Categoriearchief: katten

Ontsnapt – Merelkroost (2)

Op de gok hijs ik het diertje in de richting van het nest, open met mijn vingers het groen en laat het daar ergens vallen. Het jonge vogeltje dwarrelt weer naar beneden, half fladderend. Dat is niet de bedoeling.

Ik zoek het diertje weer, het zit ergens in de buxushaag. Weer geritsel. Het beestje belandt op het voetpad en ik kan het weer opscheppen. Ik geef het aan Inge en ga een krukje halen om er beter bij te kunnen. Het vogeltje laat een poepje in Inges hand vallen.

Ik klim op het krukje en neem het diertje weer over. Daar zit het nest duidelijk. Ik kan er nu goed bij. Het vogeltje breng ik naar de voorheen veilige plek. Er zit nog een jong. Ik kan niet zien of het dier nog leeft of dat de kat deze heeft vermoord. Bah, wat zijn katten toch een rotbeesten. Ze vermoorden mijn vrienden.

Daar laat ik ze achter. Het wordt donker. Gaan ze de nacht halen. De gillende ouders kalmeren, maar ze gaan niet meer naar het nest. Dat is geen goede ontwikkeling. Ik hoor het gekrijs van de ouders nog in mijn oren tuten.

De volgende morgen bij het wandelen met de honden staan de oudermerels druk aan het rondvliegen. In de bek hebben ze wormpjes vast. Zou het toch lukken? Ik zie ze niet naar het nest vliegen. Ze zoeken wel. Met zachte kluukjes roepen ze naar hun kroost. Geen beweging.

Ik moet weer weg. Als er ’s avonds weer een kat zit te loeren naar het nest, ben ik onverbiddelijk. Ik gooi een flinke plens water in de richting van het beest. Eigen schuld, dikke bult. Maar geen bedrijvigheid meer rond het nest. Toch meen ik duidelijk te horen dat ze het jong roepen. Zou het toch de nacht gehaald hebben?

Als ik de volgende avond kijk uit het slaapkamerraam, zie duidelijk het nest liggen in het groen. Zonder jongen. Zouden ze het gehaald hebben? Ik heb geen idee. Al hoor ik vandaag wel heel vaak ekster, kauwtjes en gillende merels. Zou het jonge vogeltje de volgende levensgevaarlijke levensfase zijn ingegaan?

Op onderzoek naar het nest, vind ik er nog een ei in. Het nest verlaten, het ei is niet uitgekomen. Ik verbaas mij over de bouwkunst van de merels om zo’n mooi nest op te bouwen. Spijtig dat ze verdwenen zijn.

Merelkroost

Heerlijk luisteren naar muziek op een zomeravond. Ik hoor van alles er doorheen tetteren buiten, maar kijk niet. De muzikale beweging telt. Ik geniet en laat me niet afleiden.

Pas laat dringt tot me door wat er eigenlijk gebeurt. De merels voor het huis vliegen gillend rond. Dan valt er opeens een kat uit de klimop naast het huis. Het gegil verergert. Geen houden meer aan.

Ik gooi mijn koptelefoon af en ren naar de voordeur. Als ik buiten sta, zie ik een jonge merel over het pad fladderen. Het diertje poogt op te stijgen, maar voor het goed en wel in beweging is, trekt de grond aan hem.

Wat moet ik doen? Ik roep Inge erbij. Het diertje zit in de bosjes voor het huis. Ik trek aan een tak en het jonge vogeltje schiet alweer weg. Fladderend zonder op te stijgen vindt het een plekje op het fietspad.

Fietsen rijden om het zielige hoopje merel. Het diertje zit helemaal stil op het asfalt. Inge is er nu ook. ‘Pak hem maar op’, zegt ze. Ik durf het niet. ‘Je kunt hem gewoon opscheppen.’ Dan glijden mijn handen onder en over het vogeltje en scheppen het omhoog.

Het snaveltje opent zich in de veronderstelling dat het iets te eten krijgt. Ik heb niks. ‘Nu moeten we het terugstoppen in het nest.’ Ik ga terug naar de klimop. Waar zit in vredesnaam dat nest. Ik kijk door het groen en zie iets zitten. Hoog en net binnen mijn bereik. Of zit het toch iets verder weg?

Lees morgen het vervolg: Ontsnapt

Dagje Ouwehand (5) – Dierentuin in oorlogstijd

image

Op het lange pad van het Berenbos weer naar de reguliere dierentuin lees ik op een bord over het dierenpark in oorlogstijd. De dierentuin ligt vlak achter een belangrijk strategisch punt van de Grebbelinie. Bij een invasie zouden de dieren moeten worden afgemaakt door de militairen.

De eigenaar van het dierenpark, Cor Ouwehand, wilde het echter zelf doen. Hij schoot alle dieren neer, tot hij bij de ijsberen kwam en de moeder met 2 pasgeboren jongen zag. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen de dieren neer te schieten. Daarom liet hij ze in leven en hoopte dat ze het zouden overleven. Ze overleefden het.

image

Met de snelheid waarmee wij lopen, kan ik het hele verhaal niet nalezen en blijf tot ik het ’s avonds thuis opzoek in onzekerheid over het lot van de moederijsbeer met de 2 jongen. Ik kijk nog een keer naar de moederijsbeer met de 2 jongen die nu in het park leven. Ze liggen er heerlijk tevreden te slapen.

We lopen door het grote verblijf van de gorilla’s. De vorige keer dat we hier waren, was dit verblijf er nog niet. Nu timmeren kinderen op de ramen. Al staat er nog zo groot bij op bordjes dat het niet mag. Ik moet lachen als ik een gorilla zie zitten met zijn rug naar het publiek toe. Hij heeft duidelijk geen zin in de aandacht van het publiek.

image

In de overdekte gang zien we de witte tijgers zitten. Hutjemutje staan de mensen op elkaar gepakt om een glimp van de reuzenkatten te zien. Als er eentje geeuwt zie ik hoe groot zijn tanden zijn. Om nog te zwijgen over de enorme klauwen waarmee hij zijn prooien vangt.

Moos

‘Hoe is het eigenlijk met Moos?’ vraag ik terwijl ik een hap neem van mijn boterham met hagelslag. ‘Volgens mij leeft hij ook niet meer. Het ging heel slecht met hem, de laatste keer dat ik hem zag.’ ‘Hij heeft een beroerte gehad en mag nu niet meer buiten komen’, vertelt Inge. ‘Soms zetten ze de hele tuin voor hem af en dan mag hij even naar buiten. Dan rent hij als een idioot rondjes.’

Moos is de stoerste en de liefste kater van de buurt. Ik zag hem een paar maanden terug. Hij liep moeizaam, leek steeds om te vallen en strompelde zo zigzaggend over de parkeerplaats. Dat gaat niet goed met hem. Die gaat dood, dacht ik. Maar ik had haast. Het was ochtend en ik moest mijn trein halen.

Ik kon nog net zien dat hij het gat in de schutting van zijn huis nog haalde. Een beroerte dus. Dat had ik gezien. Ik voel me schuldig dat ik het dier niet te hulp was gekomen. Maar wat had ik kunnen doen? Nu mocht hij niet meer buiten komen, vertelt Inge. Hij takelt langzaam maar zeker af. Maar daar is hij ook 17 jaar voor. Lees verder Moos

Kent Kiet de kattenverhalen van Carmiggelt?

De kat Kiet was weg. Een paar dagen had het dier zich niet laten zien in huis. De eigenaresse van Kiet vreesde het ergste. De kreet op facebook klonk in elk geval best verontrustend. De kreet van terugkeer van de verloren zoon, des te harder: ‘HIJ IS TERUG! na drie dagen. hij ziet eruit alsof hij honderd kilo is aangekomen. voorlopig mag hij niet naar buiten. ben nog steeds erg beledigd.’

De discussie die daarna loskwam was niet te stelpen. Ongetwijfeld zou het dier zijn heil hebben gezocht bij de buren en zich vet hebben laten mesten met hele leverworsten, kapitein Iglo’s en andere dikmakers. Al vaker was Kiet van huis geweest en dan rook hij vreemd. De vreemde lucht die hij verspreide deed een aangename date bij de buren vermoeden. Al keerde hij voorgaande keren wel iets eerder terug van zijn tweede huis.

Ik moest onmiddellijk denken aan een kattenverhaal van Simon Carmiggelt.
Het komt uit zijn kattenverhalenbundel Poespas. Overigens bestaat de bundel voor meer dan de helft uit niet-kattenverhalen maar dit terzijde. Ik heb mij de avond van het bericht rot gezocht om het verhaal niet alleen voor de geest, maar vooral voor de letter te halen.

Carmiggelt schrijft over katten die het huis verlaten en een bestaan op straat verkiezen. Hoe deze dieren overleven, is hem ook een raadsel. Tot hij een bezoek aan zijn tante brengt, want dan wordt hem veel duidelijk. Ze toont hem Arnold, het aanloopkatje. Een eufemisme zo blijkt. En dan volgt een beschrijving van Arnold zoals alleen Carmiggelt deze kan geven:

[D]e kater, die zij, zwaar overblousend, in haar handen hield, had de afmetingen van een voldragen kalf. Wat mij trof was de gelatenheid waarmee het dier in de even dwaze als ongemakkelijke houding bleef hangen, zonder ook maar in het minste tegen te stribbelen. De blik die hij mij toezond, was tot de rand gevuld met wijsgerige versterving en het scheen of hij zeggen wilde: ‘Zo, moet jij me ook eens bekijken? Je gaat je gang maar hoor. Mij zal het allemaal een zorg wezen.’ (188)

En het is Arnold een zorg. Als hij maar eten krijgt. Elke ochtend en middag komt hij op exact hetzelfde tijdstip bij Carmiggelts tante langs. ‘Je kunt er de klok op gelijk zetten’, volgens de tante. Als Carmiggelt een paar weken later weer op bezoek is, vraagt hij naar Arnold. Maar daar wil de tante niks meer van weten. ‘Die laat ik er niet meer in.’ Ze was namelijk een keer op bezoek bij een buurvrouw en zag Arnold liggen. ‘Hé, dat is Arnold’, had ze gezegd. ‘Nee, dat is Piet’, kreeg ze als reactie. Piet kwam elke dag, maar dan een uurtje eerder dan bij de tante.

Een onderzoek in de buurt leerde dat Arnold bij meer buren dagelijks visiteerde. De kater leidde een vierdubbel leven en kreeg van allevier de dierenliefhebbers de bons. Het verhaal eindigt zoals eveneens alleen bij Carmiggelt kan:

Later op de middag zag ik hem door het keukenraam nog even over het plat lopen. Hij had de voze tred van iemand die na een overdadig leven tot armoede is vervallen, maar de blik in zijn koude, ronde ogen zei me dat hij wel iets nieuws zou weten op te bouwen. Want tegen cyniek is nu eenmaal geen kruid gewassen. (190)

Het verhaal van de vriendin die haar kat een paar dagen kwijt is en dubbel zo dik terugkrijgt, brengt mij zo even terug in die bundel dierenverhalen van Carmiggelt. Prachtig geschreven, want Carmiggelt geeft de dieren in zijn sterke beschouwingen altijd iets menselijks mee. Hij doet dat zo goed dat je dat niet eens in de gaten hebt. Ik denk ergens zelfs dat Kiet gewoon bekend is met de kattenverhalen van Carmiggelt.

De citaten komen uit Simon Carmiggelt: Louter leugens & Poespas, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1997.

Kattengejank

Hoe gaat het in zijn werk? Je slaapt en je hoort geluiden. Je probeert het geluid te duiden en de beslissing te nemen of je verder gaat slapen. Het is een vorm van betekenistoekenning waarbij een deel van de hersenen slaapt en de rest probeert het geluid om te zetten in betekenis.

Zo gaat het ongeveer denk ik. Ik slaap en hoor de hele tijd een geluid. Nee, het is niet Doris, dat haal ik er heel snel uit. Draaien, weer op een andere zij. Inge naast mij is ook onrustig. Het geluid hoort niet. Het lijkt of er kinderen spelen op het pleintje achter ons huis. De slaap wint het nog van het geluid. Het zijn immers niet mijn kinderen en dat gejengel is vervelend, maar valt buiten mijn verantwoordelijkheid.

Het gejengel houdt aan. De slaap verandert in halfslaap dat op zijn beurt weer transformeert in wakker worden. Het is een eigenaardig gejengel buiten. Het klinkt als het gejengel van een kat. Mogelijk heeft het diertje zich in een onmogelijke positie gebracht. Ik besluit maar eens een blik naar buiten te werpen. Het is al licht.

Als ik het gordijn openschuif, zie ik een kat zitten op het bankje voor het raam. Het dier draalt rond de leuning van de bank, springt op de grond en heeft mij in de gaten. Twee felgroene ogen staren mij verwachtingsvol aan. Het miauwt omhoog en loopt naar de deur, terug naar de poot van de bank en geeft de poot kopjes.

‘Wat moet dat beest daar?’ vraag ik aan Inge. Zij is immers de kattenkenner. Als ze niet allergisch zou zijn, dan zou het onze eigen kat zijn die ons uit de slaap houdt. Inge weet het ook niet. Het moet ophouden, vinden we allebei. Volgens Inge is het dier al een uurtje of 3 aan de gang. Ze meent een dikke buik te zien. Die zoekt een rustig plekje om te bevallen, suggereert ze. Ik denk dat het de kat van hiernaast is, of van iets verder, op het hoekje. We weten het niet.

Wat nu? Misschien kan hij niet wegkomen. Dat zou natuurlijk goed kunnen. Ik ga naar beneden, Inge achter me, om het beest buiten te houden. Dan stuur ik het weg. Ik doe open. De kat neemt een veilige afstand. Het dier loopt achter me aan als ik naar de poort loop. Ik open de schuttingdeur en het dier loopt voor mij uit en gaat weg. Als ik de achterdeur in het slot draai, vraag ik Inge of hij nu terugkomt. Als hij straks na 5 minuten terug is gooi ik water over hem heen. Zo kunnen we niet slapen en we kunnen hem niet in huis hebben. Inge wordt gewoon doodziek van een kat. Ik draai mij om en zie de kat alweer voor de achterdeur dreinen.

Dan maar een beker water naar beneden gooien. Het gejank neemt niet af, de kat begint juist sterker te janken. Het klinkt als ‘nou?’, in de trant van wat flik je me nou? We liggen weer in bed, maar het janken blijft. Het is notabene niet eens onze kat, we hebben het dier niet eens aangehaald. Misschien zoekt hij inderdaad een rustig plekje. ‘Hij kan toch in de schuur?’ vraag ik Inge. Natuurlijk kan hij in de schuur. Ik loop weer naar beneden, het dier loopt voor mij uit en vlucht al onder de schutting door weg. Hij is verdwenen, ik doe de schuurdeur open, voor het geval dat.

We vallen licht in slaap, het gejank horen we slechts af en toe. Hier kunnen we wat beter tegen. Als Doris een kleine 2 uur later naast ons bed staat, kijk ik nog eens naar buiten. Hij zit er weer, kijkt met de helgroene ogen naar boven en rent naar de deur. Wat moet dat beest? vraag ik weer.

Als ik beneden kom en de hond uitlaat, is de kat verdwenen. Op het pleintje achter zitten de 2 katers uit de buurt: de stoere Moos en een grijze/bruine. De zwarte kat zit voor de kastanjeboom. Ik roep hem, hij loopt naar mij toe en laat zich even aanhalen. De katers zien het met een lichte irritatie in de ogen toe. Wat later loopt de kat weer weg. De katers zitten met z’n tweeën op de uitkijk naar het voetpad dat naar de gracht leidt. Ze vliegen plotseling overeind en hollen naar het kattenluikje van Moos. Moos voorop. Ze kruipen weg. Als ik bij het pad kijk, zie ik een hond die wordt uitgelaten.

Van de zwarte kat geen spoor. Die heeft een slaapplekje gevonden om ons vannacht weer fris en fruitig lastig te kunnen vallen.