Categoriearchief: nederlandse literatuur

Zeg maar dat we niet thuis zijn

image

De roman Zeg maar dat we niet thuis zijn van Rashid Novaire is een bijzonder boek. Het verhaal gaat over de Nederlandse begrafenisondernemer Milan den Hartog. Hij werkt zijn laatste week bij uitvaartmaatschappij Noorderzon en Zonen. Hierna wil hij iets heel anders gaan doen.

In de laatste week als uitvaartondernemer krijgt hij 3 bijzondere uitvaarten. Het zijn alledrie uitvaarten van mensen met een andere culturele achtergrond.

Deze laatste week heb ik een aantal opmerkelijke mensen ontmoet, ik noem ze Nederlanders met een niet-Nederlandse achtergrond, die ik moeilijk kon inschatten omdat ze maar bleven praten over dingen waarin ik niet geloof. (24)

De verteller en hoofdpersoon Milan den Hartog verwijst naar de uitvaart van meneer Mohammed Jahangir. Deze overleden man is een Koerd en gevlucht uit Iran, maar vanwege een verblijfsvergunning heeft hij zegt dat hij uit Irak komt.

Omdat hij begraven wil worden in zijn geboorteland stuit deze ‘witte leugen’ uit het verleden op een probleem. Een probleem dat Milan mag oplossen. Het verhaal volgt de 7 dagen die de overledene in de koelcel ligt.

Het verhaal van Milan en zijn strubbelingen met autoriteiten en nabestaanden wordt afgewisseld met berichten uit het dodenhuis. Vanuit zijn koelcel geeft de dode Mohammed Jahangir zijn commentaar op de hele situatie. Het zijn berichten die in de spambox van de hoofdpersoon Milan den Hartog belanden en waarvan hij zegt dat hij ze niet leest.

Hij doet dit met humor en wisselt daarmee het eigenlijke verhaal van Milan den Hartog. De uitvaartondernemer worstelt heel erg met zijn eigen identiteit. Op de vraag of hij homo is, reageert hij ontwijkend.

Daarmee geeft de roman een mooie inkijk in het leven van een uitvaartondernemer. De verteller staat midden in de multiculturele maatschappij, maar lijkt vooral zichzelf kwijt te raken. Daarbij lukt het hem maar moeilijk om de nabestaanden goed te begeleiden.

Daartussen meanderen de doden met hun vragen, bedenkingen en wensen. De overledenen verdwijnen en families zoeken naar hun gestorven geliefden. De roman laat aan de hand van de dood zien hoe ingewikkeld onze maatschappij is.

Rashid Novaire: Zeg maar dat we niet thuis zijn. Roman. Amsterdam: Ambo/Anthos, 2015. ISBN: 978 90 414 2579 9. Prijs: € 18,99. 224 pagina’s.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn bijdrage over Zeg maar dat we niet thuis zijn van Rashid Novaire. We lezen dit boek vandaag bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

 

Energie en verlies aan idealen

image

Het lezen van Gimmick! laat een roman zien die overstroomt van de energie. Het is een energiek werk dat snel leest en een feest is om te lezen. Tussen alle regels door geeft de verteller boeiende opvattingen. De opvattingen over kunst bijvoorbeeld.

Als Walter Raam in de Gimmick! in gesprek is met de kunstenaar Eckhardt:

‘Er is geen subcultuur meer,’ begint ‘ie, ‘alles is al officiële kunst als de verf nog niet gedroogd is, als de acteurs nog repeteren en het doek nog niet is opgegaan, als de roman alleen nog maar op floppy staat.’ En: ‘Er zijn geen goeie of slechte kunstenaars meer, Walter, er zijn kunstenaars mét geld en er zijn kunstenaars zónder geld en de kunstenaars zonder geld zijn eigenlijk helemaal geen kunstenaars. Nee, zo zit het! Ik vind het niet leuk, jij vindt het niet leuk, niemand vindt het leuk, niemand is tevreden en iedereen heeft alles al gezien.’ (47)

Er zijn geen idealen meer, het ideaal is geld. Dat is de strekking van het gesprek. Dat Walter Raam zijn kunstenaarschap laat afhangen van de liefde, doet je zelfs als lezer pijn. Je denkt, man, maak toch een schilderij en je kunt weer even vooruit.

Als Eckhardt hem later op Ibiza oproept om te gaan exposeren en kunst te gaan maken, draait het ook niet om de kunst, maar om het geld. Eckhardt gebruikt het ideaal dit keer om Walter Raam op te roepen weer kunst te gaan maken. Zo kan hij samen met Groen tot de top 3 van Nederlandse kunstenaars gaan behoren. Eckhardt slaat opeens een ander toontje aan, maar het draait nu ook om geld:

‘Het gaat om de strategie. Het gaat om jouw en, eerlijk is eerlijk, ook om míjn belang. We streven tenslotte hetzelfde na in de kunst, jij, Groen en ik, we hebben hetzelfde… ja, we hebben hetzelfde, en er is geen ander woord te bedenken – we hebben hetzelfde ideáal!’
Ik kan mij niet herinneren het ooit met Eckhardt over idealen te hebben gehad. Wel staat me nog bij dat hij ooit in de Gimmick heeft gezegd dat er geen idealen meer bestaan. (128/9)

Het ideaal dat er nog is, is geld en dat drijft ook Eckhardt om Raam op te roepen weer kunst te maken. Het zal hem ook beter maken en dat belang is voor hem belangrijker dan de kunst die Walter Raam maakt. Zijn kunst zal Eckhardts werk meer waard maken.

Dat verlies van idealen weet Joost Zwagerman treffend te pakken in zijn roman Gimmick! dat een mooi inkijkje geeft in de kunstenaarswereld aan het einde van de jaren 1980. Het draait niet om de kunst, maar om het geld dat het oplevert.

Dat de kunstenaars vervolgens vluchten in seks, drank en drugs zorgt ervoor dat de kunst failliet is. Het bestaat niet meer. Dat is vooral het beeld dat Joost Zwagerman weet op te roepen in zijn roman. Hij doet dit met evenveel energie waarmee bijvoorbeeld Remco Campert in de jaren 1950 Het leven is verrukkelluk. Dat maakt Gimmick! tot een feest der herkenning en een herbeleving van de roerige jaren 1980 waarbij alle idealen vervallen.

Joost Zwagerman: Gimmick!. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1991 [1989]. Grote ABC nr. 662. ISBN: 90 295 6156 4. 236 pagina’s. Bestel.

Gimmick!

image

Het boek waarmee Joost Zwagerman in 1989 doorbrak is Gimmick!. Het is een cultboek dat de jongeren omarmden. Het refereert overduidelijk naar de oproep van Ton Anbeek bijna 10 jaar eerder. De Leidse hoogleraar concludeert in dit essay over Maarten ‘t Harts Een vlucht regenwulpen en Oek de Jongs Opwaaiende zomerjurken dat de Nederlandse literatuur wel wat straatrumoer kan gebruiken.

Het boek van Zwagerman is een poging de taal en het verhaal van de straat naar binnen te halen. Hij is hiermee de wegbereider voor schrijvers als Arnon Grünberg en Ronald Giphart. Literatuur waarin de personages feesten, dansen, drinken en snuiven.

In Gimmick! geeft Joost Zwagerman een schets van de kunstenaarsscène vanaf het midden van de jaren 1980 in Amsterdam. De hoofdpersoon Raam is een kunstenaar, maar hij komt door al het feesten niet toe aan het creëren van kunst. De hele roman stelt hij de schepping uit. Hij kiest voor het leven en niet voor het werken aan nieuwe kunstwerken. Hij schakelt hiermee zichzelf uit, zonder nieuwe schilderijen is zijn kunstenaarschap dood.

De roman van Joost Zwagerman opent in New York, waar het gebeurt. Walter Raam bezoekt er samen met zijn vriend Groen een peepshow. Het is een scène die nog niet eerder zo is opgevoerd. De peepshow als inspiratie voor de kunst. Alleen ziet Walter Raam dat niet zo. Hij ontvlucht de peepshow en logeert bij een een oudere dame.

Symbool voor het feesten is de Gimmick! Een danstent vergelijkbaar met de IT in Amsterdam. Walter Raam komt er graag om alles te vergeten maar vooral voor zijn liefde voor Sammie. Daarmee is de roman een verhaal waarbij de kunstenaar zijn muze mist en eigenlijk zijn inspirartie verdwenen is.

Gimmick! staat ook symbool voor de ontmoeting met Sammie. Hij probeert steeds deze liefde weer op te roepen met drank en drugs. Alleen hij slaagt hier niet in. De drank en drugs helpen hem niet verder, ze brengen hem juist in de problemen. Hij komt niet meer aan het creëren van kunst.

Joost Zwagerman: Gimmick!. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1991 [1989]. Grote ABC nr. 662. ISBN: 90 295 6156 4. 236 pagina’s. Bestel.

Ica en Connie Palmen

image

In de roman Ica vermengt Eva Posthuma de Boer feiten met fictie. Ze refereert in haar boek expliciet naar de schrijfster Connie Palmen, die ze Ica Maria Metz noemt. Ze past hiermee een procedé toe dat de schrijfster Connie Palmen veelvuldig toepast in haar boeken.

De roman Lucifer van Connie Palmen is een duidelijk werk waarin feit en fictie vermengt worden. Het leverde onder lezers veel verwarring op omdat het zo expliciet de val van de vrouw van componist Lucas Loos op een Grieks eiland van een 40 meter hoge afgrond. De verwijzing naar de componist Peter Schat die zijn vrouw zo verloor in 1981.

De roman leverde veel ophef op omdat Connie Palmen zo expliciet verwijst naar Peter Schat. Ze verdraait de werkelijkheid en zoekt naar een de toedracht bij het ongeval. Al kan ze het niet bewijzen, ze suggereert dat de val niet een ongeluk is geweest. De vermenging van fictie met de feiten, in het Engels aangeduid met faction, moet de kijk op de werkelijkheid duidelijker maken.

Iets soortgelijks doet Eva Posthuma de Boer in haar roman Ica. Overal suggereert de vertelster dat Connie Palmen model staat voor Ica. Ica rookt en drinkt, net zo gulzig als Connie Palmen. Als ze samen buiten staan te roken – Nadine Sprenger rookt voor de gelegenheid mee – dan zou wat Ica zegt, zo uit de mond van Connie Palmen kunnen komen:

‘Het zijn gevaarlijke tijden, geloof me. De kleinburgerlijkheid heeft zijn intrede nu werkelijke in alle lagen van de bevolking gedaan, zelfs in de kunstenaarskringen. Ongezond is taboe, we mogen niets meer behalve verantwoord eten, vroeg naar huis en ons ongans sporten. Zelfs het verlangen naar alles wat verboden is, moeten we verbannen, met onzin als acupunctuur, mindfulness en andere zelfhulpquasch. En het neemt steeds excessievere vormen aan, de doctrines maken de mensen onuitstaanbaar, dat wijzende vingertje van hen die zelf nooit anders hebben gedaan, als bekeerden trachten ze je aan te steken met hun gezondheidsleer: als je doodgaat is het je eigen schuld! Straks komen er nog straffen op te staan ook. Het is toch verdomme de dood in de pot voor het vrije denken, elke vorm van creativiteit wordt in de pan gehakt. En wat willen ze, dat we allemaal honderd worden, gerimpeld en kreupel eindigen, zonder ooit nog iets te hebben gedaan wat ons geluk bracht?’ (52/3)

Connie Palmen kan het gezegd hebben. Ik herinner mij de rel rond het roken op televisie bij het televisieprogramma Zomergasten nog. Haar persoon sijpelt op alle mogelijke manieren door in de roman van Eva Posthuma de Boer. Zo vermengen werkelijkheid en fictie zich, zoals ook in Connie Palmens boek Lucifer gebeurt.

Overigens is de vergelijking nog verder te trekken. Kijk alleen al naar de opbouw van Ica: als een Griekse tragedie. De vertelster legt het in de proloog uit. Connie Palmen hanteert deze opbouw in Lucifer ook. Net als dat de verantwoording aan het einde keurig de citaten vermeldt waarvan Eva Posthuma de Boer gebruik heeft gemaakt in haar boek.

Ze gaat zelfs nog een stapje verder. Ze weet het oeuvre van Connie Palmen te parafraseren. Zo doemt regelmatig de roman De vriendschap op die ik voor mijn middelbare school las en die bij het lezen van Ica weer in mijn gedachten opdoemt. Daarvoor hoef ik het boek van Connie Palmen zelfs 20 jaar later niet voor te herlezen.

Eva Posthuma de Boer: Ica. Amsterdam: Ambo/Anthos, 2015. ISBN 978 90 414 2626 0. 280 pagina’s. Prijs: € 19.99.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn tweede bijdrage over de roman Ica van Eva Posthuma de Boer. We lezen dit boek bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

Mijn exemplaren van Ferdinand Huyck

image

Ik heb 2 exemplaren van Ferdinand Huyck in mijn boekenkast. Ze komen allebei uit de serie van Romantische werken die uitgeverij Sijthoff uit Leiden vaak herdrukte. De beide boeken zijn gebonden in een rode kaft, maar zijn van verschillend zetsel. Hierdoor telt het ene boek 436 pagina’s en het andere 498.

Het werk van Jacob van Lennep was tot ver in de 20e eeuws heel populair. De boeken zijn eindeloos herdrukt. Het boek Ferdinand Huyck behoort tot de populairdere romans van Van Lennep. Net als De roos van Dekama. Misschien dat het onderwerp best aansprak. Daarnaast zijn de boeken van Jacob van Lennep geschreven in een toegankelijke stijl.

image

Ik heb een exemplaar dat heeft toebehoord aan P.J. Biesmeijer. Hij schafte het exemplaar in maart 1890 aan. Of het boek echt stukgelezen is, weet ik niet. Het boek heeft wel veel geleden. Het band valt van de inhoud af en neemt daarbij de eerste en laatste pagina’s mee.

Misschien komt de schade ook door het dikke bundeltje papier dat aan het exemplaar is toegevoegd. Dat is gemaakt door een J. van der Spek in januari 1888 en is daarmee ouder dan dat P.J. Biesmeijer het boek aanschafte.

image

In een prachtige handschrift heeft J. van der Spek alle vreemde uitdrukkingen en woorden die in het boek voorkomen opgezocht en vertaald. Hij gaat hierin heel ver. Zo zoekt deze lezer naar de verklaring van woorden als ‘bagatelletje’, ‘croquettes’ en ‘intoleroble’. Daarnaast komen de vele mythologische figuren in de roman langs als Bacchus, Atlas en Hercules. Ook besteedt deze 19e eeuwse lezer aandacht aan de Franse zegswijzen die vooral de zus van Ferdinand Santje.

Daarmee geven deze notities een leuk inkijkje in de leeswijze van een 19e eeuwse lezer. Het maakt het uit elkaar vallende exemplaar van deze historische roman de moeite van het bezitten waard. Daarom kan ik het ook niet over mijn hart verkrijgen om juist dit boek van een nieuw omslag te voorzien.

image

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Vorm of vent – #50books

image

De boekenvraag van Peter deze week doet mij denken aan de vorm-vent-discussie. Deze discussie keert regelmatig in verschillende vormen terug. Dat geldt niet alleen voor de literatuur, maar ook voor andere kunsten als muziek of de schilderkunst.

De vraag in deze discussie is: in hoeverre draait het om de maker van het kunstwerk? Oftewel is het kunstwerk autonoom aan de maker ervan?

Vorm of vent

Kies je voor de vorm, dan is de maker niet zo belangrijk. In de tijd van deze discussie, tussen de 2 wereldoorlogen in het tijdschrift Forum, bezigde de dichter Nijhoff dit standpunt. Vraag je je bij een Perzisch tapijtje af wie het gemaakt heeft?

Nee, was zijn antwoord: je kijkt alleen naar de schoonheid en wie het gemaakt heeft is niet belangrijk. Het draait om het kunstwerk zelf en niet om zijn maker. De kunst is een zelfstandig, organische entiteit.

Maker wel stempel op kunstwerk

Aan de andere kant stonden Menno ter Braak en Eddy du Perron. Zij stelden dat de maker, de vent, juist een stempel op het kunstwerk drukte op het werk dat het gecreëerd had. Het draait volgens hen wel om de maker. Zij vinden hem ook verantwoordelijk voor het geschrevene.

Dat staat in schril contrast met onze literaire opvattingen. Schrijvers zijn niet verantwoordelijk voor wat hun personages zeggen en doen. Al gaat deze opvatting erg beperkt op. Sommige schrijvers worden wel verantwoordelijk gehouden voor wat hun personages zeggen en doen.

Dubbele houding

Deze dubbele houding blijft spelen. Ik ben vanuit mijn studie literatuurwetenschap erg gevoed door het literaire werk als zelfstandig object. In mijn ogen draait het vooral om de lezer die de tekst duidt. Ik als lezer geef de tekst betekenis. De tekst bestaat alleen doordat de lezer hem leest. Zonder hem is het werk betekenisloos.

Daarom geloof ik ook niet in auteursintentie. Zeker een auteur kan iets bedoelen met een tekst, maar het is de vraag of ik die bedoeling eruit haal. Voor mij draait het om wat het kunstwerk met mij doet. Wat denk ik dat het is. Die betekenis beantwoordt veel sterker aan het kunstwerk dan wat de maker ‘bedoeld’ zou hebben.

Schrijver wel belangrijk

Tegelijkertijd zie ik dat het voor veel lezers wel belangrijk is wie de tekst geschreven heeft. De autoriteit die sommige auteurs hebben, staat dan zeker centraal. Arnon Grünberg die iets over de oorlog schrijft, is iets anders dan wanneer Geert Mak dat doet. Dan kun je de tekst nog zo graag als autonoom willen zien, de missie mislukt. De leeshouding van lezer verschilt bij het lezen van teksten van deze 2 auteurs.

Ik ben zelf heel enthousiast over geheimzinnige schrijvers die zichzelf niet op de voorgrond zetten. Zo is een schrijver als Nescio een voorbeeld. Niemand weet wie deze man was, maar zijn literaire werk is een begrip.

Dagboeken

Hetzelfde geldt voor de dagboeken van iemand als Victor Klemperer, die pas na zijn dood werden gepubliceerd. Hetzelfde geldt voor auteurs als F.B. Hotz of Bob den Uyl. Zij vonden zichzelf niet belangrijker dan hun werk. Daarmee heeft een werk een heel andere positie dan deze schrijvers.

Vanuit mensen is het effect ook precies andersom: je leest het werk niet omdat je meer van hen wilt weten, maar na het lezen van hun boeken wil je de biografie lezen om meer over de mens achter het boek te weten te komen.

Daarmee heeft het boek waarbij de schrijver niet zo sterk op de voorgrond treedt, minstens zoveel overlevingskansen als het boek waarvan de schrijver bekend of zelfs bekender is dan het boek.

#50books

Dit is het antwoord op vraag  33 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.