Categoriearchief: peuters

Teckel en peuter, een maatschap – Sientje (44)

Een klein kind en de hond leven op hetzelfde niveau: de vloer. We merkten het bij Sientje en Doris. Ze verbleven allebei op de grond. Doris kroop rond en voor Sientje was de vloer al haar domein. Ze zwierf er rond op zoek naar iets eetbaars. Haar mand bevond zich op deze hoogte, net als de bench. Van Doris stond de wipper op de grond en daarnaast is zo’n kleine peuter erg op ontdekkingsreis op deze hoogte in huis.

Sientje bekeek het allemaal met bovenmatige interesse. Ze zag wat voor een eten en drinken de peuter kreeg. Dat was voor haar een welkome aanvulling was op het karige dieet dat ze van ons kreeg. Waar Doris was, viel vaak wat te halen. Vaak verdwenen de koekjes die we haar gaven helemaal of gedeeltelijk in de bek van Sientje. Net als dat Doris zich weleens waagde aan een half afgekloven bot van Sientje. Al was zij veel minder gretig dan de hongerige teckel die altijd tekort kwam.

Op elkaar aangewezen

In het nieuwe huis hadden we niet altijd evenveel aandacht voor de 2. De vele klusjes in huis zorgden voor veel afleiding. Daarom waren de 2 steeds meer op elkaar aangewezen. Sientje was altijd wel in haar nabijheid en vormde bijna een 2e moeder. Of op zijn minst een medestander. Ze wisten elkaar te vinden. Het waren heuse partners in crime die elkaar niet corrigeerden bij overtredingen. En Doris was met recht de verstandigste van de 2.

Op een dag vertelde Inge dat ze Doris haar eerste woordje had horen zeggen. ‘Volgens mij zei ze “Sientje” en keek ze naar Sientje.’ Ik geloofde het niet. Inge was er ook nog niet helemaal zeker van. Maar een dag later was het haar helemaal duidelijk. Doris lag op het voedkussen uit de borst te drinken, liet los en wees naar Sientje. Ze zei heel duidelijk ‘Ientje.’ Het overduidelijk bewijs dat het niet een toevallige samenstelling van klanken was, maar een woord met betekenis. Ze wees met haar arm in de richting van Sientje die op de grond zat.

Eerste woordje

Ik was niet bij dit intieme moment en hoorde het verhaal van Doris’ eerste woordje met een beetje jaloezie aan. Gaat bij veel jonge ouders de competitie om de woordjes ‘papa’ of ‘mama’ bij ons ging Sientje er met de eer vandoor. En terecht. Sientje was heel belangrijk in het leven de jonge peuter. Overal waar ze was, zag ze Sientje in haar gezichtsveld. Daar zorgde de teckel wel voor.

Ook hoorde Doris ons deze naam ettelijke malen per dag uitspreken. Om de hond een beetje uit de buurt van ons kind te houden en te corrigeren als ze weer toehapte op iets te eten of te drinken dat Doris bij zich had. Ze hoorde vaker ‘Sientje’ dan ‘papa’ of ‘mama’. Bij het corrigeren van de hond klonk ook vaak de hoge stem van Doris. Ze riep met ons mee. Niet dat het wat hielp; het was vooral heel schattig.

Kind en teckel, een maatschap

Schattig als al het andere wat ze met Sientje deed. Ze was heel lief voor onze teckel en andersom was onze teckel heel lief voor haar. Ze kreeg namelijk flink wat te verduren van die kleine peuter. Er werd vaak aan de oren getrokken of ze kroop bij haar in het mandje. Ook kon ze best hardhandig aan de hond trekken als ze iets wilde of niet wilde.

Sientje pikte het allemaal. Waarschijnlijk onderging ze de mishandeling met het idee dat er dadelijk wel iets lekkers tegenover zou staan. Een redenering die niet helemaal verkeerd was. Het gebeurde vaak dat er na dit soort liefdevolle momenten een onbewaakt ogenblik viel waarop Sientje kon toehappen.

Lees het vervolg: Bakje poep »

Lees elke week een nieuwe blog met een nieuwe herinnering aan Sientje.

Elke zondag een nieuw verhaal van Sientje in je mailbox?

Abonneer je op de wekelijkse nieuwsbrief

Grijs werk

Ik vertelde dat ik nu ergens anders werkte. Dat ik nu met de trein moet en niet meer op de fiets. Dat ik daardoor wat eerder weg moet en wat later thuis kom. Ze luisterde aandachtig. ‘Welke kleur heeft jouw werk’, vroeg ze. Ik wist geen raad met deze vraag. ‘Ik werk nu ergens anders’, herhaalde ik nog eens.

Zij herhaalde haar vraag nog eens. ‘Welke kleur heeft jouw werk.’ Het bleef stil. Ze vervolgde: ‘Jou andere werk groen. Welke kleur heeft je werk.’ Ik snapte het verhaal. Het gebouw waarin ik eerst werkte was groen. Ik moest heel hard nadenken. De kleur van het gebouw lag niet zo op het netvlies. ‘Grijs’, zei ik. Ik dacht aan het dak van het gebouw. Of de stenen nu ook grijs waren wist ik niet meer.
Vanmorgen en vanavond maar even het gebouw op de foto gezet. Het dak is inderdaad grijs, maar de stenen van het Citadel zijn bruin.
Ik liet Doris de foto’s zien en verwees naar de dag ervoor waar we het over de kleur van mijn werk hadden gehad. ‘Dit werk ben ik niet geweest’, antwoordde ze. Ze keek nog even naar het plaatje en vervolgde waarmee ze bezig was.

Peuterargumentatie

Ze bibberde in de koude badkamer. Ze had tegen mijn advies in toch eerst haar trui uitgetrokken in plaats van de luier aangetrokken met de pyamabroek erbij. ‘Dat heb ik net gezegd: trek eerst je luier aan en doe dan je trui uit.’ Doris stond in haar blootje voor mij. ‘Ik zeg: doe eerst de trui uit.’

Ga maar eens tegen deze peuterargumentatie in.

Een mens

Een heus mens schittert op de nieuwste creatie van Doris. Ogen, oren, haren en een mond waren op het gezicht getekend. Het product presenteerde ze trots, toen ze ontdekte dat het nog niet af was. ‘O, een neus vergeten’, zei ze en ze tekende keurig tussen ogen een mond een neus.
De abstracties veranderen van een opgestapelde hoeveelheid rondjes tot een heus gezicht.
Heel stiekem vind ik hem sprekend op mij lijken.

Cirkelbril

Het moest er maar eens van komen, bijna een jaar ligt de bril in de bovenste la van de kast in het halletje. Ik zette het ding op en liep naar binnen. ‘Papa, heb je andere bril?’ vroeg Doris toen ik het ding op mijn neus plaatste.

Ze moest lachen. ‘Papa, heb je cirkelbril.’ Ik knikte bevestigend. ‘Inderdaad, het lijken wel twee cirkels.’ Ze keek nog eens aandachtig. ‘Papa grappig’, draaide zich om en ging verder met spelen.

Groundhog Day voor peuters

In de film Groundhog Day moet de hoofdpersoon TV-weerman Phil Connors eindeloos de marmottendag opnieuw beleven in het plaatsje Punxsutawney. Als ik Doris naar bed breng zoek ik ook de variatie in hetzelfde patroon dat we afleggen.
Het glaasje water dat we samen drinken waarbij ik af en toe een beetje water krijg. Ze laat zich in het bed vallen, ik gooi het dekbed over haar heen en dan komt zij er onderuit. Ik moet dan schrikken. ‘Je liet me schrikken’, zeg ik dan. En tenslotte het verhaaltje.
Vier keer hetzelfde verhaal van Jip en Janneke vond ik te ver gaan. De volgende avond heb ik iets minder elegant gewoon een ander verhaal gelezen dan ze wilde.