Categoriearchief: kinderen

Voorlezen en opvoeden – #WOT

doris-leest-voor-op-voorleeswedstrijd-schoolVoorlezen hoort bij de opvoeding. Ik lees Doris al voor toen ze nauwelijks een boek kon vasthouden. Nu leest ze zelf, maar ik lees nog elke avond een verhaal voor. Deze weken lees ik de belevenissen van Meester Jaap voor in zijn klas.

Voorleeswedstrijd

In de klas won ze deze week samen met een klasgenote de voorleeswedstrijd. Vanmiddag mocht ze de strijd aangaan met de kinderen uit de andere groepen 5 en 6 van de school. De kinderboekenweek kreeg zo een extra dimensie voor haar en haar klasgenootjes.

Ik mocht erbij zijn. Doris las haar verhaal voor. ‘Meester Jaap eet een plant’ van Jacques Vriens. Een leuk verhaal over Johan die de verleden tijd niet snapt. Aan de hand van een toneelstukje maakt hij kennis met het verschil tussen de tegenwoordige en verleden tijd.

Flink geoefend

Ze had flink geoefend de afgelopen weken. Vanmiddag las ze het erg mooi voor, zonder fouten, met mooie accenten. En in een goed rustig tempo. Ik voelde mij ontzettend trots en filmde het optreden met mijn fototoestel. Het optreden ontroerde mij. Ik kon mijn tranen nauwelijks bedwingen.

Voor mij was ze de prijswinnaar. Natuurlijk ben je als ouder bevooroordeeld. Ik hoorde de anderen en vond hen beduidend minder goed. De jury van vier kinderen en de conciërge waren een andere mening toebedeeld.

Dat kon mij en Doris niet meer het bijzondere optreden afnemen. ‘Volgend jaar ga ik het weer proberen’, zei ze terwijl ze op het bankje zat.

Avondvierdaagse

image

Het hoort bij de opvoeding: de avondvierdaagse. Een heel geregel om op tijd op het terrein te staan. Het begint namelijk precies op etenstijd. Om 18 uur vertrekt de groep van de sporthal. Dan moet de prak in de mik zitten en alles zo geregeld zijn dat je aan de start kunt verschijnen.

Met het mooie weer is dat extra lastig. Zeker als Doris nog even buiten gaat spelen en rond etenstijd niet thuis is. Als ik dan op zoek ga en haar niet kan vinden, is het extra stress. De hele buurt gaat op speurtocht. Tot we haar vinden. Ze is bij een vriendje gaan spelen zonder het te melden.

Zo verdwijnt de prak in enkele minuten in de mik en vertrekken wij met meer stress dan eten in de maag. Gelukkig op tijd voor de start en daarna lekker lopen. Wat een heerlijk weer. Gewoon een toetje.

Wat is het weer de vorige twee jaar slecht geweest zeg. Met andere ouders halen we de herinneringen op. Het zijn natte herinneringen. Hoe we langs de spoorbaan doorweekt werden. Hoe we onder de paraplu snel onze koffie opdronken en verder gingen.

En nu? Heel veel zon. Het maakt bijna alles goed. Nog twee avonden en we kunnen weer rustig eten. Net als dat de medaille binnen is.

Betuttelen – #WOT

image

Je mag niet roken voor je 16e, niet drinken voor je 18e, geen drugs gebruiken en seks zonder condoom is uit den boze. Het zijn niet zozeer de ouders die dit vinden, als wel de overheid die meer en meer overgaat tot het betuttelen van haar burgers.

Zo ligt er een serieus plan op tafel om kinderen onder de 16 te beboeten als ze met een pakje sigaretten worden aangetroffen. Ze hoeven de rooksignalen nog niet eens uit te blazen om een strafbaar feit te plegen.

Ik zie weer de beelden weer voor mij. Het schoolvriendje dat stiekem rookte. Zijn ouders deden het ook, wat het betrappingsgevaar verminderde. Hij had zijn pakkie shag gewoon in zijn jaszak zitten. Geen ouder die op het idee kwam de zakken te inspecteren.

Natuurlijk kwamen zijn rookactiviteiten aan het licht. Misschien had iemand hem ergens zien roken, wat een goed bewijs is. Zijn vader vroeg op een avond of hij even het pakje shag mocht zien. De zoon maakte er weinig stampij van en haalde het keurig op. Hij was 14 jaar.

Ik probeerde in die tijd ook te gaan roken. Geinspireerd door hem, maar vond het buitengewoon smerig. Op weg naar een vriendje in Goes rookte ik een half pakje mentol sigaretten op in een poging er doorheen te komen. Het hielp niets. Ik zag groen en vond het nog steeds smerig. Ik was een jaar of 15. Niemand in de rokerscoupe zei er iets van. Pas ver na mijn 18e durfde ik weer een asdragende stengel in mijn mond te stoppen. Weliswaar in de vorm van een sigaar.

Nu is het schande al dat roken. Natuurlijk het is niet gezond en ik hou er ook niet van. Maar is het verstandig als de overheid zich hiermee moet bemoeien. Een rookvrije plek in een restaurant maakt het eten een stuk lekkerder. Het verbetert ook de kwaliteit voor bezoekers. Mensen met asma kunnen eindelijk in een restaurant of cafe zitten. Maar om jongeren het roken van overheidswege te verbieden. Is het verkoopverbod van tabak niet voldoende?

Het lijkt wel hoe minder mensen elkaar betuttelen hoe meer de overheid tot deze taak overgaat. Je mag niets. Afval op straat, de hond van de buurman die op de stoep poept of de foutgeparkeerde auto in het hofje. Allemaal dingen die verboden zouden moeten worden.

Ik heb het niet zo op een bemoeiende overheid. Elkaar aanspreken, daar geloof ik meer in. Al merk ik ook dat ik heel bescheiden ben op het aanspreken van wangedrag. Een grote mond terug. Waar ik me eigenlijk mee bemoei of ze negeren je volledig. Dat is het antwoord dat je snel krijgt.

Het is allemaal betuttelen. Zeker als de overheid zich met ons leven gaat bemoeien. We eten ongezond, we voeden onze kinderen verkeerd op, we geven onze huisdieren niet genoeg aandacht, we roken of we drinken teveel. En ondertussen is het vingertje de overheid geworden.

Een overheid die zich niet – of zo weinig mogelijk – met dat soort dingen zou moeten bemoeien. Onze verworven vrijheid komt namelijk snel in het geding. Vaak eerder en pijnlijker dan we denken.

Balzaal

balzaal op derde kerstdagDe vakantie en de regen jagen de kinderen naar de speelhal. Binnen dreunt de muziek. Je hoort buiten het gegil van de kleintjes. Alle mogelijkheden overspoelen de kinderen met ervaringen en energie. Ze kunnen hoog en laag springen. Overal is een andere uitdaging. Ze weten van gekkigheid niet waarheen ze moeten springen. De kleuren en de housemuziek jagen de kinderen verder op.

Buiten sijpelt de regen tegen de ramen. Aan de bar zitten een paar vermoeide ouders. Ze drinken een kopje koffie. Met een ouder verderop houden ze het verplichte praatje. Daarna jengelt een kind aan de arm. Ze krijgt een zuurstok. De suiker en de kleurstof helpen verder mee om de adrenaline door het lijf te pompen.

Het gedreun wordt nog harder en wilder. ADHD-fabrieken noem ik de speelpaleizen waar kinderen uitzinnig worden van de kleuren, de mogelijkheden van de speeltoestellen en de dreunende muziek. Ze verdwalen in de ballenbak. Zelfs het braafste kind wordt baldadig van de speelhal waarin elk speeltoestel om aandacht schreeuwt. Zo hard dat het geschreeuw van de kinderen de hal tot een hel maakt.

Ik sta buiten en luister nog even naar het gedreun. Dan fiets dan verder. Weg van de herrie, de natuur in. Het fietspad wordt omringd door drek. Regen valt op mijn hoofd. Niks lekker, maar beter dan de balzaal waarlangs ik zojuist reed. Eentonigheid is soms beter dan een kleurenmix aan geluid en ervaring.

Speeltuin in herfst

image

De speeltuin in de herfst. Het najaarszonnetje schijnt op het bankje waar ik een plekje verworven heb. Naast een vader. De jassen en tassen staan om hem heen uitgestald. De kinderen gillen verderop in het grote speelltoestel. Het woord Turk staat nog altijd breed uitgeschreven op de onderkant van de glijbaan.

Een moeder staat met een filmapparaat bij een speelhuisje. Haar zoontje bakt zandtaartjes. ‘Meneer, wat kost een taartje?’ vraagt het meisje dat buiten het huisje staat. Het kind bukt om nieuw zand te rapen. Hij kwakt het op de toonbank en vormt met zijn handen een nieuw taartje.

Pal achter moeder staat opa. Hij fotografeert zijn kleinkind. Een hele filmploeg is deze zondagochtend uitgerukt om de verrichtingen van de dreumes vast te leggen. De vader naast mij op het bankje, houdt zijn telefoon omhoog. Ik hoor een klik.

Een kind rent naar ons toe. Aan zijn arm bengelt het laatste stukje jas. Hij hijgt, gooit de jas het bankje en rent weer weg. De jas valt midden in de modderpoel. Zwijgend trekt vader de rode regenjas omhoog.

Mijn potlood trekt fijngeslepen kruisjes en streepjes langs de gedichten. Ik kijk af en toe op naar de spelende kinderen. De vader naast mij heeft er tabak van, pakt de stapel jassen en tassen en loopt weg naar het grote speeltoestel. Kinderen gillen om hem heen. Ze klimmen omhoog via de groene, rode en gele knoppen van de klimwand.

Een moeder heeft het vrije plekje naast mij ontdekt. Als een meeuw op een broodkorst stort ze zich op de het lege stukje bank. Ze zucht, haalt haar handen door het haar en doet een zonnebril op. De bril beschermt niet alleen tegen het zonlicht, maar ook tegen het gegil van haar dochter. Het meisje met de lange blonden haren rent naar het klimtoestel en hijst het lange puberlijf zo de hoogte in.

Daarna begint het meisje op de metalen tunnelbuis van de glijbaan te kloppen. Metaal op metaal klinkt schel over het speelterrein. Waarmee ze op de glijbaan slaat, weet ik niet. Dat het herrie maakt wel. ‘Hoor je het’, gilt ze uit de tunnelbuis. Haar broertje holt over het terrein. ‘Nog verder’, roept ze. Het jochie staat aan de andere kant van de speeltuin en zijn zus slaat nog harder op het metaal.

Ik zie de geërgerde blik door de zonnebril heen. Ze staat op en loopt moedig naar het klimtoestel. ‘Hou daarmee op’, roept ze nog harder dan haar dochter zojuist gilde. ‘Ach wijf, bemoei je met je eigen zaken’, brult de puber terug. Moeder druipt af en draait zich halverwege toch nog even om. ‘Als je maar stopt.’

Ze trommelt weer verder. Een moeder tilt haar peuter in het toestel. ‘Hé, houd daar eens mee op’, brult ze omhoog. Het slaan stopt abrupt en het meisje glijdt naar beneden. Ik sla weer een bladzijde om van de stapel vellen met gedichten. Geen beter moment van selectie dan in de zon op een bankje. Moeder pakt haar boeltje op en loopt naar de schommels waar dochter en zoon slingeren. ‘We gaan’, gilt ze en ze loopt weg zonder een antwoord af te wachten.

Moeder met kind

image

Moeder met kind. Ze zitten in de vroege ochtendtrein naar Schiphol. Het kind snottert. Moeder neemt een hap van de boterham. ‘Ik ook’, jengelt het kind. ‘Wil je een boterham met pindakaas?’ vraagt moeder. ‘Nee, met jam’, antwoordt het meisje. De rode haren steken af tegen het vormeloze shirtje dat ze draagt.

De lengte van de forensentrein is nog afgestemd op de vakantie. Het veel te korte treinstel dwingt de forensen bij elkaar. Geen zitplaats blijft leeg. Een enkeling staat in het gangpad. De knieën tikken tegen elkaar. Mijn tas staat tussen mijn voeten geklemd. Ik probeer te nippen van de verse koffie uit de nieuwe mok. De meneer aan de andere kant van het gangpad kucht als het meisje weer begint te praten. Zij hoest ergens midden in woord. ‘Je moet wel de hand voor de mond doen’, zegt de moeder streng.

Het kind heeft een eigen plaats in de drukken trein. Moeder ontfermt zich over haar. Na het broodje jam geeft moeder een pakje kleurpotloden. Ze wijs naar het gratis krantje dat op het tafeltje bij het raam ligt. ‘Hier, ga daar maar kleuren.’ Dochter hoest naar het papier, trekt een potlood uit het pakje en drukt de stompe punt midden op de foto van een lijsttrekker in debat.

De man aan de andere kant van het gangpad, kijkt geïrriteerd op uit zijn halfslaap. Hij schikt de rugzak op zijn schoot en drukt zijn ogen weer dicht. ‘Papa’, roept het kind. ‘Kijk eens wat ik getekend heb?’ Dwars over het hoofd van de politicus trekt de rode potloodlijn. De man aan de andere kant van het gangpad kijkt op en mompelt wat. De moeder sust haar dochter. Ik hoor niet wat ze zegt.

‘Ik wil spray’, zegt ze. Ze haalt haar neus op. ‘Nee, dat kan niet’, antwoordt moeder streng. ‘Je mag niet de hele tijd neusspray.’ ‘Ik wil’, jengelt het kind. Ze ademt zwaar door de mond. Uit haar neus vormt zich een grote snottebel. De bel trekt een lijn naar haar mondhoek. Moeder wrijft met een papieren zakdoekje over het gezicht. Het kind wendt haar hoofd af. Aan mijn neus geen polonaise. Het zakdoekje is al eerder die ochtend gebruikt. Het papier neemt niet veel vocht meer op. Dochter jengelt over de spray. ‘Je mag vanmiddag weer’, zegt moeder. Het kind begint te schreeuwen. De man aan de andere kant van het gangpad kijkt geërgerd op.

Moeder rommelt wat in haar tas. ‘Dan doen we nu nep.’ Ze zet het flesje spray aan de neus van het kind en doet net of ze spuit. ‘Lekker he? Net echt.’ ‘Nee’, gilt het kind. ‘Ze is echt verkouden’, zegt de vrouw. Ze geeft het vieze zakdoekje aan de man aan de andere kant van het gangpad. De man aan de andere kant van het gangpad kucht en haalt zijn neus op. ‘Zou het straks in Italië over zijn?’ Hij buigt in de richting van de vuilnisbak en propt het propje erin. Hij zwijgt, sluit zijn ogen en slaapt weer.