Categoriearchief: poes

Denkbeeldige kat

image

Hoofdpersoon en ik-verteller Benjamin Constable denkt in De drie levens van Tomomi Ishikawa dat zijn vriendin Tomomi Ishikawa zelfmoord heeft gepleegd. In zijn gedachten is zij dood. Zelf trekt hij gedurende het verhaal op met een denkbeeldige kat. Het dier vergezelt hem bij belangrijke momenten en helpt hem bij de zoektocht naar de verhalen van zijn vriendin Tomomi of Vlinder.

In New York wordt Ben Constable geholpen door Beatrice. Hij vertelt haar van zijn kat die niet uitsluitend door de wetten der natuur wordt geregeerd. Het is een denkbeeldige kat en niemand weet ervan.

‘Hij is niet echt van mij. Hij komt af en toe aanzetten en blijft dan een poosje rondhangen.’ (166)

De kat speelt al vanaf het begin van het verhaal een rol. Hij druppelt geleidelijk het verhaal in en laat zich – als een echte kat – niet echt inpalmen door de lezer. Hij is alweer verdwenen voor hij goed in beeld is.

De kat met de veelzegggende naam Kat geeft de ik-verteller wel iedere keer net dat ene zetje dat hij nodig heeft. Zo loopt hij voorop om het huis van Tomomi in te lopen en bij het einde leidt hij Benjamin Constable door de onderaardse gangen van Parijs.

Bij het metrostation laat hij hem in de steek om pas veel later weer op te duiken op precies dezelfde plek:

Kat dook op en gaf kopjes tegen mijn scheenbeen, waarna hij op de vloer, half over mijn tenen, ging liggen slapen. Het was fijn hem te zien. (300)

Zo vormt Kat de leidraad door het verhaal. En leidt niet alleen de verteller, maar ook de lezer. Een trooster en redder tegelijk. Een een verteller, want de fantasie overwint uiteindelijk altijd.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn tweede bijdrage over De drie levens van Tomomi Ishikawa van Benjamin Constable (vert. Tjadine Stheeman) bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nlLees de bijdragen van anderen in de reacties.

Lees ook de andere vier blogs over dit boeiende boek:

Kat op smeltend ijs

image

De blaffende hond op de brug attendeerde mij op de kat op het smeltende ijs. Hij stond op een dun laagje ijs midden in de gracht. Een opgetrokken rug moest de hond weghouden. Het ijs zag er angstwekkend dun uit. Het deinde onder de poten van de waaghals.

De hond verdween met zijn baasje van het toneel. Ik tuurde nog eens naar de kat op het ijs. Hij zette zich voorzichtig in beweging. Het ijs kraakte zachtjes onder de pootjes. Voorzichtig zocht het dier een weg over het smeltende ijs van de gracht. Ik vroeg mij af wanneer het mis zou gaan.

Dat moment wilde ik niet afwachten. Het dier liep verder over het midden van de gracht. Voldaan en tevreden. Voorzichtig maar niet echt bewust van het gevaar. Het koude water koekeloerde dreigend onder het ijs. Dat op haar beurt kraakte dat het een lieve lust was. Ik durfde niet meer verder te kijken. En vervolgde mijn route achter de hond en zijn baasje aan.

Kent Kiet de kattenverhalen van Carmiggelt?

De kat Kiet was weg. Een paar dagen had het dier zich niet laten zien in huis. De eigenaresse van Kiet vreesde het ergste. De kreet op facebook klonk in elk geval best verontrustend. De kreet van terugkeer van de verloren zoon, des te harder: ‘HIJ IS TERUG! na drie dagen. hij ziet eruit alsof hij honderd kilo is aangekomen. voorlopig mag hij niet naar buiten. ben nog steeds erg beledigd.’

De discussie die daarna loskwam was niet te stelpen. Ongetwijfeld zou het dier zijn heil hebben gezocht bij de buren en zich vet hebben laten mesten met hele leverworsten, kapitein Iglo’s en andere dikmakers. Al vaker was Kiet van huis geweest en dan rook hij vreemd. De vreemde lucht die hij verspreide deed een aangename date bij de buren vermoeden. Al keerde hij voorgaande keren wel iets eerder terug van zijn tweede huis.

Ik moest onmiddellijk denken aan een kattenverhaal van Simon Carmiggelt.
Het komt uit zijn kattenverhalenbundel Poespas. Overigens bestaat de bundel voor meer dan de helft uit niet-kattenverhalen maar dit terzijde. Ik heb mij de avond van het bericht rot gezocht om het verhaal niet alleen voor de geest, maar vooral voor de letter te halen.

Carmiggelt schrijft over katten die het huis verlaten en een bestaan op straat verkiezen. Hoe deze dieren overleven, is hem ook een raadsel. Tot hij een bezoek aan zijn tante brengt, want dan wordt hem veel duidelijk. Ze toont hem Arnold, het aanloopkatje. Een eufemisme zo blijkt. En dan volgt een beschrijving van Arnold zoals alleen Carmiggelt deze kan geven:

[D]e kater, die zij, zwaar overblousend, in haar handen hield, had de afmetingen van een voldragen kalf. Wat mij trof was de gelatenheid waarmee het dier in de even dwaze als ongemakkelijke houding bleef hangen, zonder ook maar in het minste tegen te stribbelen. De blik die hij mij toezond, was tot de rand gevuld met wijsgerige versterving en het scheen of hij zeggen wilde: ‘Zo, moet jij me ook eens bekijken? Je gaat je gang maar hoor. Mij zal het allemaal een zorg wezen.’ (188)

En het is Arnold een zorg. Als hij maar eten krijgt. Elke ochtend en middag komt hij op exact hetzelfde tijdstip bij Carmiggelts tante langs. ‘Je kunt er de klok op gelijk zetten’, volgens de tante. Als Carmiggelt een paar weken later weer op bezoek is, vraagt hij naar Arnold. Maar daar wil de tante niks meer van weten. ‘Die laat ik er niet meer in.’ Ze was namelijk een keer op bezoek bij een buurvrouw en zag Arnold liggen. ‘Hé, dat is Arnold’, had ze gezegd. ‘Nee, dat is Piet’, kreeg ze als reactie. Piet kwam elke dag, maar dan een uurtje eerder dan bij de tante.

Een onderzoek in de buurt leerde dat Arnold bij meer buren dagelijks visiteerde. De kater leidde een vierdubbel leven en kreeg van allevier de dierenliefhebbers de bons. Het verhaal eindigt zoals eveneens alleen bij Carmiggelt kan:

Later op de middag zag ik hem door het keukenraam nog even over het plat lopen. Hij had de voze tred van iemand die na een overdadig leven tot armoede is vervallen, maar de blik in zijn koude, ronde ogen zei me dat hij wel iets nieuws zou weten op te bouwen. Want tegen cyniek is nu eenmaal geen kruid gewassen. (190)

Het verhaal van de vriendin die haar kat een paar dagen kwijt is en dubbel zo dik terugkrijgt, brengt mij zo even terug in die bundel dierenverhalen van Carmiggelt. Prachtig geschreven, want Carmiggelt geeft de dieren in zijn sterke beschouwingen altijd iets menselijks mee. Hij doet dat zo goed dat je dat niet eens in de gaten hebt. Ik denk ergens zelfs dat Kiet gewoon bekend is met de kattenverhalen van Carmiggelt.

De citaten komen uit Simon Carmiggelt: Louter leugens & Poespas, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1997.

Kattengejank

Hoe gaat het in zijn werk? Je slaapt en je hoort geluiden. Je probeert het geluid te duiden en de beslissing te nemen of je verder gaat slapen. Het is een vorm van betekenistoekenning waarbij een deel van de hersenen slaapt en de rest probeert het geluid om te zetten in betekenis.

Zo gaat het ongeveer denk ik. Ik slaap en hoor de hele tijd een geluid. Nee, het is niet Doris, dat haal ik er heel snel uit. Draaien, weer op een andere zij. Inge naast mij is ook onrustig. Het geluid hoort niet. Het lijkt of er kinderen spelen op het pleintje achter ons huis. De slaap wint het nog van het geluid. Het zijn immers niet mijn kinderen en dat gejengel is vervelend, maar valt buiten mijn verantwoordelijkheid.

Het gejengel houdt aan. De slaap verandert in halfslaap dat op zijn beurt weer transformeert in wakker worden. Het is een eigenaardig gejengel buiten. Het klinkt als het gejengel van een kat. Mogelijk heeft het diertje zich in een onmogelijke positie gebracht. Ik besluit maar eens een blik naar buiten te werpen. Het is al licht.

Als ik het gordijn openschuif, zie ik een kat zitten op het bankje voor het raam. Het dier draalt rond de leuning van de bank, springt op de grond en heeft mij in de gaten. Twee felgroene ogen staren mij verwachtingsvol aan. Het miauwt omhoog en loopt naar de deur, terug naar de poot van de bank en geeft de poot kopjes.

‘Wat moet dat beest daar?’ vraag ik aan Inge. Zij is immers de kattenkenner. Als ze niet allergisch zou zijn, dan zou het onze eigen kat zijn die ons uit de slaap houdt. Inge weet het ook niet. Het moet ophouden, vinden we allebei. Volgens Inge is het dier al een uurtje of 3 aan de gang. Ze meent een dikke buik te zien. Die zoekt een rustig plekje om te bevallen, suggereert ze. Ik denk dat het de kat van hiernaast is, of van iets verder, op het hoekje. We weten het niet.

Wat nu? Misschien kan hij niet wegkomen. Dat zou natuurlijk goed kunnen. Ik ga naar beneden, Inge achter me, om het beest buiten te houden. Dan stuur ik het weg. Ik doe open. De kat neemt een veilige afstand. Het dier loopt achter me aan als ik naar de poort loop. Ik open de schuttingdeur en het dier loopt voor mij uit en gaat weg. Als ik de achterdeur in het slot draai, vraag ik Inge of hij nu terugkomt. Als hij straks na 5 minuten terug is gooi ik water over hem heen. Zo kunnen we niet slapen en we kunnen hem niet in huis hebben. Inge wordt gewoon doodziek van een kat. Ik draai mij om en zie de kat alweer voor de achterdeur dreinen.

Dan maar een beker water naar beneden gooien. Het gejank neemt niet af, de kat begint juist sterker te janken. Het klinkt als ‘nou?’, in de trant van wat flik je me nou? We liggen weer in bed, maar het janken blijft. Het is notabene niet eens onze kat, we hebben het dier niet eens aangehaald. Misschien zoekt hij inderdaad een rustig plekje. ‘Hij kan toch in de schuur?’ vraag ik Inge. Natuurlijk kan hij in de schuur. Ik loop weer naar beneden, het dier loopt voor mij uit en vlucht al onder de schutting door weg. Hij is verdwenen, ik doe de schuurdeur open, voor het geval dat.

We vallen licht in slaap, het gejank horen we slechts af en toe. Hier kunnen we wat beter tegen. Als Doris een kleine 2 uur later naast ons bed staat, kijk ik nog eens naar buiten. Hij zit er weer, kijkt met de helgroene ogen naar boven en rent naar de deur. Wat moet dat beest? vraag ik weer.

Als ik beneden kom en de hond uitlaat, is de kat verdwenen. Op het pleintje achter zitten de 2 katers uit de buurt: de stoere Moos en een grijze/bruine. De zwarte kat zit voor de kastanjeboom. Ik roep hem, hij loopt naar mij toe en laat zich even aanhalen. De katers zien het met een lichte irritatie in de ogen toe. Wat later loopt de kat weer weg. De katers zitten met z’n tweeën op de uitkijk naar het voetpad dat naar de gracht leidt. Ze vliegen plotseling overeind en hollen naar het kattenluikje van Moos. Moos voorop. Ze kruipen weg. Als ik bij het pad kijk, zie ik een hond die wordt uitgelaten.

Van de zwarte kat geen spoor. Die heeft een slaapplekje gevonden om ons vannacht weer fris en fruitig lastig te kunnen vallen.

De kat en de dakgoot

Ik passeer het huis weer bij de gracht. Het ligt schuin tegenover mijn werk. In het huis zit een soort detacheerbureau. ‘People’ staat met dikke rode letters op de ramen. Op de muur achter het meisje dat achter een bureau zit te typen, bevat eveneens die dikke letters en nog groter vormen ze het woord ‘People’.

Lange halen

De kat miauwt, nu met lange halen, sneller achter elkaar. Het lijkt of het dier bij elke ademstoot dat het uitblaast een miauw loslaat. Zo snel volgen de miauwen elkaar op. De grote ogen van het dier kijken ook angstig naar beneden. Zie je dan niet dat ik er niet af kan.

Overmoed of nieuwsgierig?

Heeft overmoed hem daar gebracht, of is het onschuldige nieuwsgierigheid? De duiven zijn weg en hij is nog maar alleen. Waarschijnlijk heeft het dier de hele nacht daar gezeten in de dakgoot. Misschien heeft hij nog geprobeerd een oog dicht te doen, maar een knorrende maag houdt je ook aardig wakker.

Aandacht

Het dier heeft al zijn zinnen op mij gezet en trekt mijn aandacht. Ik besluit de people van het bureau te waarschuwen voor het dier. Een kat in nood is reden voor de brandweer om uit te rukken. Waarom zou ik mijn plicht verzaken? De ochtend is mans genoeg om in te grijpen.

Verdacht

Ik bel aan, het meisje kijkt indringend in mijn richting, wil opstaan, maar gaat toch weer zitten. Zo iets na achten ’s morgens is verdacht. Ze roept wat, aan de andere kant van de gang komt iets in beweging. Een jongen met een Chinees uiterlijk doet wat later open. ‘Er zit een kat in de dakgoot. Hij zit er al sinds gisteren en kan volgens mij niet weg. De hele tijd is hij aan het miauwen’, vertel ik.

Wantrouwend

Hij kijkt mij wantrouwend aan. ‘Ja, misschien zullen we wat doen.’ ‘Kijk maar, daar zit hij.’ Ik loop achteruit en wijs naar de dakrand om de hoek. Nog verder loop ik, ten teken dat er iets aan de hand is. Hij kijkt zenuwachtig om zich heen, zucht snel om even aan te geven dat een kat in de dakgoot echt niet zijn prioriteit heeft. Hij staart met mij omhoog. Twee ogen kijken zenuwachtig naar beneden en schreeuwen nog harder dan zijn miauw klinkt.

Dierenliefde

‘Ik zal zo even kijken’, zegt de jongen in een poging mijn dierenliefde te kalmeren. Ik laat hem maar, en weet dat het absoluut niet bovenaan zijn verlanglijstje staat. Ik zie de kat opnieuw naar beneden kijken, de ogen zeggen iets dat tussen hoop en vrees ligt. In de richting van het bruggetje loop ik, kijk nog een keer om en zie geen enkele beweging voor het zolderraam van het huis.

Zolderraam

Wat later tegen het middaguur loop ik nog eens langs. Het zolderraam van het huis staat open. En de kat kan ik niet meer vinden.

Dit is een vervolgblog op De kat en de duiven »

De kat en de duiven

Zacht boven het stadslawaai klonk het. Niemand leek het te horen, want alle mensen passeerden het huis zonder op of om te kijken. Ik stopte, keek omhoog en zag een kat zitten. Ze miauwde nog eens, de bek ging verder open dan het zachte geluid dat eruit kwam.

Koppel duiven

Iets verder, en hoger in de dakgoot bij het aangrenzende huis zat een koppel duiven. Ze waren daar ergens aan het broeden, een paar takken en twijgjes staken over dakpannen heen. Het mannetje, tenminste ik stelde mij voor dat dit het mannetje was, fladderde wat met zijn vleugels onrustig heen en weer.

Guitige oogjes

De jonge kat, want de guitige oogjes verrieden dat hij onmogelijk volwassen kon zijn, keek weer omhoog en toen naar beneden, naar mij. De bek ging weer helemaal open. Het dier leek de brul van een verre voorvader te willen imiteren, maar er kwam niet veel meer uit dan een miauw die gelijk in het stadslawaai vluchtte.