Categoriearchief: peuterspeelzaal

Gevallen

Ze belde me op tijdens het werk om het te vertellen. Doris is gevallen van de glijbaan bij de peuterspeelzaal Pierewiet. Boven tussen het trappetje en de glijbaan, op de boogbrug was het glad. Dus maakte ze een smak naar beneden, of zoals Doris dat noemt: ze is ‘etallen van de glijgaam’.
Schrammen, een scheve bril en heel veel blauw.

Gaaf

Dat is gaaf, kreeg ik gisteren al naar mijn oren. Vanmorgen hoorde ik het weer en toen ik haar vanmiddag een chocolademelk gaf kwam hij er weer: ‘Dat is gaaf’.
Ik besloot een onderzoek in te stellen. Niemand hier in huis bezigt de term gaaf, het woord komt dus van buitenaf. ‘Wie zegt dat, dat is gaaf?’ vroeg ik haar. ‘Nick’, zei ze stellig. Nick van de peuterspeelzaal.
Ik ben niet de enige die haar woorden leert.

Peutertoets

Ze moest de plaatjes aanwijzen bij de peutertoets vandaag. Drie plaatjes kreeg ze te zien, de juf zei een woord en Doris moest het bijbehorende plaatje aanwijzen. Bij Doris’ peuterspeelzaal krijgen de peuters twee of drie keer een peutertoets. Voor Doris was het vandaag de eerste.
Heel aardig scoorde ze. Van de vier niveau’s die de toets onderscheidt, zat ze hoog in B, nèt geen A. Wat de waarde is van de toets, weet ik niet. Als ze net geen zin hebben, zal dat ongetwijfeld invloed hebben op de eindstand.
Doris legde het heel helder uit vanavond bij het avondeten. Ze was lekker aan het spelen, werd daar weggehaald en moest toen huilen, want zij wilde blijven spelen. Toen kwamen de woorden en de plaatjes. ‘Maar dat is toch ook leuk om te doen’, zei ik. ‘Ja,’ antwoordde ze.

Plannen voor peuters

Vandaag een dagje alleen met Doris. De televisie staat aan en we kijken samen naar Fifi en haar bloemenvriendjes. Fifi is een vergeet-me-nietje en kan het werk allemaal niet meer aan. Ze raakt verstrikt in haar werkzaamheden, zo druk heeft ze het. Ze krijgt het gouden advies van haar spin-vriendinnetje Pinnetje met de vele armen. Pinnetje schrijft op wat ze ‘s morgens moet doen, anders vergeeet ze het.
Een cursus organiseren ontspint zich in het verhaal. Plannen voor peuters, daar lijkt dit nog het meeste op. Fifi tekent alles op een velletje papier. Haar vriendje Bombus moet ze leren vliegen en daarnaast is er nog veel te doen. Ze doet het planmatig en geordend. En ja hoor, het lukt.
Hoe ver moet je nu gaan met dit soort dingen? Als ik om mij heen kijk loopt iedereen over van het werk. Dingen worden niet gedaan of te laat opgeleverd. Het lijkt een ziekte van deze tijd. Maar of voor een peuter de planning in het gedrang komt, betwijfel ik. Aan de andere kant, met plannen kun je niet vroeg genoeg beginnen. Stel dat je te laat komt op zwemmen, of de peuterspeelzaal vergeet. Lijkt me meer dat dit aan de planning van de ouders ligt, dan aan de planning van de peuter.

Mijn Justin

Dag, dag allemaal, het spelen is alweer voorbij, dag, dag allemaal, tot de volgende keer, volgende keer dan zie ik je weer. Zo luidt het liedje dat we altijd zingen als de peuterspeelzaal uit is. Vandaag was het eindfeest van De Pierewiet waar Doris naartoe gaat. Ik mocht als vader meehelpen de kinderen te begeleiden bij de activiteiten.

Daar komt nog heel wat bij kijken. Zo wilde het jongetje Ryan gelijk gaan schminken. Een plastic zakje met een potje geel lag klaar en ik mocht het spul op de wangetjes smeren. Je zag nauwelijks het geel op zijn gezicht, want alles was zo droog als kurk. Ook bij het zwarte meisje kreeg ik het geel nauwelijks zichtbaar, evenals op de wangen van mijn Doris. Ze vonden het leuk en lachten in de spiegel om mijn verrichtingen.
Ik was aan het bowlen toen een ander jongetje mij aantikte met een gezicht dat alle kleuren van de regenboog had. Een moeder was druk aan het kliederen met een bak met waterverf. ‘Hier schiet een man in tekort’, dacht ik.

Bij het patatjes eten kwamen de verhalen los. ‘Ik lust geen komkommer’, beweerde hij, ‘Justin wel.’ ‘Is Justin je broer?’ vroeg ik. Hij knikte ter bevestiging. ‘Mijn Justin ook’, zei een jongetje een tafel verder. ‘heb jij ook een broer die Justin heet?’ vroeg ik. ‘Ja,’ zei hij, ‘maar dat is een andere Justin, mijn Justin.’ ‘Wat toevallig.’ ‘Ik heb mijn Justin’, riep een meisje naast het Justin-jongetje. ‘Mijn Justin ook’, vervolgde een ander kind. ‘Mijn Justin ook’, hoorde ik naast mij klinken. Binnen de kortste keren ontstond er een hele Justin-rage. ‘Het is wat met al die Justins’, zei ik in de poging een einde aan de gekte te maken. ‘Ja, het zijn allemaal Justins’, merkte het Justin-jongetje droogjes op. Ik genoot van de taal, waarin gesproken wordt over Mijn Justin, of Onze Ashlee, of Melvin van mij, of Katelinn van Dingetje. Ik heb het niet zo om Engelse voornamen, zeker niet als de ouders ze zelf niet eens uit kunnen spreken, maar van Justin genoot ik echt eventjes.

De patatjes met komkommer waren op, we speelden Djembe en de dag was ten einde. De leidster vond ergens dat ik er mijn beroep van moest maken, zo goed ging het. Ze had het tegen mij, maar later ook tegen Inge gezegd. Ik voelde me zeer vereerd, maar twijfel of het echt mijn ding is. Wel bevreemd het mij dat uitgerekend vrouwen dit werk doen, terwijl een man met peuters en kleuters de kinderen weer heel andere dingen kan aanleren. Het is dezelfde verbazing die ik laatst las van een feministe. Zij beweerde dat ze niet een vrouw was, maar dat dit van haar gemaakt zou zijn. Ik vind dat je dan je chromosomen verwaarloosd, maar ergens heeft ze gelijk. Dat begint al op de peuterspeelzaal, of misschien zelfs eerder. Net zoiets als mijn moeder gisteren die beweerde dat Doris met de pop in de hand, nu een echt meisje was.