Categoriearchief: kat

Merelkroost (3)

Hoe blij je kunt zijn met het gepiep van de jonge merels in de achtertuin. De achterdeur staat open en ik ben druk bezig met het vastleggen van mijn eigen verleden. In de tuin klinken de merels die hun jongen voeren.

Het zijn er 2! Kan niet missen dat dit de merels zijn van wie ik 2 weken geleden 1 heb gered en het andere in het nest aantrof. Het verlaten ei is niet uitgekomen en het nest is verlaten gebleven. De bladeren er groeien alweer over.

Dan word je helemaal blij als je merkt dat het is goedgekomen met de jongen. Tussen de bladeren van de ginkgo zie ik er 1 zitten. De ander is al weggevlogen. Ze groeien hard en ik denk dat ze binnenkort al zelf eten bij elkaar kunnen scharrelen.

Zo zie je maar. De ouders hebben op een onhandige plek het nest gebouwd, maar onze redding is goed geweest. Anders had de kat ze zeker te pakken gehad. Net als de volhardendheid van de ouders natuurlijk. Het maakt je even dankbaar als je ziet hoe de natuur om het huis zich staande houdt.

Tere plantjes

image

Jonge plantjes zijn teer, dat weet onze teckel Teuntje ook. In de vensterbank kweken we momenteel tomatenplantjes op. Net als kleine aardbeienplantjes en artisjokken. Voor straks in de moestuin als de temperatuur buiten dat toestaat.

Overdag halen we de deksels van de kleine kweekkasjes eraf. Zo krijgen de planten wat meer lucht en kunnen ze achter het glas nog wat groter worden.

Teuntje heeft niet altijd respect voor dit jonge groen. Zo zag ze vanmiddag een kat lopen in het voortuintje en ontplofte ze achter het raam van woede. Dit is niet de eerste keer, want eerder vielen al andere plantjes ten prooi aan de kattendrift van Teuntje.

Ze vloog precies op de bak met jonge spruiten. Het jonge grut viel treurig op de grond viel. Gelukkig wist Inge alles weer op te rapen en terug te stoppen in de bakjes.

Wel spannend of ze het allemaal nog even uithouden. ‘s Avonds zijn de muizen gek op de bakken met jong groen. Daarom dekken we voor de gordijnen dichtgaan alles keurig af. Maar het blijft een ongelijke strijd.

Kat op smeltend ijs

image

De blaffende hond op de brug attendeerde mij op de kat op het smeltende ijs. Hij stond op een dun laagje ijs midden in de gracht. Een opgetrokken rug moest de hond weghouden. Het ijs zag er angstwekkend dun uit. Het deinde onder de poten van de waaghals.

De hond verdween met zijn baasje van het toneel. Ik tuurde nog eens naar de kat op het ijs. Hij zette zich voorzichtig in beweging. Het ijs kraakte zachtjes onder de pootjes. Voorzichtig zocht het dier een weg over het smeltende ijs van de gracht. Ik vroeg mij af wanneer het mis zou gaan.

Dat moment wilde ik niet afwachten. Het dier liep verder over het midden van de gracht. Voldaan en tevreden. Voorzichtig maar niet echt bewust van het gevaar. Het koude water koekeloerde dreigend onder het ijs. Dat op haar beurt kraakte dat het een lieve lust was. Ik durfde niet meer verder te kijken. En vervolgde mijn route achter de hond en zijn baasje aan.

Koolmees en pimpelmees vliegen uit

Jonge pimpelmees die elk moment kan uitvliegen

De koolmezen in ons nestkastje en de pimpelmezen in het kastje van de buurman, piepten de afgelopen week dat het een lieve lust was. Ze riepen naar hun ouders voor extra eten. Het piepen hoorden wij bij het krieken van de dag en het hield pas op als het helemaal donker was geworden. Het kon niet meer lang duren voordat ze zouden uitvliegen.

Ik wachtte met spanning op het moment dat ze de vleugels voor het eerst zouden uitslaan. Het staat ergens wel symbool voor het kind dat zijn ouderlijk huis verlaat. De boze buitenwereld wacht op ze en overal loert het gevaar. Ik voelde het als ouder als geen ander. Je kind is oud genoeg om de vleugels uit te slaan. Maar is tegelijkertijd nog heel erg op de ouders aangewezen.

Vooral de pimpelmezen leken elk moment uit te gaan vliegen. Maar toen ik gisterochtend buiten kwam hoorde ik de koolmezen uit ons nestkastje niet meer piepen. Zij waren al uitgevlogen. Ik had ze die ochtend in bed nog horen piepen. Ze waren uitgevlogen. Lees verder Koolmees en pimpelmees vliegen uit

Moos

‘Hoe is het eigenlijk met Moos?’ vraag ik terwijl ik een hap neem van mijn boterham met hagelslag. ‘Volgens mij leeft hij ook niet meer. Het ging heel slecht met hem, de laatste keer dat ik hem zag.’ ‘Hij heeft een beroerte gehad en mag nu niet meer buiten komen’, vertelt Inge. ‘Soms zetten ze de hele tuin voor hem af en dan mag hij even naar buiten. Dan rent hij als een idioot rondjes.’

Moos is de stoerste en de liefste kater van de buurt. Ik zag hem een paar maanden terug. Hij liep moeizaam, leek steeds om te vallen en strompelde zo zigzaggend over de parkeerplaats. Dat gaat niet goed met hem. Die gaat dood, dacht ik. Maar ik had haast. Het was ochtend en ik moest mijn trein halen.

Ik kon nog net zien dat hij het gat in de schutting van zijn huis nog haalde. Een beroerte dus. Dat had ik gezien. Ik voel me schuldig dat ik het dier niet te hulp was gekomen. Maar wat had ik kunnen doen? Nu mocht hij niet meer buiten komen, vertelt Inge. Hij takelt langzaam maar zeker af. Maar daar is hij ook 17 jaar voor. Lees verder Moos

Kent Kiet de kattenverhalen van Carmiggelt?

De kat Kiet was weg. Een paar dagen had het dier zich niet laten zien in huis. De eigenaresse van Kiet vreesde het ergste. De kreet op facebook klonk in elk geval best verontrustend. De kreet van terugkeer van de verloren zoon, des te harder: ‘HIJ IS TERUG! na drie dagen. hij ziet eruit alsof hij honderd kilo is aangekomen. voorlopig mag hij niet naar buiten. ben nog steeds erg beledigd.’

De discussie die daarna loskwam was niet te stelpen. Ongetwijfeld zou het dier zijn heil hebben gezocht bij de buren en zich vet hebben laten mesten met hele leverworsten, kapitein Iglo’s en andere dikmakers. Al vaker was Kiet van huis geweest en dan rook hij vreemd. De vreemde lucht die hij verspreide deed een aangename date bij de buren vermoeden. Al keerde hij voorgaande keren wel iets eerder terug van zijn tweede huis.

Ik moest onmiddellijk denken aan een kattenverhaal van Simon Carmiggelt.
Het komt uit zijn kattenverhalenbundel Poespas. Overigens bestaat de bundel voor meer dan de helft uit niet-kattenverhalen maar dit terzijde. Ik heb mij de avond van het bericht rot gezocht om het verhaal niet alleen voor de geest, maar vooral voor de letter te halen.

Carmiggelt schrijft over katten die het huis verlaten en een bestaan op straat verkiezen. Hoe deze dieren overleven, is hem ook een raadsel. Tot hij een bezoek aan zijn tante brengt, want dan wordt hem veel duidelijk. Ze toont hem Arnold, het aanloopkatje. Een eufemisme zo blijkt. En dan volgt een beschrijving van Arnold zoals alleen Carmiggelt deze kan geven:

[D]e kater, die zij, zwaar overblousend, in haar handen hield, had de afmetingen van een voldragen kalf. Wat mij trof was de gelatenheid waarmee het dier in de even dwaze als ongemakkelijke houding bleef hangen, zonder ook maar in het minste tegen te stribbelen. De blik die hij mij toezond, was tot de rand gevuld met wijsgerige versterving en het scheen of hij zeggen wilde: ‘Zo, moet jij me ook eens bekijken? Je gaat je gang maar hoor. Mij zal het allemaal een zorg wezen.’ (188)

En het is Arnold een zorg. Als hij maar eten krijgt. Elke ochtend en middag komt hij op exact hetzelfde tijdstip bij Carmiggelts tante langs. ‘Je kunt er de klok op gelijk zetten’, volgens de tante. Als Carmiggelt een paar weken later weer op bezoek is, vraagt hij naar Arnold. Maar daar wil de tante niks meer van weten. ‘Die laat ik er niet meer in.’ Ze was namelijk een keer op bezoek bij een buurvrouw en zag Arnold liggen. ‘Hé, dat is Arnold’, had ze gezegd. ‘Nee, dat is Piet’, kreeg ze als reactie. Piet kwam elke dag, maar dan een uurtje eerder dan bij de tante.

Een onderzoek in de buurt leerde dat Arnold bij meer buren dagelijks visiteerde. De kater leidde een vierdubbel leven en kreeg van allevier de dierenliefhebbers de bons. Het verhaal eindigt zoals eveneens alleen bij Carmiggelt kan:

Later op de middag zag ik hem door het keukenraam nog even over het plat lopen. Hij had de voze tred van iemand die na een overdadig leven tot armoede is vervallen, maar de blik in zijn koude, ronde ogen zei me dat hij wel iets nieuws zou weten op te bouwen. Want tegen cyniek is nu eenmaal geen kruid gewassen. (190)

Het verhaal van de vriendin die haar kat een paar dagen kwijt is en dubbel zo dik terugkrijgt, brengt mij zo even terug in die bundel dierenverhalen van Carmiggelt. Prachtig geschreven, want Carmiggelt geeft de dieren in zijn sterke beschouwingen altijd iets menselijks mee. Hij doet dat zo goed dat je dat niet eens in de gaten hebt. Ik denk ergens zelfs dat Kiet gewoon bekend is met de kattenverhalen van Carmiggelt.

De citaten komen uit Simon Carmiggelt: Louter leugens & Poespas, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1997.