altijd voorrang. De voetganger en fietser wachten netjes op hem. Anders moeten ze het met het ziekenhuis of de dood bekopen. Een vliegtuig mag zonder schaamte over je huis vliegen, ook al lig je erin te slapen of op sterven. Het lawaai gaat onverminderd voort en maakt geen uitzondering voor ras, geloof of geslacht. Het vliegt over omdat het nu eenmaal mag overvliegen.

De toestemming om dit te mogen doen, ligt besloten in het recht dat de herriemakers zich toeëigenen. Ik mag er langs omdat ik veel kabaal maak en gevaarlijk ben. De rust van een ander hoor je niet als je zelf veel herrie produceert. Je hoort weinig vanuit een auto. Je sluit je letterlijk af van de buitenwereld. Zeker als je daarbij ook nog in je ingeblikte domeintje eigen geluiden produceert uit de luidsprekers in de vorm van muziek.

De tegenhanger van dit alles is de rust. Zij is niet opgewassen tegen al dit lawaai. De stilte zwijgt. En wie zwijgt stemt toe. Stilte is de kracht van de stilte, maar ook haar zwakte. Als je niet van je laat horen, hoort niemand je. Het is de hele maatschappij die ervan doordrenkt is. Opkomen voor jezelf, veel kabaal maken, jezelf op het podium zetten; dan ziet en hoort iedereen je. Je moet de ruimte opeisen, anders krijg je hem niet. Dus vlieg maar door de lucht van een ander, rij maar hard door de straten en gil maar heel luid op een stille Dam. Het mag. De stilte antwoordt niet. Zij krijgt het zwijgen opgelegd en is doorbroken op het moment dat de lawaaimaker komt.

Afsluiten

De remedie tegen al die herrie is de koptelefoon. Sluit jezelf van de wereld af en maak je eigen geluid. Of maak de stilte en zet een koptelefoon op met ‘noise cancelling’; een tegengeluid zodat je het hinderlijke geluid niet meer hoort. Of prop miniboxjes in je oor waarmee je de herrie om je heen bestrijdt met je eigen kleine herrie. Dicht in je oor verstopt. Zo heeft niemand er last van. Denk je. Maar er is weinig hinderlijker dan iemand met van die oortjes of een koptelefoon waar een jengelend, kloppend of tikkend gedreun uit komt in een volle trein. Hij ziet, hoort en voelt niks anders dan de tsunami aan geluid waarmee hij zichzelf laat overstromen.

Maar hinderlijk of niet, kijk eens rond op straat. Overal mensen die lopen en fietsen met oortjes in hun oren. Met of zonder draad, oortjes zorgen ervoor dat je bent afgesloten van de buitenwereld met haar verscheidenheid aan geluiden. Je loopt of fietst rond in je eigen bubbel. Werp maar eens een vluchtige blik in de kantoortuin. Het zal je opvallen hoeveel collega’s een koptelefoon of oortjes dragen. De oortjes vergroten de onbereikbaarheid. Ieder leeft in zijn eigen gesloten wereldje. Maar geluid met tegengeluid bestreden, geeft geen stilte. Het bespaart je ander geluid.

Het blijft niet bij een tegengeluid direct in het oor. De reactie komt op een andere manier. Ieder mens reageert anders op geluid. Er zijn twee bewegingen waarop de Middeleeuwse mens reageert op problemen waar ze geen of weinig invloed op heeft, schrijft Hella Haasse in haar historische roman Het woud der verwachting: die van schuldbesef en boetedoening aan de ene kant en die van uitbundigheid en ongeremdheid aan de andere kant. Dat zie je ook in de reactie van de hedendaagse mens op problemen.

De moderne mens die zich onderdompelt in schuldbesef en boetedoening, denkt dat wij zelf deze toestand veroorzaken. Het is een straf van God of de natuur. De apocalyps voltrekt zich niet in één dag, maar is een geleidelijk proces van tientallen, misschien wel honderden jaren. Het eindresultaat is niet een wereld die vergaat, maar de mensheid die langzaam ophoudt te bestaan. Ga daarom nu nog aan de slag, voor het te laat is. Je kunt er nog iets aan te doen. Al weten we dat deze boodschap al tientallen jaren geroepen wordt, is het misschien al niet te laat?

Vandaag nog beginnen, is de boodschap. Maar in de praktijk lijkt het onmogelijk om echt iets te beginnen. Alleen het gat in de ozonlaag is effectief teruggedrongen door andere giftige drijfgassen te gebruiken. Maar de meeste milieuproblemen zijn niet of beperkt opgelost. Het is nog niet te laat, roept David Attenborough in zijn Netflix-documentaire Our Planet uit 2019. Maar het is om moedeloos van te worden. De boetedoeners proberen nog zuiniger te leven. In elk geval met meer schuldgevoel. We moeten zuiniger op de planeet te zijn. We hebben er maar één van, maar we doen alsof er een nieuw rijtje planeten op ons wacht voor als deze bedorven is.

Het is allemaal koren op de molen voor die andere groep: de uitbundige levensgenieters. Zij zien alle reden om nog achtelozer met de wereld om te gaan. Waarom duurzaam als de wereld binnenkort onleefbaar is? Dan kunnen we er beter nog wat meer van gaan genieten en ons helemaal te buiten gaan. Dat we mogelijk een onleefbare wereld achterlaten voor onze kinderen, is pech. In je eentje het onomkeerbare proces stuiten, is onmogelijk. Dan kun je er het maar beter van nemen.

Het stille paradijs

Het paradijs is er wel. Je moet het wel zelf zien, horen en voelen. Bij zo’n wandeling door het park bijvoorbeeld als waarmee we zojuist begonnen. Het zijn dan de kleine dingen die ertoe doen. Wat wekt bijvoorbeeld meer verbazing dan een bij nectar te zien verzamelen uit een bloem? Het gebeurt met een efficiency van miljoenen jaren evolutie. Daar kan geen uitvinding tegenop. Het is de perfecte manier om de bloem te bestuiven en met een techniek die verfijnd is door de miljoenen jaren heen. Het gaat om minimale veranderingen met een maximale verbetering: het overleven van de soort.

De samenwerking met de natuur is de oplossing van het probleem. De mens die zijn plek op deze aarde weer vindt en ruimte geeft aan de natuur waarmee hij leeft. Een plek waarin ook stilte is en de mens niet overheerst. Een evenwicht met de omgeving en de natuur. Hierin zou de mens niet altijd leidend mogen zijn, maar durft hij zich over te geven aan de grillen van de natuur. Het huis als onderdeel van die natuur, compleet met planten, dieren, bacteriën, virussen en andere uitdagingen. Alleen zo is de mens in balans. Onze apparaten en geluiden hoeven ons niet altijd te omringen, maar we zijn in interactie met onze groene omgeving.

Het gebruik van apparatuur zou hierbij ook in evenwicht moeten zijn. Een leven met wat er nodig is om te leven. Niet aangestuurd door begeerte en verlangen zoals nu in een door marketing gedreven samenleving, maar door wat je nodig hebt om te leven. De natuur voor stillen die genoeg hebben aan stil. Waarbij het pas echt stil is als de mens stil is.

Bureau – Tiny House Farm

Sinds ik hier woon, ontbeer ik een bureau. Best wel zwaar. Zeker om me even af te kunnen zonderen en te schrijven. Of andere dingen te doen, maar wel even helemaal alleen. Het leven in een klein huisje reduceert ook die spaarzame momentjes voor je alleen.

Droombureau

Dan ziet Inge mijn droombureau voorbijkomen in de folder van de Lidl. Een bureautje die je uit elkaar kan trekken en als je klaar bent weer in elkaar drukt. Ook de afmetingen zijn perfect voor onze slaapkamer. Dan heb ik toch een bureautje om aan te kunnen werken. Bovendien kan me even helemaal afzonderen in de slaapkamer.

De aanbieding is pas 2 weken nadat we de advertentie zagen. En als we dan het bureau willen bestellen, dan is het niet voor de aanbiedingsprijs. Dat scheelt toch 30 euro. Maar even wachten en twitteren naar de Lidl.

Het blijft stil, maar ’s middags zien we de nieuwe prijs en bestellen snel het bureau. Die zaterdag wordt het geleverd en komt hij in een grote zware doos van 30 kilo aan. Ik heb het te doen met de bezorger van DHL die de doos brengt.

In elkaar schroeven

En dan begint de echte uitdaging. Het in elkaar zetten van het bureau. Het blijkt toch uit veel meer schroefjes, boutjes en moertjes te bestaan dan een vergelijkbaar Ikea-bureau. Ook is de gebruiksaanwijzing een stuk raadselachtiger.

Het valt mij op hoe snel je een werkwijze als die van Ikea aanwendt. Bij Ikea is opbouwen en schroefjes plaatsen afwisselend. Hier moeten sommige dingen eerst worden gedaan, met verschillende maten en andere formaten. Het gaat regelmatig fout, maar ik kom snel achter de misstap en kan deze dan herstellen. Het in elkaar zetten kost wel veel meer tijd dan ik verwachtte.

Verbaasd over resultaat

Na al het schroeven en in elkaar drukken van de onderdelen, ben ik verbaasd over het resultaat. Je kunt het bureau snel opbouwen en even snel weer afbreken. Het zit in eerste instantie nog niet zo lekker achter het bureau. Hij is een beetje laag. Het lijkt wel een kinderbureau. Zeker met een laptop. De laptop zou toch een stuk hoger moeten.

Als we een paar dagen later in de Ikea zijn, koop ik een handig opklapbaar tafeltje dat prima als ondersteuning voor de laptop is. En zo zit ik meteen een paar avonden te werken aan mijn nieuwe bureau. Het zit heerlijk en ik geniet van mijn eigen momentje. Inderdaad, dit heb ik verschrikkelijk gemist. Ik ben blij dat dit zo weer kan.

De stijl van de schrijver – Leestip

Schrijvers en kleren. Ze hebben een bijzondere relatie. Krijgt de taal een geheel eigen stijl bij schrijvers, ze laten in hun kledingkeus vaak ook een heel eigen stijl zien. In het boekje De stijl van de schrijver, Schrijvers & hun kleding legt Arno Kantelberg op een mooie manier de relatie tussen de schrijver en wat hij draagt.

Het levert een trits biografieën op die zeker de moeite van het lezen waard zijn. 30 schrijvers komen voorbij in hun eigenaardige kleding. Sommige op hun paasbest in pak (Wilfried de Jong), met pijp (Harry Mulisch), los flodderpak en zwierige lokken (Arnon Grunberg) of met moeilijk haar (Albert Verwey).

Stijljournalist Arno Kantelberg benadert de schrijvers en hun kledij zonder genade. Zo vindt hij de kledingkeuze van Kluun op de rode loper bij een filmpremière:

‘Trek daarom nooit een zeiljack aan naar een première (trek eigenlijk maar helemaal nooit een zeiljack aan).’ (90).

Een advies dat Kluun compleet tegen de wind in gaat. Hij staat er met een zeiljack waaronder een glanzende smoking schuilt. Het ontbreekt Kluun in zijn kleding aan gelaagdheid. Een grote overeenkomst met zijn literaire werk, constateert Arno Kantelberg.

Erg grappig, al laat hij helemaal aan het einde een klein twinkelslag open. De laatste roman van Kluun, DJ is een zorgvuldig gecomponeerde roman genoemd. Voor de schrijver is dus nog hoop. Hoeveel hoop, dat is niet uit zijn kleding af te lezen.

In al dit kledinggeweld is niet te ontkomen aan de dandy van de Nederlandse literatuur: Louis Couperus. Ook komt Maarten ’t Hart voorbij. Deze schrijver die als zuinigste auteur wel te boek staat, geeft graag veel geld uit aan vrouwenkleding. Kleren waarin hij zich graag hult, maar dan niet in de goedkope kledij van de kringloop. Maartje ’t Hart draagt heuse siliconenprotheses voor 400 gulden per stuk. Of de haute couture van Frans Moolenaar. Niet bepaald goedkoop.

Ogenschijnlijk simpele kledij, zoals het pak van Gerrit Kouwenaar of de regenjas van Simon Carmiggelt, blijkt meer modebewustzijn in zich te hebben dan je verwacht.

Op de foto van hiernaast zien we de ‘opgetuigde driemaster, met z’n regenjas open’, die uitgever Theo Sontrop regelmatig over de grachten van Amsterdam zag flaneren. (122)

De keuze voor de Macintosh past helemaal bij de schrijver en uitvinder van de cursiefjes. Een minimalistische regenjas voor de man die zich klein hield. Daarbij was hij een broeder van de natte gemeente, met daarbij een prachtig citaat:

‘Als ik een glas wijn drink, word ik een ander mens,’ wist hij. ‘En die ander heeft altijd geweldige dorst.’ (121)

Het zijn die anekdotes die een heuse jus vormen in dit geweldige boekje van Arno Kantelberg. Hij plaatst eens op een heel andere manier schrijvers in het daglicht. Hun kledingkeuze is vaker dan je denkt onlosmakelijk verbonden met de persoon maar ook met de schrijfstijl.

Bohemien en liefhebber van Belgische biertjes Ilja Leonard Pfeijffer bijvoorbeeld. Het levert niet alleen een indrukwekkende voorpui op. Al die tientallen La Chouffes.

Waarom zou je het klein houden als het ook groot kan? Daarom verfoeit hij Nescio, met diens ‘kale, afgemeten, precieze zinnetjes’. Bij Pfeijffer is het altijd groots en virtuoos. (65)

Dat zie je ook terug in zijn kledingkeuze: een langharige bard met een bontjas van oceanische omvang. Hij kleedt zich bijna even achteloos als hij schrijft, al zit er toch ook iets van zorgvuldigheid. In zijn gaderobe ontbreekt dit laatste.

En zo neemt Arno Kantelberg je mee naar leuke en sappige verhalen over schrijvers in hun schrijfstijl en hun kledingstijl. Het opent soms een nieuwe kijk op schrijvers. Zo is mijn nieuwsgierigheid naar Slauerhoff aan de hand van de enthousiaste beschrijving van Arno Kantelberg weer gewekt. Of de elan en vitaliteit van Du Perron, met getailleerde jas rond zijn ranke jongenscorso.

Allemaal beschrijvingen van schrijvers die je nieuwsgierig maken naar de schrijver achter die kledingkast.

Arno Kantelberg: De stijl van de schrijver, Schrijvers en hun kleding. Amsterdam: Uitgeverij Podium, 2018. ISBN: 979 90 5759 931 6. 152 pagina’s. Prijs: € 17,50. Bestel.

Nog een paar krantenknipsels – Tiny House Farm

We gaan nog even verder met de stukken die ik schreef in de tijd dat ik journalist was bij de Twentsche Courant Tubantia. Ik werkte eerst op de stadsredactie van Hengelo, het jaar erop een jaar voor de redactie Hof van Twente. Bij allebei veel geleerd en heel veel geschreven. Heel veel.

Elke dag schreef ik minimaal 1 artikel, meestal meer dan 1. Ik herinner mij dat ik soms in vakantietijd de hele pagina voor de Hof van Twente verzorgde. Het spreekt voor zich dat ik die dag niet weg kon. Dan was ik alleen aan het schrijven.

Dubbelgevouwen artikelen

De stapel papier in 2 cassettes opgeborgen en eigenlijk niet meer open geweest, sinds ik hier in Almere woon, ben ik begonnen. Het meeste heb ik op de foto gezet. Een paar artikelen die mij dierbaar zijn, heb ik bewaard. Het past precies in een klein mapje. Niet veel meer van die enorme berg oude kranten.

Wel leuk om die artikelen weer door mijn handen te laten glijden. Ik lees over Ria van Leuteren en haar pleidooi voor borstvoeding. Ik heb vaak aan haar gedacht toen Inge borstvoeding gaf. Zelfs de uitgebreide tips die ze gaf, wist ik mij toen nog te herinneren. Ria van Leuteren praatte ook 5 kwartier in een uur.

En al die andere verhalen. Ik heb ooit het idee gehad om er een soort verhalenbundel of roman van te maken. Niet dat ik het ooit gedaan heb. Teveel werk en gedoe. Al ligt er nog steeds een mooi idee van mij op de plank. Wie weet. Als ik straks alle ruimte heb omdat ik zoveel spullen heb weggedaan. Inclusief de inspiratierijke artikelen.

En de oude kranten? Inge kan ze goed gebruiken om te knutselen met de kinderen.

Krantenknipsels – Tiny House Farm

Bij het opruimen kom je veel dingen tegen waarvan je wel het bestaan weet, maar dat je ze eigenlijk vergeten bent. Een voorbeeld: de vele artikeltjes die ik schreef in de tijd dat ik bij de Twentsche Courant Tubantia werkte.

Ik heb – trots als ik er op was – veel bewaard. Elke dag als ik uit mijn werk kwam, probeerde ik de krant van een dag eerder te bemachtigen. Lukte niet altijd, maar bij elkaar genoeg om in 2 tijdschriftcassettes te bewaren, dubbelgevouwen zitten ze erin.

Bijzondere verhalen waarbij dan weer de herinneringen omhoog komen. Wat een belevenissen! Ik geniet ervan als ik de artikelen weer lees. Ik zie soms de geïnterviewden voor mij. Dan weet ik weer hoe ik soms onder de indruk kon zijn. Zoals van een asielzoekersgezin. Het was in de tijd van de discussie over het Generaal Pardon.

Of dat andere: de eerste rechtbankbezoek en het bijbehorende verslag. Ik kwam terug op de redactie en zei tegen mijn chef Jan Bengevoord: ‘Maar daar kunnen we niet over schrijven. Dat is gewoon een zielig verhaal.’ Waarna hij reageerde: ‘Dat is juist de reden om erover te schrijven.’