Categoriearchief: nrc

Dit moet je lezen! – #50books

image
Gelezen en ongelezen van NRC’s vijftig boeken van de afgelopen vijf jaar

Wanneer moet je een boek lezen? Boeken zijn sterk persoonlijk. Ik kan een boek geweldig vinden, terwijl een ander van dat boek en die schrijver walgt. Of ik een boek mooi of minder mooi vind hangt in de eerste plaats van mijzelf af. Wel is er veel overtuigingskracht nodig een boek dat iedereen verschrikkelijk vindt, mooi te vinden. Mensen gaan snel mee op de flow van anderen.

Het is de canonvorming waarover bij elke canon discussie is. Welk boek dekt het gezamenlijke denken en welk boek niet. Welk boek hoort in die rij thuis en welke niet. De lijst van het NRC bevat veel boeken waarvan veel mensen mij hebben gezegd: ‘Dat moet je lezen’. OOk bevat het veel vrij recent verschenen werken.

Heb ik gelezen

De boeken die ik gelezen heb zijn: Zomertijd van J.M. Coetzee en Tonio van A.F.Th. van der Heijden. Zeker er liggen nog wel wat voornemens: Franca Treurs Dorsvloer vol confetti of Christiaan Weijts’ Euforie. Omdat ik met ze gestudeerd heb. Of Hanna Bervoets’ Lieve Céline omdat de verfilming zoveel verwachting oproept. Vrijheid van Jonathan Franzen is een boek waarvan kaft en titel al heel erg nieuwsgierig maken.

Dan liggen er de boeken die ik eigenlijk wel zou moeten lezen. Omdat iedereen ze zo mooi vindt. Eigenlijk is dat ook het voornemen om Franca Treur te lezen, maar waar ik me maar niet toe kan zetten. De auteur staat te dicht bij mij, denk ik.

Lezen om mee te praten

Peter Buwalda’s Bonita Avenue, Het diner van Herman Koch of Oek de Jongs Pier en oceaan. Boeken waarbij ik heus wel weet dat ik zou moeten lezen om mee te kunnen praten. Ze zijn de belevenissen van de Nederlandse literatuur. Tegelijk besef ik dat ik dan heel veel anders niet kan lezen, zoals Charles Dickens, Paul Theroux of Redmond O’Hanlon.

Dat maakt mijn keuze mij niet teveel aan te trekken van de sociale druk boeken te moeten lezen. Dus misschien heb ik over tien jaar deze boeken nog altijd niet gelezen. Het kan soms heel bevrijdend zijn een boek te lezen dat van lang vervlogen tijden is. Dan lees je over dingen die niet meer zijn en daarmee de verbeelding meer aanspreken dan de meest recente literatuur.

Dit is het antwoord op vraag 47 van het blogproject #50books van Petepel. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

Paardenvlees

image

Er schijnt paardenvlees verwerkt te zitten in de diepvries-lasagne en de hamburgers van BurgerKing. Ik raak er niet zo van slag van. Paardenvlees hoeft helemaal niet vies te zijn. Bovendien is het veel magerder dan rundvlees. Ik denk dat ik best vaak paardenvlees gegeten heb, net als veel andere mensen. Alleen ben ik er bij het eten niet van op de hoogte geweest. Eigenlijk weet ik het nog altijd niet.

Koert zat bij mij op de Mavo. Hij was een pestkop. Ik lag regelmatig met hem in de clinche. Hij plaagde graag en op een dag waren de paardenmeisjes uit de klas aan de beurt. Een paar dagen eerder vertelde hij aan een paardenmeisje dat hij paardenvlees heerlijk vond. ‘Vooral op brood is het heel lekker’, plaagde hij. Het meisje sprak haar afgrijzen uit. ‘Ik zal morgen een boterham meenemen.’

De volgende dag tegen lunchtijd pakte hij zijn broodtrommel. Hij legde hem openlijk op zijn tafeltje. Daarna opende hij de trommel duidelijk in het zicht van de paardenmeisjes. Een boterham met rosbief mocht het voor hem opknappen. Hij klapte de opgevouwen boterham open en begon dan wild te hinniken als een paard.

De paardenmeisjes barsten in tranen uit. Hij grijsnde breed, klapte de boterham dicht en nam demonstratief een hap. ‘Hmmmm, heerlijk’, zei hij. De rosbief werd duidelijk in het zicht vermaald. De paardenmeisjes schreeuwden nog harder en waren ontroostbaar.

Stilte

image
Citaat uit Jan Mulders essay Doodstil, uitgekomen ter gelegenheid van de maand van de spiritualiteit

‘De stilte in de kamer is ook zonder geluid in orde wanneer het de redactie van een krant betreft’, schrijft Jan Mulder in het boekje Doodstil. Het boekje schreef hij speciaal voor de maand van de spiritualiteit vorige maand. Na deze opmerking citeert de oud-Volkskrant-columnist uit een interview met Heldring (94 jaar).

‘Ik ben altijd vroeg opgestaan, om een uur of zes. Er is een tijd geweest dat ik om vijf uur wakker werd, dan stond ik maar op. Ging ik douchen, ontbijten en stapte ik op de fiets naar de Haagse redactie van de NRC. Zat ik daar in mijn eentje, dat was prettig, het was stil en ik stoorde niemand.’ (19)

In de tijd dat ik solliciteerde bij de Twentsche Courant Tubantia 10 jaar geleden, bestierde Jan van Nus de hoofdredactie. Van Nus begon nog altijd op het tijdstip waarop de krant ’s middags werd gedrukt. De krant was al enige tijd een ochtendkrant, maar hij liep in de vroege morgen rond half 6 ter redactie en maakte zijn vaste ronde. Zo liep hij vanuit de postkamer met de post en bezorgde deze op alle lege bureaus.

Van Nus moet de stilte gekend hebben waar Heldring over spreekt in het interview. Al die lege bureaus en geen enkele telefoon die gaat. Geen stem, alleen maar de voetstappen van Van Nus. Ik kan ook zo genieten van een leeg kantoor. Het liefste op een zomerochtend. Als buiten alle vogels fluiten. Het verkeer nog niet op gang. De totale rust, omdat de mens nog niet actief is.

Het was op zo’n morgen begin december dat Van Nus mij tegen 8 uur belde. ‘Ik heb slecht nieuws en goed nieuws’, zei hij. Ik was na de recruitmentdag in Amersfoort op gesprek geweest in Enschede. Daar waren ze erg onder de indruk geweest over mijn verhaal dat je schrijft voor je lezers.

Ik hield een lang betoog over de lezer en de verwachtingen die de lezer koestert. Allemaal rechtstreeks uit mijn studie van ALW. De lezer die betekenis geeft aan de tekst. Daarom moet een journalist zich bewust zijn van de lezer. Hij schrijft de krant voor de lezer.

Het verdrietige nieuws was dat ik niet op 1 februari kon beginnen als WEP’per. ‘Het goede nieuws is dat we alledrie de kandidaten een plek willen geven. In oktober komen nog 2 werkervaringsplekken vrij. We willen je dan heel graag hebben.’ Ik was diep onder de indruk van het aanbod. ‘Ik bel je in het voorjaar nog een keer en vraag of je nog belangstelling hebt. Zolang blijft die plek voor jou.’

In juli belde hij nog een keer. Eveneens iets voor 8 uur. Het was voor mij onzeker of ik bij mijn werkgever mocht blijven. Daarom zei ik dat ik er nog even over moest nadenken. Ik vroeg hoe laat ik hem het beste kon bellen. ‘Doe maar op dit tijdstip’, antwoordde hij. ‘Maar eerder mag ook. Ik ben hier altijd om half 6.’

Later – ik werkte een paar maanden bij Tubantia – vertrok Jan van Nus. Hij had een paar jaar als hoofdredacteur gewerkt omdat niemand anders wilde. Ik vertelde mijn chef Jan Bengevoort over het vroege tijdstip waarop Van Nus altijd belde. Hij lachte. ‘8 uur. Dat is nog laat. Hij belde eerst iedereen al om half 7. Dan was hij verbaasd dat hij iedereen wakker maakte.’

Tachtig vlinderstrikken

Rumoer in de letteren is natuurlijk heerlijk. De literatuur drijft op de haat en nijd. Iemand met minderwaardigheidsgevoelens is altijd snel uit de tent te lokken. Het lijkt erop dat het literair landschap vol zit met minderwaardigheidsgevoel. Je zou denken dat ze van dat vervelende gevoel af waren door het schrijven, maar het lijkt wel of elk gedicht, elk verhaal en elke roman de gevoeligheden vergroten.

Zo volg ik opnieuw met interesse Driek van Wissen die zich uitlaat over de dingen die Komrij zegt in een interview in het tijdschrift van NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag. ‘Ik heb hem helemaal niet gebeld’, krijst de tweede ex- Dichter des Vaderlandse tegen de eerste ex-. ‘Ik heb zelfs zijn telefoonnummer niet. Bovendien krijg ik keurig 225,24 euro voor mijn gedichten op de voorpagina van het NRC.’ En hij houdt het bonnetje keurig omhoog met de handtekening van de hoofdredacteur van NRC eronder.

Bij dat Dichter des Vaderlands gedoe vliegen de teleurstellingen over en weer. Huilt de één dat de ander geslagen heeft en laat de blauwe plek zien omdat een ander gekrabt heeft. Ik vraag mij af waarom er überhaupt een Dichter des Vaderlands is. Als ik kon dichten en het zou mij door de strot geduwd worden, zou ik er helemaal niet aan beginnen.

De eerste had het niet kunnen weten dat deze functie tot zoveel ‘waardering’ zou leiden, maar de rest wist het. En waarom vertelt Driek van Wissen niet gewoon dat hij nu een mooie collectie van tachtig vlinderstrikken erbij heeft (met bolletjes, sterretjes en in alle kleuren) en dat hij heerlijk elke week ergens in Nederland een rijmseltje opboerde.

De literatuur begint echt iets van een dierentuin te hebben. Het thema van volgend jaar wordt ‘In de drek voel ik mij prettig’. Schrijvers zijn er knorrig genoeg voor.

Internationalisering

Vreemd idee dat de meeste masteropleidingen aan de universiteiten in het Engels gegeven worden, zoals de NRC dit weekend meldt. Dat betekent dat er een Nederlandse docent Engels spreekt tegen een groep studenten die hoofdzakelijk uit Nederlanders bestaat.

Internationalisering is zo meer een hype dan een noodzaak. Als bij een studie het leeuwendeel van studenten en docenten uit Nederlanders bestaat, win je meer aan intellect door gewoon het Nederlands te bezigen. Op het moment dat docenten en studenten werkelijk internationaal zijn, dan heeft het zin. Tot die tijd doet iedereen er verstandig aan lekker in de eigen taal met elkaar te praten.

Het blijft de vraag wat een internationale student is. Zo pocht Maastricht dat het een internationale universiteit is. Niet zo moeilijk met België en Duitsland op een steenworp afstand. Vrijwel geen enkele opleiding wordt in het Nederlands gegeven daar in Maastricht.

Ik stel voor om duidelijke afspraken te maken wanneer een opleiding in het Engels gegeven zou moeten worden. De internationale inbreng aan studenten- én docentenzijde moet minimaal een kwart beslaan. Als het gezelschap dan ook echt internationaal is, heeft het zin. Tot die tijd gewoon lekker in het Nederlands kletsen met elkaar. Dat is beter dan het gebrekkige steenkool Engels waarmee docenten en studenten elkaar nu bestoken.

Ultraloper

Han Frenken heeft er 213 gelopen vertelt NRC Handelsblad. Zijn eigen website noemt zelfs het aantal van 214 (ultra)marathons die hij gerend heeft. Hardlopen geeft hem een kick, hij kan eens heerlijk nadenken en slaat alle zorgen van zich af.

Precies hetzelfde gevoel dat mij motiveert om te blijven lopen. In zekere zin is hardlopen net zo verslavend als roken. En misschien wel net zo ongezond, met alle kwaaltjes die je kunt oplopen.

Ergens begrijp ik alle bezorgdheid van anderen over mijn voornemen de marathon van Rotterdam te hollen over een maandje. Vooral moeders zijn hier goed in. Tegelijkertijd vraag ik mij echt af waar ze zich zo zorgen over maken. Als het niet gaat, stop ik gewoon. Daarnaast probeer ik gewoon te genieten van het rennen en staat het wedstrijdelement op de tweede plaats. Het is vooral een persoonlijke wedstrijd, los van de anderen, waarin ik mijn grenzen zoek.

Dus als het echt bevalt, misschien dat ik er ook wel 200 ga hollen.