Categoriearchief: nederlandse literatuur

Charles Dickenssfeer

Altijd als ik op vrijdag in Amsterdam ben, kan ik het niet laten om even de boekenmarkt op het Spui te bezoeken. Zo ook vandaag. De motregen, de van voren afgeschermde kraampjes en de lampjes brachten de boekenmarkt in heuse Charles Dickenssfeer.
Ik liep met een paar bloemlezingen onder de arm weg. Ik kocht ze bij een vriendelijke boekverkoopster. Volgens mij was het de enige vrouw die achter een kraampje stond. Overigens staat aan de koperskant van de kramen eveneens meer man dan vrouw.
Op weg naar het station sloeg mijn boekenhart nog iets sneller over. De Slegte bood veel tweedehands romans voor een zacht prijsje aan. Daarom verliet ik de stad opnieuw met een stapel leeswaar. Hoe een leuke dag nog leuker wordt.

Geronseld voor de commercie

Literatuur en commercie. Een huwelijk tussen twee, die voortdurend op gespannen voet met elkaar leven. De naald van de meter zweeft voortdurend tussen de twee uitersten. Soms zoekt de naald meer de kant van de literatuur, andere keren slaat de naald door naar de commercie.
Een tijdje geleden zag ik Kluun met Susan Smit bij De wereld draait door zitten. Vergeeef het me, maar ik heb ze allebei nooit gelezen. Vergeefs vroeg ik om recensie-exemplaren bij hun uitgevers, maar nooit kreeg ik de kans om ze aan te prijzen voor de Zuid-Afrikaanse lezers van Litnet.
Susan zat er op haar mooist in een uitdagend rood jurkje en Kluun markette zijn nieuwste initiatief Nightwriters. Als een marktkoopman die zijn halfverrotte peren aanprijst als eetrijp, zo hield hij zijn idee in de lucht. Voorbij de duffe voorleesavondjes, maar een heuse show van schrijvers die een paar minuten krijgen om een stukje uit hun nieuwste roman voor te lezen.
Kluuns was trots dat hij A.F.Th. geritseld had voor zijn show. Dat uitgerekend deze schrijver zich zo liet paaien voor de commerciële show van Kluun. Het is mijn buurman, glunderde Kluun. Hij had iedere dag voor zijn deur gestaan en gebedeld of hij mee wilde doen. Pas in het café op het juiste uur zwichtte de literaire zwaarwicht.
Wat het verschil is tussen het voorlezen in de bibliotheek in Vrouwenklooster, of de show in schouwburg van Stadskanaal, is mij niet duidelijk. Kluun verpakt zijn lelijke woorden en alledaagse taal in een leuk papiertje en iedereen koopt het.
Dat is A.F.Th. niet gelukt. Zijn Schervengericht is eerder een schoendoos, dan een uitdagend jurkje. Zeker wanneer je zinnen leest als: ‘Het kind bleef naar de vochtige speen happen, met voor zo’n kleine wurm heftige smakgeluiden. Nog niet verzadigd begon het schor te krijten.’Of: ‘Ergens achter de prostaat verkruimelde zijn liefde tot kroepoek.’

Odessa Star

De onderwereld en de bovenwereld lopen steeds vloeiender in elkaar over. Dat was het gesprek gisteravond bij Nova. Kamerleden Fred Teeven (VVD) en Sybrand van Haersma Buma (CDA) bogen zich samen met Bram Moszkowicz en Rudy Stroink van TCN properties over het probleem.
De vastgoed verwordt meer en meer tot een grote witwasserette en nette burgers veranderen in zware jongens. Het beeld van een wereld in verval is hiermee goed geschetst. Zeker als politici incidenten tot trends verheffen.
De discussie over de onderwereld en de bovenwereld doet mij denken aan de roman van Herman Koch, Odessa Star. Het boek is uit 2003 en actueler dan ooit. De roman laat namelijk de vermenging van de onderwereld met de bovenwereld zien.
De weg van een crimineel gaat eigenlijk heel geleidelijk, zonder dat je het door hebt ben je een crimineel en dan schiet iemand je ineens dood. Behalve deze ernst is de roman vooral grappig, maar dat heb ik al eerder opgeschreven.
Nog een leuke bijkomstigheid: Odessa Star wordt verfilmd.

Computercrash

Het verloren gaan van informatie, boeit mij. Ik schrijf niet voor niks over branden van musea en bibiotheken. De harde schijf die totaal waardeloos is geworden. Daarom weer een gedachte die in me opkomt over dit onderwerp.
De roman De valse dageraad van Jan van Aken vertelt het verhaal van de monnik Hroswith. Hij krijgt van keizer Otto de opdracht om een keizerlijke bibliotheek op te richten. Hij maakt van elk boek een kopie, die wordt bewaard in een spiegelbibliotheek.
Jan van Aken heeft mij eens verklapt dat hij dat idee had uit de ICT-technologie. In de begintijd van internet werd dezelfde data op meerdere plaatsen opgeslagen, zodat het niet verloren zou gaan. Dat beide bibliotheken aan het eind van het verhaal verwoest worden, spreekt bijna voor zich.

De ironie van de ironie

Maak je nu een grapje, of meen je het? De ironist zweeft tussen waarheid en grap. Niemand begrijpt hem, of neemt hem serieus en als hij eens serieus is, ziet iedereen het als een ironische bedoeling.
Arnon Grunberg laat zich niet meer zien bij een prijsuitreiking. Het prijzengeld kan wat hem betreft naar een goed doel. De zeehondjes verdienen meer aandacht dan hij. Het is zijn reactie op de woordenwisseling die hij met medegenomineerde en winnaar van de AKO-literatuurprijs A.F.Th. van der Heijden.
Van der Heijden vond het niet eerlijk dat Grunberg met hem, een medegenomineerde de vloer aanveegde. Het past niet om bij een wedstrijd elkaar voor verrotte vis uit te maken, was zijn opvatting. Toen Grunberg er zijn zoon bij haalde, steigerde A.F.Th. helemaal. Met zo iemand wilde hij niet in dezelfde ruimte zitten.
Het was allemaal ironie, zegt Grunberg nu in De Morgen. ‘Had ik maar geschreven dat Wolkers en Mulisch dienen te worden doodgeknuppeld in een concentratiekamp zoals Reve deed in de jaren tachtig. Want dat is ironie.’ Nederland is sinds 2001 zo ziek geworden, dat ze de ironie voor ernst aanziet. Daarom zal Grunberg zich aanpassen en niet meer verschijnen bij een prijsje.
Voor mij liet de polemiek zien dat schrijvers elkaar alleen nog maar voor verrotte vis kunnen uitmaken. Terwijl de hele wereld brandt, miereneukt hij op de komma over de stijl van een collega. Welk doel hij hiermee dient, weet ik niet, maar het laat eerder zien dat schrijvers het liefst duiken in een bad irrelevantie.
Overigens moedig ik de beslissing van Grunberg aan om weg te blijven bij evenementen. Schrijvers zijn geen sterren die op televisie moeten verschijnen. De echte ster blinkt in hun boeken. Schrijvers kunnen het sowieso beter bij schrijven laten. Hun mediaoptredens vallen vrijwel altijd tegen. Ze maken van de schrijver een mens, terwijl hij eigenlijk gewoon een schrijver moet zijn, die boeken maakt. De boeken vormen een eigen wereld, waarin een schrijver van vlees en bloed vooral niet past.

Arme sloebers

Tot voor kort dacht ik dat schrijvers arme sloebers waren en voor elke habbekrats zouden gaan. Hoe groot was mijn verbazing toen ik las dat Jeroen Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren weigert omdat het geldbedrag een schijntje zou zijn. Voor 16.000 euro komt de schrijver zijn huis niet uit. ‘Je wordt naar de Parnassus getild en afgescheept met een aalmoes’, aldus de weigeraar.
Wat verwacht Brouwers? Dat hij tonnen krijgt toebedeeld en vanaf dat moment nooit meer een boek hoeft te schrijven. Hij zal juist moeten blijven schrijven, vind ik. Geld of geen geld, schrijven staat los van materie. De vraag of je schrijft voor de eer of het geld, is overigens niet nieuw. De schrijver van de Beatrijs opent er zelfs zijn verhaal mee:

Van dichten comt mi cleine bate.
Die liede raden mi dat ict late
Ende minen sin niet en vertare.

Hij schrijft omdat hij dit verhaal moet vertellen. Het is een van de mooiste stukjes uit de Middelnederlandse literatuur. Iets waar Brouwers een voorbeeld aan moet stellen, ophalen die prijs en de habbekrats van 16 mille geven aan een goed doel. Desnoods voor de zeehondjes.