Categoriearchief: lange voorhout

Kees 't Hart en Peerke en z'n kameraden

Kees ‘t Hart en Peerke en z’n kameraden?

Hij liep voor mij langs het kraampje op de boekenmarkt in Den Haag. Een schrijver, dat wist ik zeker. Hij droeg een baseballpet. Een buikje hing in het basket dat zijn shirtje vormde en dat gesnoerd werd door een aangehaalde broekriem. Ik keek hem aan, herkende hem, maar kon niet op zijn naam komen. In zijn hand lag het boek Peerke en z’n kameraden van W.G. van de Hulst. Ik wist zeker dat als ik het boek gevonden had in die 1 eurobak, ik het er onmiddelijk uit gehengeld zou hebben. Nu had hij de buit beet en droeg het bij zich als een trotse jager die een haasje heeft neergehaald. Bijna achteloos hangt het gevilde dier over zijn schouders, maar hij is o zo trots op zijn overwinning.

Die naam, ik kon er niet op komen. Ik peinigde dagenlang mijn hersenen. Was het niet Gerrit Krol? Of misschien zo’n essayschrijver? Het kon ook wel K. Schippers zijn. Een dichter als Bernlef zou het eveneens kunnen zijn. Voor Kees van Kooten kende ik Kees van Kooten te goed. Hij was een generatiegenoot van Komrij, schuifelde bijna even literair langs de kraampjes op zoek naar het boek waar hij altijd al naar op zoek was. Dat hij er maar 30.000 andere boeken voor in de plaats gekocht had, kon de honger naar dat ene boek niet stillen.

De bekende schrijver van wie ik de naam niet in de catalogus van mijn brein kon vinden, hield het beperkt tot de kinderboekenschrijver en schoolhoofd W.G. van de Hulst. De schrijver van gereformeerd bevindelijke signatuur wist elk boek tot een groot verdriet te schrijver, waarin alles ‘o zo erg was, zo verschrikkelijk en zo bedroefd’. Als kind heb ik o zo vele tranen geplengd. Bij de dood van Ouwe Bram misschien wel de meeste.

Kees ‘t Hart op de schap bij De Slegte in Den Haag

De naam van die man op wie ik echt niet kon komen, pijnigde mij. Niets ergers dan een naam waar je niet op kon komen. Hij had meegedongen met zo’n literaire prijs, misschien had hij hem wel gehaald. Maar de namen die ik zag staan, waren het niet. Zijn naam moest met een K beginnen, daarvan was ik op een bepaald moment overtuigd, kwam ik niet tegen. Ik liet mijn ogen langs de boekenkast glijden. Deze schrijver was zo bekend dat ik daar wel een boek van in huis moest hebben. Al zijn generatiegenoten lepelde ik zo op uit mijn geheugen, maar zijn naam dook niet op.

Tot ik vandaag onschuldig romannetjes spotte bij De Slegte. Ineens verscheen zijn hoofd voor mij op een kaft. Het was op ooghoogte. Kees ‘t Hart, stond er. Verdomd, dacht ik. Het was Kees ‘t Hart die op de boekenmarkt liep. Dat ik daar nou niet op gekomen was. En dat geheugen van mij is helemaal niet slecht, zijn naam begon inderdaad met een K. Alleen is het niet zijn achternaam. Volgende keer iets verder denken als ik ergens niet op kom.

Kim de Ruysscher en de Haagse beeldententoonstelling

De drukte op het Lange Voorhout in Den Haag gisteren was niet voor niks. Beatrix in eigen persoon opende de beeldententoonstelling, lees ik in de Metro. Een foto van een Belgische kunstenaar Kim de Ruysscher met zijn vrouw in een rood jurkje. Ze staan bij een beeld van een bank waain iemand lekker ligt te slapen. Het zwarte bloemmotief, het hoedje. Ik zag ze gisteren ook.

Rode loper

De rode loper bij de Kloosterkerk werd door een man in pak nog even schoon gezogen. Verder liepen allemaal dames in mooie jurken rond en met decoratieve hoedjes op de kop. De ene vogelveer probeerde de andere te overtreffen. Tussen de bomen stonden de bezoekers in hun zondagse kloffie te wachten. Er hing een spanning tussen al die beelden. Ieder moment werd de hoofdgast verwacht, naar wat ik nu lees was dat de koningin.

Meepikken

Ik wachtte even om te kijken of ik iets van datgene waar zij allemaal zo naar uitkeken kon meepikken. Alle dames zagen er uit als opgedirkte hanen. De ene staart stond nog kleurrijker omhoog dan de andere. Allemaal vrouwen van diplomaten en andere gewichtigen. De heren liepen netjes rond in hun frisgestoomde maatpakken. De overhemden vers gestreken, de boorden wezen trots omhoog. Van de gast niks te bespeuren en toen de heren verder gingen met het stofzuigen van de rode loper, verwachtte ik dat dit nog weleens heel lang zou kunnen gaan duren.

Omver lopen

Ik liep terug, trok schuin de weg over, sprong van de verhoging bij de tramhalte, nam stout de oversteek over de tramrails en liep bijna een stelletje omver. De vrouw in de rode jurk was duidelijk zwanger. Haar buik bolde nog sterker op de fiets. Het kon elk moment gebeuren dat het kind zou roepen om naar buiten te komen. De man reed er achter. Ze gingen wat onhandig het zebrapad al fietsend over en ik wist niet goed wat ik ervan moest denken. Kouwe kak kan ook zwanger zijn, maar die fietst niet naar een duffe kunstmanifestatie.

De kunstenaar

Het was de kunstenaar en zijn vrouw. Al lijkt ze in de krant een stuk minder zwanger en draagt ze ineens een hoedje. Die hing gisteren natuurlijk aan het stuur van haar fiets in een grote plastic tas.

Soms is het verschil tussen kak en kunstenaar moeilijk te zien. Zeker als ze voor een moment gezamenlijk optrekken.

Takkenweer

De takken als gevolg van de voorjaarswind lagen over de Lange Voorhout verspreid. Ik moest er vanmorgen echt omheen lopen. Soms versperden ze me zelfs even de weg.

Takken op het Lange Voorhout

Het leek eventjes of ik door een bos wandelde, alle bomen zagen er kaal uit. Een tak viel met geraas naar beneden en knalde met een plof op enkele meters van mij. De donkere lucht vertelde over regen. De hemel leek ieder moment in een waterval te gaan veranderen.

Geplante bomen

Al 800 jaar worden bomen geplant op het Lange Voorhout, stond op een plaquet dat ergens midden tussen de bomen en de schelpengruis lag. De oudste van de paar honderd linden zijn ruim 250 jaar oud.

Eigenlijk is de Lange Voorhout gewoon een stuk bos, alleen staan de bomen hier keurig in het gelid en bestaat de grond uit schelpen en opkomende tulpen. Een klein takje viel naast mij en probeerde mijn bewering te beamen.

De kat en de Jacobuskerk

Als je midden in het centrum van Den Haag werkt, leer je in de pauze de binnenstad kennen. Vlak achter de Lange Voorhout en de Kloosterkerk, loopt de Parkstraat. In de Parkstraat trekt de neogotische toren van de Sint Jacobuskerk. Een bouwwerk van Pierre Cuypers.

De toren (bovenste 2 geledingen) van de Sint Jacobus van een grotere afstand gezien


Aanvankelijk vond ik het een lelijke toren, de onderbouw is mooi en trekt goed in het oog, maar dan volgen 2 veel te korte geledingen. De middelste lijkt in elkaar geperst en de laatste geleding onder de enorm hoge torenspits is zeshoekig van vorm. Toen ik er een paar weken terug vlak langs liep, bedacht ik dat de 2 geledingen te dicht op elkaar zitten. Je zou verwachten dat ze veel hoger zouden zijn. Nu komen ze enigszins gedrongen over op de toeschouwer.

Verder perspectief
Toch klopt die eerste indruk niet, heb ik ontdekt. Zeker vanuit een verder standpunt gezien, breken de 2 relatief korte geledingen de lengte enorm en wekken zelfs de indruk dat de toren hoger lijkt dan ze is. Bovendien bevat de toren allerlei speelse neogotische elementen, onmogelijke deurtjes, raampjes en dakkappeltjes. Een lust om bij te fantaseren.

De achterkant, gezien vanaf de Willemstraat (over het muurtje)

De kerk is verder van buiten een feest voor het oog. Ik ben vanmiddag in de pauze maar eens rond het gebouw gelopen. Zeker ook de achterkant van neogotische bouwwerken, vind ik heel leuk om te zien. Het is bijna nooit het belangrijkste gezichtpunt van de kerk, alle aandacht wordt opgeeist door de facade aan de voorzijde van de kerk, vaak in combinatie met een indrukwekkende toren.

Achterkant
De achterkant van de Jacobuskerk in Den Haag, aan de Willemstraat wordt niet weggenomen door een huizenrij. Alleen een hoge stenen muur begrenst de achterzijde van het godshuis. Een klein speels torentje zit tegen het koor aangebouwd, maar dat hoort niet bij de kerk, maar bij een kapel die er vlak achter gebouwd is. Vervolgens is aan de straatkant een huis gebouwd, waar in vroeger tijden flink wat priesters hebben gezeten en nu waarschijnlijk een oudere pastoor een eenzaam leven slijt.

Het huis dat aan de kerk grenst aan de Willemstraat

Ik stond zo te kijken naar de neogotische schoonheid. Het bruine baksteen, de goedkope oplossingen die soms bedacht zijn, zeker op plekken waar het oog moeilijk bij komt. Tegelijkertijd is het alles gemaakt met een enorme dosis creativiteit. In het rustige straatje liep een jong rood katertje in mijn richting. Hij drentelde traag in mijn richting. Stond eventjes naast mij stil en gaf kopjes tegen mijn been. Het dier probeerde mijn aandacht te trekken, liet zich even strelen, maar liep weer van mij weg, in de richting van de deur van een huis. Ik volgde niet snel genoeg en hij liep weer terug van de deur naar mij en liet zich weer aaien. Hij wilde naar binnen, maar ik beschikte niet over de sleutel.

De zijkant van het huis (links en het torentje bij de kapel)

Wensenwereld
Even wenste ik mij een kat te zijn. Over het hoge muurtje te springen en dan de neogotiek in te balanceren, over de dakgoten en dan het dak op, voorzichtig in de richting van de dakruiter. Maar hij droomde daar niet van, wilde gewoon naar binnen, wat eten en even een tukkie doen. Zo leeft ieder in zijn eigen wensenwereld.

Alles voor de helft

Een medestudente van mij had een gruwelijke hekel aan boekenmarken. ‘Daar schuifelen van die oude mannetjes voorbij die dan neuriën.’ Dat die mannetjes altijd gehuld waren in ribcolbertjes maakte het allemaal nog erger. De reden dat ze er toch heen gezogen werd, waren de boeken.

Mijn hart klopte inderdaad harder toen ik in de middagpauze, eigenlijk op weg naar Verwijs, op de Lange Voorhout stuitte op de boekenmarkt. Natuurlijk liep ik er niet om heen. Al liepen er allemaal stoffige mannetjes neuriënd langs de rijen boeken.

‘Alles voor de halve prijs’, mompelde een boekenverkoper op het moment dat ik Juliana & Bernhard: Het verhaal van een huwelijk 1936-1956 aan de kant legde, van huwelijkschroniqueur Cees Fasseur. De vijftien euro die hij ervoor vroeg vond ik teveel. Temeer omdat ik het boek net maandag met enige spoed had uitgelezen. Ik mocht het boek niet meer verlengen van de bieb.

De halve prijs klonk erg verleidelijk. Ik wilde het boek misschien nog bespreken, ergens noemen, en dan is het handig om het boek bij de hand te hebben. Het moordenboek van de Blokkers kon ik echter niet laten liggen. Deze verdween van de kraam in mijn handen voor 6,25 euro. Het as van de peuk die op zijn lippen danste, vormde een kromme toeter naar voren en kon elk moment afscheid nemen van het brandpunt in de sigaret. Onderwijl lokte hij de weinige bezoekers naar zijn kraam. ‘Alles voor de helft. Alleen vandaag.’

De kramen ernaast waren mogelijk nog interessanter met rijen boeken voor 2 euro en 1 euro. Of 3 voor 5 euro. Allemaal erg aanlokkelijk. Net als de verzamelde werken van Goethe, incompleet. Ik telde de rij, die ergens in de 30 ophield, terwijl een deeltje beweerde dat de serie uit 40 delen bestaat. ‘Voor 20 euro mag je hem hebben’, zei de man achter de kraam. ‘Hoe moet ik hem meenemen?’ ‘Je mag er een doosje bij hoor.’ Ik zag mijzelf alweer met een incompleet zooitje boeken in een drukke forensentrein zitten. Ik snuffelde verder door de rijen boeken. ’15 euro’, zei de boekenverkoper. ‘U gaat steeds meer zakken, als ik hier nog langer blijf staan krijg ik nog geld toe van u.’ ‘Dat is een goede zaak’, onderbrak een stoffige man in een ribfluwelen jasje. ‘Hoe meer u meeneemt hoe beter.’

Bij een ander kraampje stond ik naast hem. Hij neuriede zachtjes terwijl hij door de gebonden jaargangen van een tijdschrift bladerde. Jarenlange rust en ongelezenheid fladderde uit de pagina’s omhoog. ‘Boeken, boeken’, mompelde ik. ‘Een mooi kaftje en meenemen.’ ‘Meneer’, sprak hij streng. ‘Ik koop een boek nog voor de inhoud.’

Ik opende net een boek, waarbij de rechterbladzijde bedrukt was met een filosofisch traktaat en de linkerkant aantekeningen bevatte. ‘Ja, dat heb ik vanmorgen ook in mijn handen gehad.’ ‘Heel interessant’, antwoordde ik. De pagina’s met het handschrift kon ik nauwelijks ontcijferen. Het was iets van Spinoza, maar wat de student in de halve zinnetjes meende. ‘De naam is eruit geknipt. Als die student nu een beroemd filosoof is geworden, dan is het interessant. Maar dat weten we niet.’ ‘Hier staat “Paul Kwartel 1945″‘, zei ik wijsneuzig. ‘Maar deze. Die moet je hebben.’ Hij wees naar het hoekje rechts bovenin dat was weggeknipt. ‘Student philosophie 1866’ stond er.

‘Wie zou dat geweest zijn?’ ‘Ach, ik heb geen zin om dat uit te vogelen.’ Hij bladerde alweer in een ander boek. Ik flapperde de pagina’s snel door naar het einde. Op ongeveer een kwart voordat het boek uit was, waren de aantekeningen van de onbekende student verdwenen. ‘Hij was het in elk geval hier zat’, zei ik snel. De man ook, want hij was alweer verder geschuifeld naar het volgende kraampje met boekenwaar.