Categoriearchief: jongen

Merelkroost

Heerlijk luisteren naar muziek op een zomeravond. Ik hoor van alles er doorheen tetteren buiten, maar kijk niet. De muzikale beweging telt. Ik geniet en laat me niet afleiden.

Pas laat dringt tot me door wat er eigenlijk gebeurt. De merels voor het huis vliegen gillend rond. Dan valt er opeens een kat uit de klimop naast het huis. Het gegil verergert. Geen houden meer aan.

Ik gooi mijn koptelefoon af en ren naar de voordeur. Als ik buiten sta, zie ik een jonge merel over het pad fladderen. Het diertje poogt op te stijgen, maar voor het goed en wel in beweging is, trekt de grond aan hem.

Wat moet ik doen? Ik roep Inge erbij. Het diertje zit in de bosjes voor het huis. Ik trek aan een tak en het jonge vogeltje schiet alweer weg. Fladderend zonder op te stijgen vindt het een plekje op het fietspad.

Fietsen rijden om het zielige hoopje merel. Het diertje zit helemaal stil op het asfalt. Inge is er nu ook. ‘Pak hem maar op’, zegt ze. Ik durf het niet. ‘Je kunt hem gewoon opscheppen.’ Dan glijden mijn handen onder en over het vogeltje en scheppen het omhoog.

Het snaveltje opent zich in de veronderstelling dat het iets te eten krijgt. Ik heb niks. ‘Nu moeten we het terugstoppen in het nest.’ Ik ga terug naar de klimop. Waar zit in vredesnaam dat nest. Ik kijk door het groen en zie iets zitten. Hoog en net binnen mijn bereik. Of zit het toch iets verder weg?

Lees morgen het vervolg: Ontsnapt

Ouderliefde

image

Merelouders roepen bij mij respect op. Geen vogel die meer ouderliefde lijkt te bezitten dan de merel. Hoe ze hun jongen met hand en tand verdedigen tegen elke vermeende dreiging.

Een nietsvermoedend kauwtje aasde laatst op een smerig bakje waarin een frikandel had gezeten. Het lag op de haag voor ons huis. Hij wilde erheen vliegen, maar moedermerel vond dat hij te dicht in de buurt van het nest kwam.

image

Moeder Getelink vloog het dier gillend aan. Vadermerel dook ineens uit het niets en vloog het kauwtje achterna. Daar in de boom, op meer dan 10 meter afstand van het nest en het frikandelbakje, vlogen ze het kauwtje nog steeds aan.

In deze tijd van het jaar hoor je regelmatig de merels gillen. De snelle hoge kreetjes van de alarmroep moeten vijanden verjagen en de andere oudermerel erbij halen om te helpen de bedreiging te verjagen.

image

Gisterochtend liep ik door het park met de honden en hoorde de hoge alarmschreeuw van de merels. Door het hoge bladerdek zag ik een grote buizerd wegvliegen. Het beest was vele malen groter dan de merels. Zonder gene en met een enorme heldenmoed vlogen ze achter de enorme vogel aan.

Ze gilden als ook mensenouders doen: blijf af. Kom je aan mijn kind, dan kom je aan mij. De buizerd maakte geen schijn van kans. En zo vloog de grote vogel weg. Achternagezeten door 2 merels. De ouderliefde van de 2 getelinkjes was sterker dan deze roofvogel.

image

Jongensgeheimen

20140921_194016De drie verhalen onder de titel Jongensgeheimen behoren tot de mooiste verhalen uit de bundel De vreemdeling in het Palazzo d’Oro. Hier laat Paul Theroux zien dat hij een meester is in het schrijven van korte verhalen. Op een prachtige manier weet hij de weemoed van de jeugd op te roepen.

Het verhaal Shelter vertelt over een jongen die zich terugtrekt in een zelfgekocht tentje in de achtertuin, zijn shelter. Het buurmeisje weet hem hier ook te vinden. Totdat zijn strenge ouders erachter komen. Het is een ontroerend verhaal.

‘Truman komt’ speelt vlak na de oorlog als president Truman een ronde maakt door Amerika met een trein. Het verhaal speelt met zondebesef en het wangedrag van volwassenen waar kinderen onder lijden. Paul Theroux weet een heel weemoedige sfeer op te roepen, net als in het eerder verhaal.

Het derde Jongensgeheim onder de titel ‘Padvinders’ verwijst naar drie jongens die padvinder zijn en het geleerde in het bos in praktijk brengen. Ze blijken erg goede speurders te zijn, ook als één van hen door een vreemde man wordt misbruikt.

Het is een hartverscheurend verhaal waarbij de jongens het kwade bestraffen, maar wat al ver voor de hele discussie rond seksueel misbruik in de katholieke kerk is geschreven. Daarmee geeft het verhaal een heel mooi beeld van de jaren ’50 waarbij veel onder het priesterkleed werd weggemoffeld.

Een verhaal over een onderwerp dat de laatste jaren veel aandacht heeft gekregen. De verteller speelt heel mooi en integer met de schijnheiligheid die het (katholieke) geloof ook weet op te roepen.

Het slotverhaal ‘Slonzinge nimfen’ is eveneens een verhaal van Paul Theroux dat contrasteert tussen ouderdom en de kloof tussen arm en rijk. Een rijke advocaat krijgt best warme gevoelens voor de moeder en dochter die zijn huis schoonhouden. De kloof tussen hen is minder groot dan je aanvankelijk zou vermoeden.

Paul Theroux: De vreemdeling in het Palazzo d’Oro. Oorspronkelijke titel: The Stranger at the Palazzo d’Oro. Vertaald door Theo Hendriks. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2003. ISBN: 90 450 1059 3.

10 januari 1986

image

In 1986 viel 10 januari ook op een vrijdag. Die avond holde ik met mijn vriendje Erik door het centrum van Veenendaal op zoek naar vossen. De vossenjacht was geopend. Het hoogtepunt was de leider van de jeugdclub. Hij droeg een wit laken over zich heen en liep als spook door de Hoofdstraat. We herkenden hem aan zijn sandalen met geitenwollensokken erin.

We eindigden de avond met dankgebed en zongen ‘Wat de toekomst brengen moge’. Daarna zou ik met mijn vriendje Erik en zijn neefje naar huis lopen. Mijn moeder kon mij niet halen en vond het fijn als ik niet alleen over straat hoefde te lopen om 8 uur ’s avonds.

Ze waren mij aan het plagen, renden weg en liepen aan de overkant van de straat. Ik riep ze, maar ze kwamen niet. Huilend liep ik verder en stond bij de speelgoedwinkel voor het raam te kijken. Daar liet Eriks neefje mij heel erg schrikken. Ik draaide om. Het neefje rende lachend weg en ik zag Erik achter een auto wegduiken.

Daar moet het ergens gebeurd zijn, hoorde ik later. Erik kreeg een hartaanval, viel op straat en het neefje rende weg. Pas later werd hij gevonden. De ambulance reed door onze straat met gillende sirenes om hem op te halen. Ik keek met mijn vader naar het laatste staartje van het journaal.

Wat later stond ik bij de deur omdat iemand mijn vader moest spreken. De ambulance reed met gillende sirenes terug. ‘Tjonge, daar is heel wat aan de hand’, zei de meneer. ‘Ja’, antwoordde mijn vader. ‘Het ziet er behoorlijk ernstig uit als ze met de sirene terugrijden.’

Daar lag mijn vriendje Erik in. Ik wist het niet. De volgende morgen was mijn moeder verontwaardigd toen ze hoorde dat ik niet samen met Erik naar huis was gelopen. ‘Ik ga zijn moeder bellen. Dat heb ik niet met hem afgesproken’, zei ze boos. ‘Jullie mogen wel tien jaar oud zijn, maar als hij zegt dat je met hem mag meelopen, dan moet hij dat ook doen.’

Maar ze moest naar de markt en mijn vader had een overleg op mijn school over iets. Ze kwamen ongeveer tegelijk thuis en waren even buiten aan het praten. Mijn moeder kwam witjes naar binnen. Ik speelde met de playmobil samen met mijn broertje en zusje. ‘Er is iets heel ergs gebeurd’, begon mijn moeder. ‘Ga maar even zitten.’ Ik stond op om op de bank te gaan zitten.

‘Erik is overleden’, zei ze nog voor ik zat. ‘Gisteravond. Aan een hartaanval.’ Ik voelde mijn knieën week worden. Het bloed trok uit mijn gezicht weg. Ik liet mij op de bank vallen. Dit kon niet waar zijn. Daarna vroeg ik haar honderd keer hoe het gebeurd was. Ik had hem nog gezien.

Het was aan het begin van de Gortstraat gebeurd, vlak nadat het neefje mij liet schrikken. Hij was teruggekomen, zag Erik liggen en rende weg. ‘Het is maar goed dat ik vanmorgen zijn moeder niet gebeld heb’, zei mijn moeder. ‘Wat was dat verschrikkelijk geweest.’ Ik knikte en werd omringd door honderd vragen. Bewust dat hij er niet meer was.

Vandaag loop ik in het park met de honden. Geniet van het licht dat zo kenmerkend is voor januari. Het lage licht maakt het gras intens groen. De wolken zo duidelijk en helder wit. Het is 10 januari, besef ik. Net als in 1986 een vrijdag. Het is 28 jaar geleden dat Erik stierf, maar die dagen staan op mijn netvlies gebrand alsof het gisteren was.

Ik kom thuis, ga zitten achter de computer en typ: ‘In 1986 viel 10 januari ook op een vrijdag.’

Pubervogels

jong kauwtje bij station almere centrumDe jonge vogels groeien uit tot heuse pubervogels. Zo doet een groot deel van de dag een jonge merel zich tegoed aan de groene en halfrijpe bessen aan onze bessenstruik. Hij gaat dan op de bovenkant van de schutting zitten en ruïneert de bessentrossen. Als er dan een oudervogel voorbij vliegt, begint hij te gillen. Vader merel trapt er regelmatig in. Dan stopt hij het puberjong wat lekkers toe in de vorm van een wormpje.

Op weg naar het station tref ik een jong kauwtje aan. Het dier kan niet vliegen. De vleugels zijn nog stram. Het beestje weet zich geen raad met die enorme fladders. Hij trekt zijn rechtervleugel stijf omhoog en merkt dat het niet meer verder kan. Daarna zwiept hij de vleugel onlogisch naar voren. Het ziet er belachelijk uit.

Ik wil het diertje van wat dichterbij bekijken. Maar zijn ouders kijken argwanend vanaf een verkeersbord naar mij. Alleen voor taxi’s staat op het bord. Als ik van mijn fiets wil afstappen, begint vader te krijsen. Moeder vliegt een bord verder en gilt met vader mee. Verboden te fietsen. Het jonge kauwtje duikt achter de stijl van een raamkozijn. Het diertje houdt zich heel klein en blijft stil zitten tot het kwaad verdwenen is.

Ik stel de lens van mijn fototoestel in en richt de camera op het beestje. De ouders worden nu ongeduldig en beginnen nog harder te krijsen. Dreigend vliegt moeder op en zwiept in mijn richting. De snavel boos naar voren. De ogen schieten vuur. Ik klik snel een onscherp beeld van het diertje en vervolg mijn pad.

Achterste fiets

waar is de fietsstalling gebleven in Leiden?
Een overdaad aan fietsen in Leiden

‘Waar staat hij dan?’ vroeg de jongen aan het meisje. ‘Daar.’ Ze wees naar de fiets die achteraan stond, tegen het hek. Onder de brug zoemde de motor van een bootje. De eerste fiets trok ze weg. ‘O wacht’, zei hij.

Het was te laat. ‘Welke is het dan?’ vroeg hij. ‘De achterste.’ ‘Ik wilde die voor je pakken door er overheen te klimmen’, zei hij onhandig. Het was onmogelijk de fiets zo uit de rij te halen.

Ik dacht terug aan het stationsplein bij Agrigento. De auto’s stonden tegen elkaar gedrukt. Niemand kon daar bij. Als je daar als eerste ’s morgens vertrekt, moet je als laatste ’s avonds terugkomen. Anders moet je lang wachten tot je auto bereikbaar is. Dat concludeerde ik op basis van de enorme massa auto’s, die tegen elkaar gedrukt stonden.

Pas later hoorde ik hoe het werkte. Er lopen daar jongens rond die als baantje de auto’s voor je wegzetten en ophalen. De regel: de auto van de handrem en de deur openlaten. Zo halen ze jouw voertuig uit de massa. Als je als eerste gekomen bent, kun je ’s avonds ook als eerste vertrekken.

De jongen boog zich over de fietsen en probeerde haar fiets los te sjorren. Het lukte niet. Ze had de derde fiets al in haar hand en schoof door naar de volgende fiets. Zo kreeg ze hem te pakken. Het mandje aan het stuur schudde er een beetje van. Het hek stond weer vrij. De fietsen die ze had losgemaakt, kwamen weer een eindje verder op het voetpad.

De jongen liep met ze op, sprong over een paar fietsen heen en haalde zijn exemplaar zo los. Het stalen ros hees hij zo de lucht in en hijskraande hem zo over de fietsen heen. ‘Dat bedoel ik’, zei hij tegen het meisje. Ze bloosde. Hij kon zo aan de slag hier. Als fietsjongen.