Categoriearchief: letterkunde

Kees Fens

Een tijdlang keek ik iedere maandagmorgen reikhalzend uit naar het artikel van Kees Fens in de Volkskrant. Het besloeg bijna een kwart van de krantenpagina, een lange rij kolommen waar bijna geen einde aan leek te komen. De nieuwsberichten las ik pas na het maandagstuk van Kees Fens. Vanmiddag las ik dat hij overleden is in zijn woonplaats Amsterdam, 78 jaar oud.
De eerste regel trok mij het verhaal binnen en als ik niet geboeid was, werd het niks meer. Maar bijna altijd werd ik gegrepen en las ik de recensie in één ruk uit. Vooral gegrepen door het onbekende waarmee ik kennismaakte.
De Belijdenissen van Augstinus, de Engelse dominee James Woodforde, Nescio, de Kerkelijke geschiedenis van het Engelse volk, Cellini, Petrarca of de Middeleeuwse dichter Johannes van het Kruis. Het waren de onderwerpen waarmee een essay begon, of eindigde. Soms vertelde Fens een hele geschiedenis eromheen en dan vertelde hij aan het einde dat het boek heel mooi was, maar er wel een beetje goedkoop uitzag.
Ik maakte kennis met de wereld van de literatuur, de kerk, de middeleeuwen en vooral met de wereld van het boek. Geen boek was te min voor Kees Fens. Letters vormde de enige overeenkomst tussen de werken die Fens las en besprak. Verder mochten ze van alle West-Europese windrichtingen komen en uit een grijs verleden.
Ik ben hem wat later uit het oog verloren, maar vond de herkenning van de maandagmorgenvreugde terug in de bundel Dat oude Europa. Een wereld van kerken, heiligen, kerkvaders, dichters, dominees, dronkaards, filosofen en humanisten, opent bij het lezen van dit boek boordevol van die kloeke essays. En inderdaad vond ik de recensies terug van de boeken waarbij aan het einde nog even snel het boek werd besproken in een alinea, zoals bij het essay ‘Het plezier van het dichtgeknepen oog’. Na een verhaal boordevol met anekdotes en voorvallen van Romeinse keizers, gehaald uit een vertaling van het boek van Suetonious:

De nu verschenen Nederlandse vertaling, Keizers van Rome getiteld, is gemaakt door D. Hengst. Hij heeft er jaren aan gewerkt. Ze laten zich goed lezen. De afwezigheid van elke poging tot fraaie stilering is bewonderenswaardig. Suetonius krijgt het Nederlands dat zijn Latijn verdient. Em de enkele anachronisten verlevendigen de taal.

Een letterlijk voorbeeld van mosterd na de maaltijd.

Bij het ordenen van mijn bibliotheek, onlangs, vroeg ik mij af waar Kees Fens eigenlijk hoort. Moet hij staan tussen al het wetenschappelijk spul van Anbeek, Van Alphen, Korsten en Van Zonneveld, of mag hij bij de echte literaire, net als de twijfelaars Karel van het Reve, Gomperts en Dresden. Ik ben er nog niet uit, één boek heeft al een plekje gekregen in de bibliotheek, de anderen zwerven nog in mijn studeerkamer rond.

Misschien moet hij gewoon bij de andere doden, Ter Braak en Du Perron.

Lees meer necrologieën:

Gemeenplaatsen

Het begint een literaire gemeenplaats te worden: Boudewijn Büch in of bij een boekhandel. Ik schreef een maandje terug over De Dikke Man met Boudewijn Büch voor de etalage van ‘een boekenzaakje’.
Bij het lezen van A.F.Th. van der Heijdens Uitdorsten stuitte ik op een nieuwe ontmoeting van een verteller met de schrijver Büch, ditmaal in een boekhandel.
De ik-verteller gaat terug naar Amsterdam omdat hij een afspraak met de kapper heeft. Hij besluit hem niet te verzetten. Hij is twintig minuten te vroeg en besluit even naar binnen te gaan bij Modern Antquariaat Van Gennep. Daar treft hij zijn collega Boudewijn Büch.
Waarom liegen hoe het met hem gaat? De verteller zegt dat hij zijn moeder die morgen is overleden. Büch weet niet goed raad met die boodschap:

‘Uiteindelijk Adri’, zei Boudewijn, plotseling gedecideerd met een boog om me heen stappend, ‘uiteindelijk stoelen alle emoties op gemeenplaatsen…’

De schrijver verlaat het pand met een geforceerde kalmte, vertelt de ik-verteller er nog na.

Over gemeenplaatsen gesproken.

Uitdorsten

Claus en de paus hadden het ook: Parkinson. De novelle Uitdorsten (2003) van A.F.Th. van der Heijden vertelt over de dood van zijn moeder. Ze leed aan Parkinson, of zoals de verteller het zegt: ‘Als zij niet aan Parkinson geleden heeft, dan leed zij aan een ziekte die tot in de kleinste details de symptomen van Parkinson imiteerde. Nu nog de naam van deze plagiaatkwaal, en we zijn er.’
Uitdorsten is een ontroerend verhaal, dat een vervolg is op het reqiuem aan zijn vader, Asbestemming, dat bijna tien jaar eerder in 1994 verscheen. Zo wordt de Parkinson al als voorbode in Asbestemming aangekondigd.
Ook krijgt het verhaal een vervolg van de vader die zijn vrouw aanbiedt aan een stel jonge, bronstige boeren en bouwvakkers. ‘Aanpakken, mij kan ‘t niks schillen. Ge doet maar’, zegt vader terwijl hij de huissleutels omhoog houdt in het café. Moeder ervoer het als bevrijdend dat iemand het aan het papier heeft toevertrouwd, vertelt ze in Uitdorsten: ‘ik ben blij dat iemand het eens heeft opgeschreven.’
De titel verwijst naar wat moeder zegt als ze in het ziekenhuis ligt. ‘Uit wat ze daarbij vrijwel onverstaanbaar zegt, vang ik herhaaldelijk het woord ‘uitdorsten’ op.’ De familie komt in actie tegen de uitdroging die de artsen bewerkstelligen volgens moeder. Ze leeft nog acht maanden.
Uitdorsten is een ontroerend requiem en laat zien dat Van der Heijden een meesterlijk schrijver is van de literaire dodenmis. De enige keer dat ik Van der Heijden meemaakte was bij de presentatie van Engelenplaque, dat was een dag na de dood van de schrijver Jean-Paul Franssens. Van der Heijden was diep ontroerd en kon bijna geen zin formuleren zonder de naam Franssens te noemen. Ik heb mij laten vertellen dat hij werkt aan een requiem voor Franssens. Ik ben heel benieuwd naar het resultaat.

Broodschrijver

Een hongerloontje, dat verdienen schrijvers. Tenminste dat vertelt het bericht van de Vereniging van Letterkundigen. Van vijftienhonderd euro kun je niet leven. Hoogstens in een kamertje, driehoog achter, mits het niet in een wereldstad is. Kortom, schrijvers en dichters zijn armelui.
Vaak moeten ze columns en andere rake dingen schrijven om rond te komen. Dat weerhoudt ze van hun eigenlijke taak: het schrijven van echte literatuur.
De subsidiekraan blijkt in het leven van de schrijver niet veel meer te zijn dan een druppel water: een schrijver van non-fictie vangt dertig euro, een fantast haalt iets meer op: honderdvijftig euro.
Gerrit Komrij‘s gedicht ‘De Dichter’ vertelt het al. Het letterkundig tijdschrift doet het lyrisch ik een briefje toekomen waarin staat dat ze een paar gedichten eerdaags in het tijschrift zullen plaatsen. Heel het leven van de dichter wordt anders. ‘En daarvan wilde hij leven!’, eindigt het gedicht moralistisch. Het onderzoek van de Vereniging van Letterkundigen vertelt niet veel anders

Kamergeleerde

Hij is er nooit geweest, maar kende Nederlands-Indië op zijn duimpje. De Dordtenaar Pieter Johannes Veth kende de Nederlandse kolonie alleen uit de boeken. Een raar idee, want de man wist heel veel van Insulinde, schreef zelfs het allesomvattende werk Java (in vier banden). Dit boek is in zekere zin uitgebreider dan Junghuhns Java. Veth besteedt meer aandacht aan de etnografie en historie van het eiland. Junghuhn blijft vooral steken in de beschrijvingen van alle vulkanen op Java.
Ik heb de biografie van Paul van der Velde er maar eens op opengeslagen. Van der Velde vindt het flauw om Veth als een kamergeleerde te zien. Onzin, schrijft hij. ‘Veth was zeker geen kamergeleerde, want regelmatig verliet hij de droombibliotheek van het ‘Instituut Veth’, om voor volle zalen, weliswaar niet met luide stem maar wel met hard en ziel, zijn ideeën en plannen wereldkundig te maken.’ (Van der Velde, 327)
De kamergeleerde verdedigt de kamergeleerde. Het stuit mij een beetje tegen de borst. Vooral ook omdat hij geen woord over Junghuhn rept. Dat terwijl ze tijdgenoten waren. Junghuhn had het niet zo op die geleerden die Indie alleen uit boeken kende. Hij fulmineerde er wild tegen. Met name aan het einde van zijn Terugreis. Hier haalt hij flink uit naar de Leidse professoren.
Ook leuk om te lezen is het moment van de wereldtentoonstelling. Op voorstel van zijn zoon Daniel laat hij bij de achtste wereldtentoonstelling een twaalftal woningen met veertig bewoners uit de archipel, compleet met huisdieren overbrengen. Het levert een interessante confrontatie op voor Veth, die Indie alleen uit de boekjes kende. De muziek van de ronggengs kon hij niet waarderen: ‘Al wie ooit het gegil der ronggengs, al was het slechts op de Koloniale tentoonstelling van 1883 te Amsterdam, gehoord heeft, zal kunnen nagaan wat dat beteekent.’ (naar Van der Velde, 282)
Overigens is Veth niet de enige die schrijft zonder in de archipel te zijn geweest. De romantische dichter Hofdijk, baseerde zijn gedichten over Indie ook op de boeken van geleerden. Dat de gedichten niet doorleefd zijn, staat buiten kijf. Ze geven een impressie en daar is alles mee gezegd.