Categoriearchief: nederlandse letterkunde

Energie en verlies aan idealen

image

Het lezen van Gimmick! laat een roman zien die overstroomt van de energie. Het is een energiek werk dat snel leest en een feest is om te lezen. Tussen alle regels door geeft de verteller boeiende opvattingen. De opvattingen over kunst bijvoorbeeld.

Als Walter Raam in de Gimmick! in gesprek is met de kunstenaar Eckhardt:

‘Er is geen subcultuur meer,’ begint ‘ie, ‘alles is al officiële kunst als de verf nog niet gedroogd is, als de acteurs nog repeteren en het doek nog niet is opgegaan, als de roman alleen nog maar op floppy staat.’ En: ‘Er zijn geen goeie of slechte kunstenaars meer, Walter, er zijn kunstenaars mét geld en er zijn kunstenaars zónder geld en de kunstenaars zonder geld zijn eigenlijk helemaal geen kunstenaars. Nee, zo zit het! Ik vind het niet leuk, jij vindt het niet leuk, niemand vindt het leuk, niemand is tevreden en iedereen heeft alles al gezien.’ (47)

Er zijn geen idealen meer, het ideaal is geld. Dat is de strekking van het gesprek. Dat Walter Raam zijn kunstenaarschap laat afhangen van de liefde, doet je zelfs als lezer pijn. Je denkt, man, maak toch een schilderij en je kunt weer even vooruit.

Als Eckhardt hem later op Ibiza oproept om te gaan exposeren en kunst te gaan maken, draait het ook niet om de kunst, maar om het geld. Eckhardt gebruikt het ideaal dit keer om Walter Raam op te roepen weer kunst te gaan maken. Zo kan hij samen met Groen tot de top 3 van Nederlandse kunstenaars gaan behoren. Eckhardt slaat opeens een ander toontje aan, maar het draait nu ook om geld:

‘Het gaat om de strategie. Het gaat om jouw en, eerlijk is eerlijk, ook om míjn belang. We streven tenslotte hetzelfde na in de kunst, jij, Groen en ik, we hebben hetzelfde… ja, we hebben hetzelfde, en er is geen ander woord te bedenken – we hebben hetzelfde ideáal!’
Ik kan mij niet herinneren het ooit met Eckhardt over idealen te hebben gehad. Wel staat me nog bij dat hij ooit in de Gimmick heeft gezegd dat er geen idealen meer bestaan. (128/9)

Het ideaal dat er nog is, is geld en dat drijft ook Eckhardt om Raam op te roepen weer kunst te maken. Het zal hem ook beter maken en dat belang is voor hem belangrijker dan de kunst die Walter Raam maakt. Zijn kunst zal Eckhardts werk meer waard maken.

Dat verlies van idealen weet Joost Zwagerman treffend te pakken in zijn roman Gimmick! dat een mooi inkijkje geeft in de kunstenaarswereld aan het einde van de jaren 1980. Het draait niet om de kunst, maar om het geld dat het oplevert.

Dat de kunstenaars vervolgens vluchten in seks, drank en drugs zorgt ervoor dat de kunst failliet is. Het bestaat niet meer. Dat is vooral het beeld dat Joost Zwagerman weet op te roepen in zijn roman. Hij doet dit met evenveel energie waarmee bijvoorbeeld Remco Campert in de jaren 1950 Het leven is verrukkelluk. Dat maakt Gimmick! tot een feest der herkenning en een herbeleving van de roerige jaren 1980 waarbij alle idealen vervallen.

Joost Zwagerman: Gimmick!. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1991 [1989]. Grote ABC nr. 662. ISBN: 90 295 6156 4. 236 pagina’s. Bestel.

Brieven naar huis – #50books

image

Rob Nieuwenhuis, nestor van de Indisch-Nederlandse letterkunde stelt in zijn boek Oost-Indische spiegel dat de Indische roman voortkomt uit de brieven naar huis. Daar moet ik meteen denken bij het lezen van Peters vraag.

De briefroman is inderdaad een beetje achterhaalt. Soms kruipen er mailtjes of andere digitale uitingen in romans, maar het draait nu vooral om het verhaal. De brief speelt sowieso een steeds minder grote rol. Ik las afgelopen zomer Ferdinand Huyck van Jacob van Lennep. In deze roman komt regelmatig een krabbel voorbij.

De brievenboeken waar ik echt van houdt, zijn de brieven van Willem Walraven. Wat een prachtige stijl heeft deze man. Hij schrijft vanuit Nederlands-Indië naar zijn familie in Nederland. Het zijn ontroerende verhalen die lezen alsof het een roman is. De brieven bevestigen de stelling van Rob Nieuwenhuys dat de Indisch-Nederlandse literatuur haar oorsprong heeft in de brief naar huis.

De brieven van Du Perron en Ter Braak zijn zeker ook de moeite van het lezen waard. Ze geven een mooie inkijk in een bijzondere vriendschap, al vraag ik mij soms af of de brieven niet geschreven zijn om gelezen te worden door anderen. Dat vraag ik me ook weleens af bij zeer zorgvuldig geconstrueerde dagboeken. Daar lijkt de schrijver zich bewust te zijn dat hij later weleens gelezen kan worden. Hetzelfde geldt voor de brievenboeken die ik ken.

Het mooiste brieven in een boek, zijn de Brieven van de Schoolmeester, uitgegeven door Marita Mathijssen. Deze brieven geven een prachtig inkijkje in de 19e eeuw. Ze zijn allemaal geschreven door de dichter die bekend staat als De schoolmeester.

Achter de Schoolmeester gaat de schrijver Gerrit van de Linde (1808-1858) schuil. In zijn studententijd moest hij acuut verhuizen naar Engeland, waar hij een kostschool. De gedichten die hij in zijn studententijd schreef, publiceerde Jacob van Lennep later in een dichtbundeltje dat misschien wel het bekendste dichtbundeltje uit de 19e eeuw is, naast de gedichten van Piet Paaltjens.

Dit soort brieven lijken inderdaad niet meer geschreven te worden. Maar ik ben ervan overtuigd dat er wel een nieuwe vorm gevonden zal worden om dit soort juweeltjes naar buiten te brengen. Egodocumenten blijven bestaan. Is het niet in de vorm van een brief, dan wel in de vorm van een e-mail of Whats’app.

Alleen hobbelt de literatuur altijd een eindje achter de techniek aan. Het wachten is op de verborgen mailtjes van schrijvers, waarin net zoveel onthuld wordt als in een mooie, ouderwetse brief.

#50books

Dit is het antwoord op vraag 40 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject

Ica en Connie Palmen

image

In de roman Ica vermengt Eva Posthuma de Boer feiten met fictie. Ze refereert in haar boek expliciet naar de schrijfster Connie Palmen, die ze Ica Maria Metz noemt. Ze past hiermee een procedé toe dat de schrijfster Connie Palmen veelvuldig toepast in haar boeken.

De roman Lucifer van Connie Palmen is een duidelijk werk waarin feit en fictie vermengt worden. Het leverde onder lezers veel verwarring op omdat het zo expliciet de val van de vrouw van componist Lucas Loos op een Grieks eiland van een 40 meter hoge afgrond. De verwijzing naar de componist Peter Schat die zijn vrouw zo verloor in 1981.

De roman leverde veel ophef op omdat Connie Palmen zo expliciet verwijst naar Peter Schat. Ze verdraait de werkelijkheid en zoekt naar een de toedracht bij het ongeval. Al kan ze het niet bewijzen, ze suggereert dat de val niet een ongeluk is geweest. De vermenging van fictie met de feiten, in het Engels aangeduid met faction, moet de kijk op de werkelijkheid duidelijker maken.

Iets soortgelijks doet Eva Posthuma de Boer in haar roman Ica. Overal suggereert de vertelster dat Connie Palmen model staat voor Ica. Ica rookt en drinkt, net zo gulzig als Connie Palmen. Als ze samen buiten staan te roken – Nadine Sprenger rookt voor de gelegenheid mee – dan zou wat Ica zegt, zo uit de mond van Connie Palmen kunnen komen:

‘Het zijn gevaarlijke tijden, geloof me. De kleinburgerlijkheid heeft zijn intrede nu werkelijke in alle lagen van de bevolking gedaan, zelfs in de kunstenaarskringen. Ongezond is taboe, we mogen niets meer behalve verantwoord eten, vroeg naar huis en ons ongans sporten. Zelfs het verlangen naar alles wat verboden is, moeten we verbannen, met onzin als acupunctuur, mindfulness en andere zelfhulpquasch. En het neemt steeds excessievere vormen aan, de doctrines maken de mensen onuitstaanbaar, dat wijzende vingertje van hen die zelf nooit anders hebben gedaan, als bekeerden trachten ze je aan te steken met hun gezondheidsleer: als je doodgaat is het je eigen schuld! Straks komen er nog straffen op te staan ook. Het is toch verdomme de dood in de pot voor het vrije denken, elke vorm van creativiteit wordt in de pan gehakt. En wat willen ze, dat we allemaal honderd worden, gerimpeld en kreupel eindigen, zonder ooit nog iets te hebben gedaan wat ons geluk bracht?’ (52/3)

Connie Palmen kan het gezegd hebben. Ik herinner mij de rel rond het roken op televisie bij het televisieprogramma Zomergasten nog. Haar persoon sijpelt op alle mogelijke manieren door in de roman van Eva Posthuma de Boer. Zo vermengen werkelijkheid en fictie zich, zoals ook in Connie Palmens boek Lucifer gebeurt.

Overigens is de vergelijking nog verder te trekken. Kijk alleen al naar de opbouw van Ica: als een Griekse tragedie. De vertelster legt het in de proloog uit. Connie Palmen hanteert deze opbouw in Lucifer ook. Net als dat de verantwoording aan het einde keurig de citaten vermeldt waarvan Eva Posthuma de Boer gebruik heeft gemaakt in haar boek.

Ze gaat zelfs nog een stapje verder. Ze weet het oeuvre van Connie Palmen te parafraseren. Zo doemt regelmatig de roman De vriendschap op die ik voor mijn middelbare school las en die bij het lezen van Ica weer in mijn gedachten opdoemt. Daarvoor hoef ik het boek van Connie Palmen zelfs 20 jaar later niet voor te herlezen.

Eva Posthuma de Boer: Ica. Amsterdam: Ambo/Anthos, 2015. ISBN 978 90 414 2626 0. 280 pagina’s. Prijs: € 19.99.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn tweede bijdrage over de roman Ica van Eva Posthuma de Boer. We lezen dit boek bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

Mijn exemplaren van Ferdinand Huyck

image

Ik heb 2 exemplaren van Ferdinand Huyck in mijn boekenkast. Ze komen allebei uit de serie van Romantische werken die uitgeverij Sijthoff uit Leiden vaak herdrukte. De beide boeken zijn gebonden in een rode kaft, maar zijn van verschillend zetsel. Hierdoor telt het ene boek 436 pagina’s en het andere 498.

Het werk van Jacob van Lennep was tot ver in de 20e eeuws heel populair. De boeken zijn eindeloos herdrukt. Het boek Ferdinand Huyck behoort tot de populairdere romans van Van Lennep. Net als De roos van Dekama. Misschien dat het onderwerp best aansprak. Daarnaast zijn de boeken van Jacob van Lennep geschreven in een toegankelijke stijl.

image

Ik heb een exemplaar dat heeft toebehoord aan P.J. Biesmeijer. Hij schafte het exemplaar in maart 1890 aan. Of het boek echt stukgelezen is, weet ik niet. Het boek heeft wel veel geleden. Het band valt van de inhoud af en neemt daarbij de eerste en laatste pagina’s mee.

Misschien komt de schade ook door het dikke bundeltje papier dat aan het exemplaar is toegevoegd. Dat is gemaakt door een J. van der Spek in januari 1888 en is daarmee ouder dan dat P.J. Biesmeijer het boek aanschafte.

image

In een prachtige handschrift heeft J. van der Spek alle vreemde uitdrukkingen en woorden die in het boek voorkomen opgezocht en vertaald. Hij gaat hierin heel ver. Zo zoekt deze lezer naar de verklaring van woorden als ‘bagatelletje’, ‘croquettes’ en ‘intoleroble’. Daarnaast komen de vele mythologische figuren in de roman langs als Bacchus, Atlas en Hercules. Ook besteedt deze 19e eeuwse lezer aandacht aan de Franse zegswijzen die vooral de zus van Ferdinand Santje.

Daarmee geven deze notities een leuk inkijkje in de leeswijze van een 19e eeuwse lezer. Het maakt het uit elkaar vallende exemplaar van deze historische roman de moeite van het bezitten waard. Daarom kan ik het ook niet over mijn hart verkrijgen om juist dit boek van een nieuw omslag te voorzien.

image

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Rudy Truffino

image

Jan Brokken vertelt in Jungle Ruby het bijzondere levensverhaal van de Nederlander Ruby Truffino in het Venezuelaanse regenwoud. Brokken laat niet alleen de bijzondere plekken zien, maar hij geeft ook een inkijkje in de bibliotheek van Truffino. Het is een bijzondere verzameling boeken van reizigers die er voor Truffino waren zoals Wallace en Humboldt.

Daarbij komen in Jungle Rudy de verhalen langs van de vele beroemde bezoekers aan de Nederlander in het Venezuela waaronder Prins Bernhard, de Canadese president, Prins Charles en de filmploeg voor de film Green Mansions met Audrey Hepburn en later de filmer Werner Herzog.

Naast Rudy Truffino passeren in het boek van Jan Brokken flink wat avonturiers. Het zijn vliegeniers als Charlie Baughan en Jimmy Angel die hun geluk komen beproeven in de het onontgonnen gebied. Goud en edelstenen lokken de bush-piloten.

Niemand kent het gebied zo goed als Rudy omdat hij de taal van de indianen spreekt. Dat komt omdat de Nederlander in Canaima belandt. Hij zou worden opgehaald door de piloot Baughan, deze crasht onderweg. Zo moet Truffino zien te overleven in het oerwoud. De ernstig verzwakte avonturier wordt opgenomen in de indianengemeenschap van de Pemón.

Hij leerde de taal van de Pemón, hij leerde hun gebruiken. Hij leerde hoe je de vis naar boven krijgt door in een traag stroomend deel van de rivier barbosco in het water te gooien, een gifige boomschors die de vis naar zuurstof doet happen; hij leerde schieten met zoń oude Braziliaanse achterlader waarmee de Pémon op tapirs en herten joegen en op de razendsnelle tigre die in de meeste andere indianentalen ja-gu-ar heet, ‘hij-die-met-één-sprong-doodt hij leerde de pijl en de boog te gebruiken en het blaasroer waarmee de indianen op het kleinere wild joegen, op lapa vooral, waterhaas en op agutí, boshaas. (41)

Later zal Rudy Truffino de eerste directeur van het nationale park zijn. Een functie die hij beëindigt als hij merkt dat hij voor het karretje gespannen wordt om ook bepaalde verboden aan de indianen op te leggen. Overigens blijft het wel de vraag hoe Rudy Truffino zijn verblijf daar midden in het oerwoud bekostigt.

Van de beroemde bezoekers als Prins Bernhard en Prins Charles moet hij het niet hebben. Financieel laten ze hem genadeloos in de steek. Hij krijgt geen cent van de prinsen voor hun verblijf met dure drank en andere kostbaarheden.

image

Het zorgt ervoor dat de Nederlandse avonturier bijna roemloos ten onder gaat. Zijn vrouw is dan al overleden en zijn dochters willen liever ook niet met hem te maken hebben. In de steek gelaten door iedereen, zelfs zijn geliefde omdat zijn dochters haar een paar weken voor zijn dood wegsturen.

Hij was te zwak om te reageren, waarop Lupe haar koffers pakte. (265)

Niet dat zijn dochters dan voor hem zorgen. Ze verdwijnen vrijwel meteen als Lupe weg is. Het lukt Jan Brokken niet om Lupe te spreken. Vlak voor hij de afspraak met haar heeft, verdwijnt ze spoorslag naar Peru.

Wat haar uiteindelijk toch nog iets gemeenschappelijks met de dochters van Truffino gaf – ook zij hulde zich liever in stilzwijgen. (265)

Ondanks het ontbreken van deze gesprekken, weet Jan Brokken een hele treffende biografie te schrijven over deze bijzondere en voor mij onbekende Nederlandse avonturier. Een man met een hart voor het regenwoud. Hij wist door het noodlot contact te leggen met de indianen, de Pémon.

Rudy Truffino’s eigenzinnigheid en sterke karakter maken hem tot een bijzondere persoonlijkheid. Dat Jan Brokken het verhaal vertelt alsof het een spannend jongensboek is, maakt het nog sterker. Ik heb van zijn boek genoten.

Jan Brokken: Jungle Ruby. 3e druk. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact, 2014 [eerst druk: 1999]. ISBN: 9789046704400. 272 pagina’s. Prijs: € 12,50.

De Avonden – Dag 2

image

Hij keek achterom. ‘Het achterlicht brandt,’ zei hij bij zichzelf. De schemering viel in. (Gerard Reve: De Avonden, p. 27)

Leesdagboek De Avonden

dinsdag 23 december, 6.47 uur

Droom

Ik merk de moeheid in mijn lijf. Tel de dagen af na alle inspanning van de afgelopen tijd. Terugblikken kost veel energie. Dan denk ik aan de tijd dat ik werkeloos was, de ooroperaties van Doris, de nieuwe baan en tenslotte het overlijden van mijn schoonvader, eind vorige maand. Ik ben er moe van ben.

Als mij iets treft in De Avonden dan zijn het de bijzondere dromen van de hoofdpersoon Frits van Egters. Vrijwel ieder hoofdstuk begint of eindigt ermee.

Gisteravond om 21 uur naar bed. Wilde dromen tegen de ochtend. Ik loop met medeblogger Peter naar het huis van Carel. Hij is voor een paar maanden op reis. We willen hem verrassen. Ineens zijn er allemaal vrouwen aanwezig, waaronder mijn moeder. We gaan Carels huis versieren en bakken een verjaardagstaart.

Bij het weggaan, kijk ik nog even om en zie een wild varkentje staan in de woonkamer. Die hoort hier niet. Meteen roep ik de anderen en overleg wat we met het biggetje gaan doen. Eerst moet ik mijn teckels bij me roepen om te voorkomen dat zij het jonge beestje iets aandoen.

Het biggetje gaat terug naar het plekje in het weiland voor Carels huis, daar is hij door de omheining van losse takken gebroken. De constructie is niet stevig. Hij kan er zo uit. Er loopt al een grote herdershond in de richting van het weitje. Ik blijf erbij staan, maar veel helpt het niet. Het dier loopt gevaar en ik kan er moeilijk bij blijven staan.

De wekker verlost mij uit deze hachelijke situatie. Aankleden, honden uitlaten, broodsmeren en ontbijten. De roman De Avonden sla ik open. Een heerlijk moment. Even op de bank kruipen met de honden.

Het is niet veel tijd. Een minuut of tien, maar genoeg om mij in de sfeer van Frits van Egters onder te dompelen. Ik lees over zijn fietsrit naar huis vanuit het werk en geniet van het gemoster met zijn ouders.

Ik leg het boek snel weg. Het is tijd. Ik maak me gereed voor de fietsrit naar het station. De lichten aan en ik fiets naar het station. Onderweg kijk ik achterom, net als Frits in De Avonden. Het lampje brandt.

De rest van het hoofdstuk lees ik in de trein. Heerlijk. Ik weet weer waarom het zo’n verrukkelijk boek is om te lezen.

Voor een uitleg over dit blogproject: lees de aanleiding