Categoriearchief: kinderen

Dakconstructie

20141016_150911Op de kasteelzolder van Slot Loevestein ga ik even zitten op een bankje. Wat een hoogte zeg. De kapconstructie ziet er heel imposant uit. Dikke balken van eikenhout. De balken zijn met elkaar verbonden via pen-en-gatverbindingen, waarbij houten deuvels de verbindingen bij elkaar houden.

De hoogte van de zolder is enorm. De zolder is in tweeën gedeeld. Bovenin het dakspant dat de ruimtes deelt, zit zelfs een opening zonder dat er een vloer onder ligt. Dit dak alleen is hoger dan ons hele huis.

20141016_153904Een vreemde gedachte dat je omhoog kijkt naar iets dat ontdaan van vloeren zelfs hoger is dan je eigen huis. Terwijl je omhoog kijkt naar alleen maar dakbeschot. De vele dakspanten en balken maken het dak tot een kunstwerk.

Een gezin met jonge kinderen komt de zolder op. De vloer trilt. De kinderen gillen. Hun even rumoerige ouders verstoren even het genieten. Alle sleutelgaten worden gedicht met de plastic sleutels en overal klinken de animaties.

20141016_163250De aandachtsspanne van de kinderen is korter dan de animaties duren. Ze zijn alweer vertrokken terwijl in de hele ruimte de animaties nog draaien. Als de laatste animatie zijn mond houdt, is de zolder weer voor ons alleen.

Heerlijk.

20141016_165110

Jongensgeheimen

20140921_194016De drie verhalen onder de titel Jongensgeheimen behoren tot de mooiste verhalen uit de bundel De vreemdeling in het Palazzo d’Oro. Hier laat Paul Theroux zien dat hij een meester is in het schrijven van korte verhalen. Op een prachtige manier weet hij de weemoed van de jeugd op te roepen.

Het verhaal Shelter vertelt over een jongen die zich terugtrekt in een zelfgekocht tentje in de achtertuin, zijn shelter. Het buurmeisje weet hem hier ook te vinden. Totdat zijn strenge ouders erachter komen. Het is een ontroerend verhaal.

‘Truman komt’ speelt vlak na de oorlog als president Truman een ronde maakt door Amerika met een trein. Het verhaal speelt met zondebesef en het wangedrag van volwassenen waar kinderen onder lijden. Paul Theroux weet een heel weemoedige sfeer op te roepen, net als in het eerder verhaal.

Het derde Jongensgeheim onder de titel ‘Padvinders’ verwijst naar drie jongens die padvinder zijn en het geleerde in het bos in praktijk brengen. Ze blijken erg goede speurders te zijn, ook als één van hen door een vreemde man wordt misbruikt.

Het is een hartverscheurend verhaal waarbij de jongens het kwade bestraffen, maar wat al ver voor de hele discussie rond seksueel misbruik in de katholieke kerk is geschreven. Daarmee geeft het verhaal een heel mooi beeld van de jaren ’50 waarbij veel onder het priesterkleed werd weggemoffeld.

Een verhaal over een onderwerp dat de laatste jaren veel aandacht heeft gekregen. De verteller speelt heel mooi en integer met de schijnheiligheid die het (katholieke) geloof ook weet op te roepen.

Het slotverhaal ‘Slonzinge nimfen’ is eveneens een verhaal van Paul Theroux dat contrasteert tussen ouderdom en de kloof tussen arm en rijk. Een rijke advocaat krijgt best warme gevoelens voor de moeder en dochter die zijn huis schoonhouden. De kloof tussen hen is minder groot dan je aanvankelijk zou vermoeden.

Paul Theroux: De vreemdeling in het Palazzo d’Oro. Oorspronkelijke titel: The Stranger at the Palazzo d’Oro. Vertaald door Theo Hendriks. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2003. ISBN: 90 450 1059 3.

Beginnen bij het einde

doris_en_jacques_vriensBeginnen bij het einde. Voor kinderboekschrijver Jacques Vriens is dat het geheim van zijn schrijverschap. Door te weten hoe zijn verhaal eindigt, lukt het hem om een verhaal af te maken. Anders blijft hij ronddolen omdat hij geen einde heeft. Ik leerde het gisteren van de schrijver bij zijn voorstelling Hoe verzint-ie het toch allemaal? in de nieuwe bibliotheek van Almere

Ze zijn allebei een groot liefhebber van Jacques Vriens. Zij en zij. Inge volgt hem al jaren, heeft de boekenkast volstaan met de boeken voor oudere kinderen. Doris volgt haar en leest zijn oeuvre sneller dan haar moeder.

Ze verslindt de boeken van Jacques Vriens. Na Meester Jaap leest ze De bende van de Korenwolf en het eerste deel van de nieuwe serie het Kattenpleintje is al uit.

Daarom wist Inge het wel toen ze voorbij zag komen dat Jacquens Vriens zijn voorstelling zou geven in de bibliotheek. De kaartjes waren snel gekocht en zondag was het zover: we gingen naar de voorstelling.

image

Het is een boeiende voorstelling waarbij Jacques Vriens het persoonlijk verhaal over zijn schrijverschap afwisselt met fragmenten uit zijn boeken. Soms is het iets teveel reclame voor zijn eigen werk, maar hij brengt er een leuke kwinkslag in.

Verder kan hij prachtig voorlezen uit zijn verhalen. Ook speelt hij met het ‘scherm’ achter hem met onder andere een interview met zijn alter ego Meester Jaap. Het is erg vermakelijk en hij praat grappig met zichzelf.

Een mooi programma, waarbij ik vooral veel leerde over die ene opmerking die Jacques Vriens maakt in de voorstelling. Hij vertelt daar dat hij altijd moeite had om een einde van een verhaal te krijgen. Hij begon aan een verhaal, maar komt niet tot een einde.

image

Nu lost hij het op door te beginnen met het einde van het verhaal. Dan weet je bij het schrijven waar je naartoe werkt. Het helpt om je verhaal te kunnen vertellen, stelt hij. Het is zeker een goede tip. Ik worstel ook altijd met het einde. Als je het einde de das om hebt gedaan, kun je pas goed beginnen.

Volgens Jacques Vriens helpt dit advies hem nog altijd. Hij doet het bij al zijn verhalen. Al kan het einde tijdens het schrijven best veranderen, het geeft hem voldoende houvast het verhaal te vertellen. Een advies dat ik best kan opvolgen.

De foto na afloop met Jacques Vriens was voor Doris natuurlijk het hoogtepunt. Net als dat hij haar zoomlink droeg waardoor ze de voorstelling goed meekreeg. De apparatuur helpt haar onwijs goed. Zo heeft ze echt kunnen genieten van de voorstelling.

Voorlezen – #50books

image

Ik lees haar elke avond voor. Ze was nog geen twee jaar oud toen ik begon. Prentenboekjes en later Jip en Janneke. Een beetje te klein nog. Maar ze luisterde en ik las haar de verhalen voor die mij destijds waren voorgelezen. Bij Sinterklaas, als ze verdwalen, als Takkie weg is en als ze het paasbrood in het zand laten liggen.

Mijn moeder las voor. Op een bepaald moment is ze gestopt. Wanneer dat was, weet ik niet meer. De anderen kregen dezelfde verhalen en gingen op een andere tijd naar bed. Ik denk dat het vanzelf stopte.

Ik ging zelf lezen, voor het slapen gaan las ik Pinkeltje, de Kameleon en Snuf de Hond. Het voorlezen kwam later toen ik oppaste. Daar mocht ik Otje voorlezen. Ze waren erg enthousiast over mijn immitatie van Kwark de kraai.

Ik lees nog steeds voor. Nu liggen de boeken van Jacques Vriens op mijn schoot. Ze vindt het erg leuk. Ik vind het ook fantastisch om te doen. Voorlezen is ook leuk. Ik wil nog graag meer boeken lezen die ik zelf niet ken. Zo hoop ik binnenkort aan Tonke Dragt te beginnen op aanraden van mijn blogvriend Jacob Jan. Ook liggen er nog mooie boeken van Willem Wilmink.

Laatst vroeg ik aan Inge wanneer je eigenlijk ophoudt met voorlezen. ‘Tot jullie het allebei niet meer leuk vinden’, zei ze. Dat lijkt mij een mooi moment en voorlopig is het nog niet zover.

Wist je trouwens dat ik al een keer een #WOT over voorlezen schreef? Het ging per ongeluk ik las de blog van Peter en begon enthousiast te schrijven. Zonder dat ik echt goed gekeken had naar de eigenlijke vraag over poëzie. Die vraag moet nog steeds beantwoord worden.

#50books

Dit is het antwoord op vraag 7 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief vanPeter PellenaarsMartha Pelkman heeft in 2014 het stokje overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject. 

Gewiekst – #WOT

image

‘Meester Hendrik-Jan kunt u mij tillen?’ Ze vraagt het met een heel lief stemmetje, een beetje zachtjes, vleiend. Ik til haar in de auto en maak haar gelijk vast in het stoeltje, want dat kan ze nog niet. Ze is ook net vier.

Elke ochtend rijd ik als vrijwilliger de kinderen van de buitenschoolse opvang waar Inge werkt, naar school. In oktober genoot ik onderweg van de gouden zonnestralen in de vroege ochtend. Nu zwiepen mijn ruitenwissers in de dichte motregen. Het levert wel weer gedichten op.

Een tijdje terug vertelde ik dat het meisje van vier moeite heeft met instappen in de auto. ‘O, maar bij mij stapt ze gewoon in’, zei Inge. ‘Maar bij jou is de instap lager.’ ‘Nee hoor, ook in de auto waarin jij rijdt, stapt ze zelf in.’ Ik voelde mij een beetje voor de gek gehouden. Zeker ook toen ik hoorde dat het vastmaken van de gordel evenmin een probleem was.

De ochtend erop stond ze weer bij de open autodeur te wachten opgetild te worden. ‘Maar ik hoorde dat je dat zelf kunt’, zei ik in een poging haar te leren het zelf te doen. ‘Maar bij u niet’, gaf ze als antwoord en bleef net zo lang wachten tot ik haar erin had getild.

Een jongedame die het goed voor elkaar heeft. Zij behoort tot die groep mensen waarin je al de toekomstige manager in ziet opstaan. Of het meisje dat met gemak een jongen om haar vinger windt. Hij doet alles voor haar. Zo’n galante jongen, attent en actief om het haar zo goed mogelijk naar de zin te maken.

Het lijkt haar al aardig te lukken, gewiekst als ze is.

10 januari 1986

image

In 1986 viel 10 januari ook op een vrijdag. Die avond holde ik met mijn vriendje Erik door het centrum van Veenendaal op zoek naar vossen. De vossenjacht was geopend. Het hoogtepunt was de leider van de jeugdclub. Hij droeg een wit laken over zich heen en liep als spook door de Hoofdstraat. We herkenden hem aan zijn sandalen met geitenwollensokken erin.

We eindigden de avond met dankgebed en zongen ‘Wat de toekomst brengen moge’. Daarna zou ik met mijn vriendje Erik en zijn neefje naar huis lopen. Mijn moeder kon mij niet halen en vond het fijn als ik niet alleen over straat hoefde te lopen om 8 uur ‘s avonds.

Ze waren mij aan het plagen, renden weg en liepen aan de overkant van de straat. Ik riep ze, maar ze kwamen niet. Huilend liep ik verder en stond bij de speelgoedwinkel voor het raam te kijken. Daar liet Eriks neefje mij heel erg schrikken. Ik draaide om. Het neefje rende lachend weg en ik zag Erik achter een auto wegduiken.

Daar moet het ergens gebeurd zijn, hoorde ik later. Erik kreeg een hartaanval, viel op straat en het neefje rende weg. Pas later werd hij gevonden. De ambulance reed door onze straat met gillende sirenes om hem op te halen. Ik keek met mijn vader naar het laatste staartje van het journaal.

Wat later stond ik bij de deur omdat iemand mijn vader moest spreken. De ambulance reed met gillende sirenes terug. ‘Tjonge, daar is heel wat aan de hand’, zei de meneer. ‘Ja’, antwoordde mijn vader. ‘Het ziet er behoorlijk ernstig uit als ze met de sirene terugrijden.’

Daar lag mijn vriendje Erik in. Ik wist het niet. De volgende morgen was mijn moeder verontwaardigd toen ze hoorde dat ik niet samen met Erik naar huis was gelopen. ‘Ik ga zijn moeder bellen. Dat heb ik niet met hem afgesproken’, zei ze boos. ‘Jullie mogen wel tien jaar oud zijn, maar als hij zegt dat je met hem mag meelopen, dan moet hij dat ook doen.’

Maar ze moest naar de markt en mijn vader had een overleg op mijn school over iets. Ze kwamen ongeveer tegelijk thuis en waren even buiten aan het praten. Mijn moeder kwam witjes naar binnen. Ik speelde met de playmobil samen met mijn broertje en zusje. ‘Er is iets heel ergs gebeurd’, begon mijn moeder. ‘Ga maar even zitten.’ Ik stond op om op de bank te gaan zitten.

‘Erik is overleden’, zei ze nog voor ik zat. ‘Gisteravond. Aan een hartaanval.’ Ik voelde mijn knieën week worden. Het bloed trok uit mijn gezicht weg. Ik liet mij op de bank vallen. Dit kon niet waar zijn. Daarna vroeg ik haar honderd keer hoe het gebeurd was. Ik had hem nog gezien.

Het was aan het begin van de Gortstraat gebeurd, vlak nadat het neefje mij liet schrikken. Hij was teruggekomen, zag Erik liggen en rende weg. ‘Het is maar goed dat ik vanmorgen zijn moeder niet gebeld heb’, zei mijn moeder. ‘Wat was dat verschrikkelijk geweest.’ Ik knikte en werd omringd door honderd vragen. Bewust dat hij er niet meer was.

Vandaag loop ik in het park met de honden. Geniet van het licht dat zo kenmerkend is voor januari. Het lage licht maakt het gras intens groen. De wolken zo duidelijk en helder wit. Het is 10 januari, besef ik. Net als in 1986 een vrijdag. Het is 28 jaar geleden dat Erik stierf, maar die dagen staan op mijn netvlies gebrand alsof het gisteren was.

Ik kom thuis, ga zitten achter de computer en typ: ‘In 1986 viel 10 januari ook op een vrijdag.’