Categoriearchief: kindertaal

Nog een keer De groeten

Ze fietste naar huis terwijl ik mijn rondje hardlopen begon. Ik groette. Ze keek aarzelend. Ik was bijna voorbij, waarna ze enthousiast terug groette. Bij thuiskomst vertelde ik Doris dat ik haar juf had gezien.

‘Je moet de groeten hebben’, grapte ik. ‘Hoezo?’ vroeg ze. ‘Ik kwam haar tegen en toen kreeg ik de groeten.’ Ze keek me ernstig aan. ‘Ja, ik laat ze niet in mijn zak zitten’, grapte ik. ‘Heeft ze echt de groeten gedaan?’ ‘Nee, ik kwam haar tegen en daarom geef ik je de groeten.’ Lees verder Nog een keer De groeten

Op het nippertje

image

‘Tjonge dat was op het nippertje’, zeg ik tegen Doris. Ze trok haar vinger precies op tijd uit het boek voordat ik het wilde dichtslaan. Ze kijkt me aan. Ik zie dat iets in het hoofd aan het malen is. ‘Papa wat is dat?’ Ik speel het spel mee. ‘Wat?’ ‘Nou, een nippertje?’

Het is het moment waar je als ouder altijd voor vreest. Het moment waarop ze vragen stellen bij vanzelfsprekendheden. En dan is de vraag over de betekenis van een uitdrukking een stuk lastiger te beantwoorden dan de betekenis van een specifiek woord. Het woord ‘nippertje’ neemt een bijzondere plek in. Het woord bestaat alleen in de uitdrukking.

Ik probeer het uit te leggen. ‘Ik weet niet wat een nippertje is. Je gebruikt het in een uitdrukking. Als je zegt ‘dat was op het nippertje’, betekent dat je net op tijd bent. Je trok precies op tijd je vinger uit het boek, voordat ik het dichtsloeg. Als iemand net op tijd de trein haalt, haal je hem ook op het nippertje.’ Doris kijkt me begrijpend aan.

Ik ben het nog eens gaan nakijken in het WNT. Nipper bestaat eveneens, maar wordt net als nippertje in de betekenis van ‘net’ gebruikt. Allebei de vormen zijn afgeleid van ‘nippen’ in de betekenis van nipt: ternauwernood of net. Want het andere nippen is het voorzichtig drinken van een glas (sterke) drank.

Ik herinner mij een verhaal op een open podium van de studievereniging NNP. Een deelneemster las voor over een ‘nippertje’. Te pas en te onpas verscheen het nippertje ten tonele. Soms op de fiets, maar meestal gewoon in de tas of het viel uit de zak. Het was zo flauw dat we er op een gegeven moment allemaal om moesten lachen. Dat was op het nippertje, want vrij snel nadat ik begon met lachen, was het verhaal uit.

Als ik dan de betekenis van een woord of uitdrukking heb uitgelegd, vraag ik mij altijd af of mijn kind het wel begrepen heeft. Als ik vandaag bij tikkertje net op het laatste moment weet te ontsnappen, zegt ze: ‘Zo dat was op het nippertje papa’.

Koninginnedag en nepjarig

‘Vandaag is de koningin jarig.’ Op het moment dat ik het zei, wist ik dat ik het niet had moeten zeggen. Ik maakte het mijzelf moeilijk met deze uitspraak tegen een vijfjarige kleuter. ‘Waarom is het vandaag dan geen Koninginnedag?’ Als ik het niet gezegd had, was mij deze vraag bespaard gebleven. Het is een van de dingen die niet kloppen in Nederland.

Koninginnedag terwijl de koningin niet jarig is. ‘Dat komt omdat de koningin haar moeder dan jarig is.’ Ik probeerde het verhaal te vertellen. ‘Toen papa net zo oud was als jij was de moeder van de koningin koningin. Op Koninginnedag, haar verjaardag, wilde ze niet meer koningin zijn.’
– ‘Ging ze dood?’
‘Nee, ze zei dat ze niet meer koningin wilde zijn en ze vroeg haar dochter, de prinses, of ze koningin wilde worden. De prinses vond het zo mooi dat ze koningin werd dat ze zei dat we altijd Koninginnedag zouden vieren als haar moeder jarig was. Daarom vieren we Koninginnedag als zij jarig is. Dat is op 30 april.’
– ‘April? Duurt dat nog lang?’
‘Dat duurt nog heel lang. Vlak voor jouw verjaardag is Koninginnedag.’
– ‘Dat is nog heel lang.’
‘Ja.’
– ‘En dan is de koningin nepjarig?’
‘Precies de koningin is vandaag echt jarig en op koninginnedag is ze nepjarig.’
Hoe een kleuter iets lastigs kan reduceren tot iets makkelijks.

Ik zag helemaal de cabaretshow voor mij over Koninginnedag waarbij de standup comedian John Fealey het vreemde fenomeen van Koninginnedag probeert uit te leggen. Compleet met de ‘queen mum’. Te mooi om niet even naar te kijken.

Gele stip op de trein

Ze wees bij het overstappen naar de trein: ‘Papa, wat betekent die gele stip.’  We zaten samen op een bankje en wachtten op onze trein toen op Hilversum de trein naar Amsterdam stopte. Ik tuurde naar het treinstel, maar zag nergens de gele stip. ‘Daar’, ze wees nog eens.

Gele stip in wit vierkant

Nu zag ik de gele stip. Hij stond in het donkere vlak in een wit vierkant. ‘Ik weet niet wat dat betekent’, moest ik toegeven. ‘Ik denk dat het betekent pas op voor de rode  streep.’ Ze heeft op school deze weken verkeersborden en -tekens gehad. Zo was op een tekening al een waarschuwingsetiket op een stokje geplakt. De sticker waarschuwde dat hetgeen waar hij opgeplakt was, niet geschikt was voor kinderen jonger dan 3 jaar. Voor Doris was het een verkeersbord.

Terug

We reden aan het einde van de middag terug met de trein van Almelo naar Almere. De trein reed weg en ik moest nog steeds bekennen niet te weten waar de gele stip voor stond. Toen onze trein binnenreed, wees ik Doris op de gele stip die op ons treinstel ook stond. ‘Maar wat het betekent?’ zei ik nog een keer. ‘Wilt u weten wat het betekent?’ vroeg een man die met ons het treinstel instapte. Ik knikte nieuwsgierig. ‘Dat zegt dat je daar water voor het toilet kunt vullen.’

Ontdekking

Ik vertelde de ontdekking aan Doris, ze knikte, al vond ze haar verklaring nog altijd beter. Ze tuurde naar buiten op zoek naar de volgende vraag. Een onbekend teken dat van betekenis moest worden voorzien.

Auto

Kleine kinderen in de ochtendspits zorgen altijd voor een lichte verwarring. In de trein van 7 uur horen geen kinderen te zitten. Hier horen kantoorklerken en werklui met een krantje voor zich terwijl ze de laatste slaap uit de ogen wrijven. De Afrikaanse vrouw die binnenstapt met een meisje van een jaar of 4 en een jongetje van ongeveer 2 trekken de aandacht in de verder lege spitstrein.

Moeder, jongetje, meisje

Het jongetje gaat bij het raam zitten, de moeder en het meisje nemen een plekje aan de andere kant. Het meisje mag tegenover haar broertje zitten. Elk geluid is een verstoring van de rust die in de trein was voor het jonge gezinnetje de trein instapte. Het jongetje kijkt naar buiten en ziet in de verte een auto rijden. ‘Auto’, roept hij. Het lijkt meer op ‘audo’ wat hij uitslaat, maar de toehoorder kan hier toch duidelijk een verwijzing horen naar het voertuig op 4 wielen. De moeder en het meisje slaan er verder geen acht op. Het kereltje slaat bromgeluidjes uit.

Audo

De trein rijdt op volle snelheid een tram voorbij. ‘Audo, audo’, roept het kereltje. Moeder en dochter besteden er weer geen aandacht aan. Het jongetje ziet echter eindeloos veel audo’s over de snelweg rijden. De trein raast er voorbij en het kereltje roept steeds harder dat het een audo ziet rijden.

Lawinestorm

Het stemmetje klinkt indringend en lijkt op een lawinestorm of een veel te schelle trompet. Zeker als er de trein weer een tram inhaalt. ‘Audo, audo’, schreeuwt de jongen. Het petje van spijkerstof zakt wat verder naar beneden en stopt vlak boven zijn hoofd. Het meisje corrigeert haar broertje. ‘Dat is geen auto, maar een tram.’ Het jongetje wordt boos. ‘Nee’, gilt hij. ‘Audo’. De trein staat stil bij een station. Naast ons staat een andere trein. ‘Audo’, gilt het kereltje door de verder doodstille trein. ‘Nee, dat is een trein.’ ‘Nee!’ gilt de jongen nog harder. ‘Nee, audo.’ Een tram rijdt het naastliggende tramstation binnen. ‘Audi’, roept hij hard en wanhopig. De oren van het handjevol aanwezige groepje forensen tuten op dezelfde hoge toonhoogte mee. Nog een keer gilt hij en slaat woest met zijn handje op het tafeltje.

Fietsen

Sinds een week beheerst Doris het fietsen zo goed dat ze er geen genoeg meer van krijgt. Gisteren en vandaag bracht ze goeddeels op haar tweewieler door. Ze rijdt dan rondjes op het pleintje achter. Soms komt ze even binnen om een kastanje of bosje bladeren te laten zien voor op de herfsttafel.

Dan vraagt ze of ik met haar wil meegaan naar het schoolplein. ‘Van de Waterlandschool’, voegt ze er aan toe. Ze heeft nog even zin om in het klimrek te hangen en een lange fietstocht trekt altijd. Ik ontdek vlak voor vertrek dat ze haar voeten op de grond zet om te remmen en gebruik het tripje gelijk even om haar de werking van de achteruittraprem te laten proberen. Bovendien kan ze heel hard rijden op het fietspad, terwijl ik achter haar aan hol.

Bij het schoolplein aangekomen nestel ik mij op één van de twee bankjes. Doris hangt al in het blauwe klimrek en trekt zich aan de stalen buizen omhoog. Als ze halverwege is, kijkt ze me aan en vraagt: ‘Papa, heb jij geen boek bij je?’ Ze heeft gelijk, normaal ga ik dan op het bankje zitten en wat zitten lezen. Nu had ik me voorgenomen om even alle aandacht voor het kind te hebben en het boek thuis te laten liggen. Betrapt.