Categoriearchief: hardloper

Bellenblazer

image

Ze stapte van haar fiets en ging op het bankje zitten. Iets wat ze altijd deed op zo’n middag als deze. Ze boog heimelijk naar haar fietstas. Achterin lag haar handtasje. Daar zat het verstopt. Het potje zeepsop.

Ze ging zitten blies de lucht voor zich uit en zag de bellen denkbeeldig uit haar getuite lippen vliegen. Eerst rechtte ze haar bril en tuurde het fietspad af in de richting van het tunneltje. In de verte liep een hardloper haar tegemoet. Hij kwam net het tunneltje uit. Ze schroefde het potje open en zag hoe bovenop het bellensop haar al begroette.

Ze gleed met het puntje van haar tong over de lippen, tuitte de lippen goed en schoof haar benen over elkaar. Het rokje sloot strak om haar bovenbenen. Elke vorm van inkijk was uitgesloten. Zoals haar benen tegen elkaar drukten, zo vatten haar duim, wijsvinger en middelvinger het stokje met de cirkel aan het einde. Daar ging hij in het sop vooronder.

Ze trok behendig het stokje uit de zee van bellen. Een straaltje sop droop naar beneden. Ze hield het stokje net iets voor haar benen. Zo voorover gebogen tuitte ze haar lippen nog meer en blies. Ze blies bellen. De bellen van goud kropen traag uit de ring. Ze blies ze groter. De eerste liet los. De tweede volgde.

Ze keek in de bellen, haar eigen gezicht vervormde. De bril leek groter. Net als haar voorhoofd. Het haar was verder  naar achteren. Terwijl ze het vanmorgen zo zorgvuldig gekamd had. Devoot zat ze erbij. Alsof elke bel een dierbare uitdrukte die er niet meer was. De tijd vloog met de bel. De wind nam haar mee.

De hardloper sjokte voorbij. Vermoeide ogen keken haar aan. Hij kon helemaal niet zo’n eind lopen. Ze keek hem niet aan, tuurde in de richting van het andere fietspad op deze kruising. Daar dreven haar bellen. Ze doopte het stokje in het potje.

De hardloper rende verder en nam haar verhaal mee zoals de bellen van haar dreven op de wind.

Regen

De regen stroomt naar beneden. Een douchekop zou jaloers zijn op de sterkte van de vochtstralen. Ik ren een rondje, meen dat de buienradar vertelde dat het even droog zou blijven. De regen is niet koud, maar trekt mijn shirtje naar beneden.

Een brommertje rijdt voorbij en gutst het water van het fietspad omhoog. Een emmer water wordt tegen mijn lijf gegooid. Mocht nog iets droog zijn gebleven, dan is het nu nat. De brommerrijder is ver genoeg uit zicht om te schelden. Terwijl hij waarschijnlijk gniffelt vanachter het glas van zijn helm.

Het stroomt verder en de rit nadert bijna zijn einde. Zelden ben ik zo natgeregend. Ik zie natte hardlopers mij tegemoet lopen. Zelf hobbel ik achter een meisje aan bij wie het water een stroompje vanaf de paardenstaart naar beneden vormt.

En het kan nog harder regenen. De stof om het lichaam kan niet meer water opzuigen. De spons zit vol. Het haar doorweekt. Alsof het niet meer zal ophouden. De fietspaden vormen plassen water waarbij je van eiland naar eiland springt. De regen valt in een douche naar beneden. Ik zie geen verschil meer tussen droog en nat.

Hollen op een bijna zomeravond

image

Het vooruitzicht van regen dwingt mij vanavond naar buiten voor een hardlooprondje. Heerlijk een rondje hollen op een bijna zomeravond. Het blijft lang licht en de lucht verkleurt fantastisch bij de zon die steeds verder zakt.

Als de zon zich al achter de bomen van de bosrand verstopt, krijgen de bladeren hun donkergroene kleur. De kleur die de bladeren straks aan het eind van de zomer hebben. De zon speelt met de boomkruinen van het bos aan de andere kant. De korenaren op de akker voor de bosrand wuiven zachtjes mee op de zonnestralen.

Dan hol ik langs het koolzaadveld. De zonneschijn van zojuist kleurt in dezelfde spikkeltjes tussen het groen. De bloemetjes zijn nog klein en kleuren het veld nog niet in de herkenbaar gele kleur. Ik hol verder en kijk nog even naar die prachtige lucht. Zo’n kleurenpracht dat de meest kunstige schilder dat niet kan evenaren.

Follow the leader

imageEen caravaan fietsers klimt omhoog. De helling brengt ze ter hoogte van het station. Het fietspad loopt evenwijdig aan de spoordijk en klimt hier omhoog over het stationsplein. Een flinke klim, zeker voor een fietsgezin. Vader rijdt voorop, 2 kinderen volgen, een gat in de rij. Dan komt de puberdochter. Hekkensluiter is moeder. Haar fietstassen achterop markeren het einde van de rij.

Ik loop hard. Ze halen mij in. Traag omdat ze klimmen. Vader rijdt overtuigd vooruit. De zekerheid straalt van zijn rug. De 2 kinderen volgen gedwee. Als dochter de kruising voor de klim passeert, komt de muiterij. ‘Moeten we niet afslaan’, gilt ze naar haar vader die al 100 meter verder rijdt. Hij nadert het hoogstepunt van de klim. De rug antwoordt.

Moeder heeft geen zin in gezeur. ‘Rij maar gewoon door, achter hem aan. Hij weet het wel. Follow the leader.’ ‘Maar het is verkeerd’, zegt de dochter. ‘We moeten er hier af.’ ‘Nee’, zegt moeder stellig. ‘Je vergist je. En zo komen we er ook.’

Zo stijgen de hekkensluiters ook. Gedwee achter de leider aan.

Hardlopen in het donker is leuk

Hardlopen in het donker vinden veel hardlopers niet leuk. Ze rennen een beetje in het pikkedonker door een landschap die ze niet zien. In de herfst- en wintermaanden is hardlopen sowieso een beproeving. Je wilt je conditie toch een beetje op peil houden, maar leuk is een ander woord.

Ook biedt de kou weinig inspiratie voor de hardloper. Als het dan ook nog eens vriest en de paden spekglad zijn, is het gauw afgelopen.

Toch is het erg lekker om in het donker te hollen. Zo liep ik laatst op het moment van zonsondergang mijn rondje door het Kromslootpark. De schapen keken verbaasd in mijn richting. Ik had het mijnwerkerslampje op mijn hoofd geklemd en liep door het vallende duister. De zonsondergang tegemoet.

De kleuren vermengden zich prachtig en verschoven langzaam in het donkerblauw van de avond. De koude lucht blies tegen mijn lichaam. In volstrekte eenzaamheid liep ik daar in het duister. Sommige vrouwen vinden het eng om te hardlopen in het donker. Ze zijn bang verkracht te worden. Een vreemde angst. Ook omdat ik niemand tegenkwam. En mannen hoeven blijkbaar niet bang te zijn voor verkrachters.

Voor mij doken niet plotseling vrouwen op die hun jas open ventten. Alleen verschenen 3 reeën tegen de bosrand in de avondschemering. En ik hoorde heel even niets. Helemaal niets. En ik zag verder niets. Alleen de koude novemberavond.

Konijnenbout


De konijntjes schieten weg als ik bij het Muiderstrand kom aanlopen. Soms zitten er hele jonge bij. Ze huppelen vlak langs mijn voeten de bosjes in. Kleine gaatjes tussen het lage struikgewas vertellen de verstopplekjes. Als ik voorbij ben, springen ze even snel weer op het fietspad.

De honden zijn de blauwalg ontvlucht. De baasjes eveneens. Soms fietst een wielrenner voorbij. Verder gebeurt hier weinig. Zeker als de lucht dreigend zijn donkere vuist opsteekt in de vorm van een grijze wolk.

Ik ren verder. In de bosjes zitten een paar kraaien. Hun spitse snavels verraden dat het echt kraaien zijn en niet hun kleinere neefjes, de kauw. 1 kraai hakt flink op de grond, trekt iets omhoog en beweegt zijn snavel snel om het naar binnen te werken. Het ziet eruit als vlees.

Hij vliegt op als ik wel heel dichtbij kom en kijkt me met een spijtige blik aan. Hier was iets moois aan de gang. Ik kijk in het gras, vlak voor een kleine opening in het lage struikgewas. Hier ligt een klein konijntje half opgepeuzeld.

Het vlees blinkt vers. Het oogt alsof het zojuist panklaar is gemaakt door de slager en in de toonbank is gelegd. Alleen het prijskaartje ontbreekt. En de vacht bovenin de verse konijnenbout verraadt dat het een zojuist veroverd konijntje is. De spieren van de been worden juist opgepeuzeld door de kraaien.

De kraai die van een afstandje toekeek, ziet nu genoeg kans. Ik ben ver genoeg voorbij de plek des onheils om toe te slaan. Hij vliegt op de malse konijnenbout en begint even enthousiast op het vlees te hakken. Tot een luide kraaienschreeuw hier een einde aan maakt. De door mij verjaagde kraai, grijpt zijn maaltje weer terug en geeft zijn soortgenoot een flinke haal.

Zo gaat dat met lekkere maaltjes. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt.