Categoriearchief: meisjes

Mevrouwtje – #WOT

image

Ik voel mij meer een mannetje dan een meneertje. Een dametje klinkt weer aardiger dan een mevrouwtje. Het gebruik van vrouwtje, vind ik net zo minderwaardig oren. Maar wanneer een dialect het over vrouwke heeft, kan het weer veel positiever klinken.

Zolang de aangesprokene er geen problemen mee heeft, dan heb ik er zeker geen probleem mee. Maar ik gebruik het liefst zo min mogelijk verkleinwoorden bij aanduidingen van mensen. Het kan namelijk heel minderwaardig en denigrerend klinken.

Al vind ik het heel schattig klinken als een man het over mijn meisje of meissie heeft, terwijl hij al meer dan een halve eeuw met haar gaat. Het woord meisje vind ik ook veel mooier dan mevrouw of dame. En sommige verkleinwoorden, krijgen juist kracht. Zoals het mannetje dat alles repareert of de administratie doet.

Voor de rest laat ik iedereen in zijn waarde en spreek hem of haar voor vol aan, zonder verkleinwoord. Het verschil tussen een verkleinwoord en kleineerwoord is niet groot.

Gewiekst – #WOT

image

‘Meester Hendrik-Jan kunt u mij tillen?’ Ze vraagt het met een heel lief stemmetje, een beetje zachtjes, vleiend. Ik til haar in de auto en maak haar gelijk vast in het stoeltje, want dat kan ze nog niet. Ze is ook net vier.

Elke ochtend rijd ik als vrijwilliger de kinderen van de buitenschoolse opvang waar Inge werkt, naar school. In oktober genoot ik onderweg van de gouden zonnestralen in de vroege ochtend. Nu zwiepen mijn ruitenwissers in de dichte motregen. Het levert wel weer gedichten op.

Een tijdje terug vertelde ik dat het meisje van vier moeite heeft met instappen in de auto. ‘O, maar bij mij stapt ze gewoon in’, zei Inge. ‘Maar bij jou is de instap lager.’ ‘Nee hoor, ook in de auto waarin jij rijdt, stapt ze zelf in.’ Ik voelde mij een beetje voor de gek gehouden. Zeker ook toen ik hoorde dat het vastmaken van de gordel evenmin een probleem was.

De ochtend erop stond ze weer bij de open autodeur te wachten opgetild te worden. ‘Maar ik hoorde dat je dat zelf kunt’, zei ik in een poging haar te leren het zelf te doen. ‘Maar bij u niet’, gaf ze als antwoord en bleef net zo lang wachten tot ik haar erin had getild.

Een jongedame die het goed voor elkaar heeft. Zij behoort tot die groep mensen waarin je al de toekomstige manager in ziet opstaan. Of het meisje dat met gemak een jongen om haar vinger windt. Hij doet alles voor haar. Zo’n galante jongen, attent en actief om het haar zo goed mogelijk naar de zin te maken.

Het lijkt haar al aardig te lukken, gewiekst als ze is.

Uitstappen

Ze tuurde op haar mobieltje. Achter haar trok het polderlandschap voorbij. De schapen, de koeien en het donkere gras. De slootjes vormden zulke mooie haakse lijnen met de rijrichting van de trein.

Tegenover haar zat een ander meisje. Ze had een laptop op schoot liggen. Aan de achterkant lichtte een appel op waaruit een hap genomen was. Ik moest denken aan de foto die ik op facebook zag waarbij een Afrikaan zijn Apple-laptop aan de buitenwereld liet zien. Achterop de laptop hing een echte appel vast waaruit een hap was gehaald. De appel was vastgeklemd met een opzichtig stuk postbode-elastiek.

Het meisje tuurde naar haar laptop, of Macbook zoals Apple ze noemt. In haar hand hield ze een iPhone omhoog. Ook met een appel achterop. Ze liet haar duim over het scherm glijden en typte met de andere hand op haar Macbook.

Het andere meisje had geen appel achterop haar mobieltje. Zij hield een smartphone in haar hand waar omheen een roze beschermhoesje zat. Er was ruimte uitgespaard voor het oog van de camera en een andere uitsparing zat erin.

De trein reed bij Muiderberg toen ze haar roze mobieltje tegen haar oor legde. ‘Nee, we gaan zo de brug over’, zei ze. Daarna was het even stil. De trein klom omhoog en ging de brug over. ‘Weet ik veel wanneer ik in Almere ben. Ik stap in Almere Muziekwijk uit.’ Het was weer even stil.

De trein raasde Almere Poort binnen. ‘Dat moet ik even vragen’, zei ze. ‘Meneer’, vroeg ze mij. ‘Weet u hoe lang het duurt voor we in Almere Muziekwijk zijn?’ ‘Dat is nog een paar minuten’, antwoordde ik. ‘Een paar minuten’, herhaalde ze door de telefoon. Het was weer even stil. ‘Weet ik veel hoe je er moet komen, tik Almere Muziekwijk in je Tomtom. Hij werkt ook op stations hoor.’

Ze liet het toestel los van haar oor. Haar duim gleed over het scherm. De trein minderde vaart. Almere Muziekwijk. Ze trok haar jas aan en stond op. Ze knikte me nog even toe voor ze door de klapdeur wegliep. Het meisje tegenover haar keek even op en dook weer in het scherm van haar Macbook. Terwijl haar vingers over het scherm van de iPhone gleden. Alleen het appeltje op haar Macbook knipperde even.

Fiets gestolen?

image

Een groepje jongeren heeft zich verzameld op de brug. Ouderen vinden het niet zo interessant te zien dat een meisje tot haar oksels in de gracht staat. Ze fietsen voorbij en werpen hoogstens een blik naar het buurmeisje. Het buurmeisje staat muisstil. Op zoek naar haar sleutels en de bonuskaart. De herdershond rent heen en weer.

Een meisje hangt half over de brug en kijkt. Ze roept iets naar een vriendin. ‘Ik ga naar huis’ en loopt weg. Ze heeft een paar stappen gezet en komt alweer terug. ‘Mijn fiets is gestolen’, zegt ze geschrokken naar de vriendin. ‘Ik heb hem daar neergezet.’ Ze wijst naar de bosjes. ‘En het is niet eens mijn eigen fiets.’

Haar lichaam krimpt in elkaar. ‘Ik had hem maar even neergezet tegen de bosjes.’ Haar vriendin kijkt haar meelevend aan. Ik heb het gevoel iets te moeten zeggen. Ik sta precies tussen de 2 meisjes in op de brug. ‘Tjonge’, zeg ik. ‘Het is toch wat. Weet je zeker dat hij daar stond?’ Ze kijkt angstig om zich heen. ‘O nee, daar staat hij.’

‘Ik blijf nog even’, zegt haar vriendin. ‘Zet hem maar wel op slot’, zeg ik. ‘Ja’, antwoordt het meisje. Ze rent naar de fiets toe, draait hem in het slot en loopt terug naar de brug om verder te kijken.

Bonuskaart

zoek de bonuskaart

We liepen met de honden een rondje. Bij de gracht blafte een hond. We kwamen dichterbij zodat we wat beter konden zien wat er aan de hand was. De herdershond rende van de brug naar de waterkant en sprong het water in. Hij zwom naar het meisje dat midden in de gracht stond. Het was het buurmeisje.

De hond is niet uit het vriendelijkste hout gesneden. Het meisje van wie de hond was, keek benauwd toen ik met de honden kwam aanlopen. Daarom liep ik maar een blokje om. Ze bedankte me vanaf de brug waar ze stond.

Het buurmeisje stond stokstijf in het koude water. Midden in de gracht. Het water kwam tot aan haar oksels. De hond bleef blaffen. Ik vroeg me af wat ze daar deed. Er stond genoeg publiek omheen om niet in actie te komen. Ik wist ook dat mensen juist verdronken onder toeziend oog van een menigte. Niemand voelde zich verantwoordelijk iets te doen.

Ik liep om de brug heen en zag het tafereel vanaf de overkant. Het buurmeisje zag mag van onder de brug. ‘Hoi buurman.’ Ze zwaaide. Ik zwaaide terug. Doris stond inmiddels bij de groep kinderen. De fietsen van de voorbijgangers waren gestald tegen de brug en de omliggende bosjes.

Doris vond het wel interessant om het buurmeisje zo in het water te zien staan. Ze hing naast de anderen over het bruggetje. De herdershond holde zenuwachtig van de brug naar de waterkant en terug. Als hij op de brug stond, blafte hij naar het meisje. Vanaf de waterkant ook. Hij sprong niet meer in het water.

De hond bleef zenuwachtig blaffen. Ik hoorde het geblaf achter de huizenblokken vandaan komen bij het naar huis brengen van de honden. Het leek mij verstandig bij thuiskomst eerst maar eens een kijkje te nemen op de brug.

De herder rende nog steeds. Stond op de brug naar beneden te blaffen, liep zenuwachtig naar de waterkant en blafte weer. ‘Wat doet ze daar in het water?’ vroeg ik. ‘Ze is haar sleutels kwijt en die zijn heel belangrijk. Er zit een bonuskaart aan.’

‘Het is koud’, klaagde het buurmeisje. ‘Je moet dieper’, riep het meisje van de herdershond. ‘Maar het is koud. Het komt tot mijn borsten.’ Ze keek mij indringend aan. Het meisje van de herder gooide haar een stokje toe. Ze roerde in het water met het houtje. ‘Daar moet hij liggen.’

Het buurmeisje zette een stap. ‘Mijn schoenen zitten vast.’ Ze maakte bewegingen met haar benen. Het water vormde golfjes aan het oppervlak. Een eendje zwom voorbij net buiten bereik van het buurmeisje. ‘Dag buurman’, zei ze weer. Ik had genoeg gezien. Die vindt die sleutel nooit, dacht ik en ik liep terug naar huis. De herdershond blafte nog lang.

Zonnig roze

De hele dag zie ik hem door het raam vanachter mijn bureau. Hij speelt met de wolken en blauwde de hemel. Dan is daar het moment: ik mag naar huis. Ik dartel en buitel als een veulentje over de binnenplaats en ren in de richting van het station. Ook omdat ik anders mijn trein niet haal. Ik ben laat.

Als ik het perron op hol, nadert mijn trein al. Hij rijdt in volle vaart voorbij naar de voorkant van het perron. Ik ren hem achterna. Hij haalt mij in. Vlak voor de overkapping zit een meisje in de zon. De zon waar ik naar uitgekeken heb. Ze draagt een roze muts. Over de muts zit een koptelefoon. De luidsprekers drukken als oorwarmers op haar oren. De koptelefoon is roze, een tintje lichter dan de muts.

De deuren van de trein gaan open. Ik stap vlug in. Nog even kijk ik om hoe het meisje in het spijkerjack en het roze truitje geniet. Van de zon die op haar blote onderarmen schijnt. Of van de muziek die door de koptelefoon schreeuwt. Door het raam zie ik haar over het perron staren. In de zon die ik de hele dag al zie. Het glas is vies. Lange strepen doen alsof het regent. De trein is weg voor ik kan zien hoe lang ze nog geniet van dit mooie weer.