Categoriearchief: almere centrum

Dodelijke val

image

De wind slaat in het gezicht als ik de hoek om fiets bij het station. Ik rij net uit de tunnel bij het station, naast het busstation en krijg de wind van voren. De hoge gebouwen achter het station van Almere maken een windtunnel waardoor elk briesje in een storm verandert.

De zon schijnt net door een gat in het wolkendek en ik tuur over het vrij lege plein. Iets verderop rijdt een vrouw in een scootmobiel. Ze draagt een lichtgevend vestje. Naast haar loopt een andere vrouw, ze houdt het wagentje met een hand vast.

image

Ineens valt iets uit de lucht. Het wordt half meegenomen door de wind maar komt hard naar beneden. Het schiet door de lucht voor mij. Er klinkt een doffe smak. Ik kijk goed en zie een duif liggen. Het dier beweegt niet.

De dame naast de scootmobiel snelt toe. Ze kijkt verbaast omhoog. ‘Hij viel zo uit de lucht’, zei ze. Misschien een hartaanval gehad of zo. ‘We moeten iets doen’, roept de vrouw in het wagentje. ‘Er valt niets te doen’, zeg ik. De andere vrouw is bij de duif. ‘Ik leg hem aan de kant. Anders rijden er mensen overheen.’ Ze pakt het dode dier op. De nek bungelt omlaag. De pootjes staan omhoog. Er loopt een straaltje bloed uit de nek.

image

Als ze weg zijn, maak ik snel een foto. Dat dit dier hier zomaar uit de lucht viel. Het regende vogels, las ik vorige week. Dit is wel een heftige vorm van regenen. Wat als je zo’n beest voor de kop krijgt, denk ik. De wind streelt in het gezicht.

Ik maak nog een foto van de hemel. ‘Mooi hè dat dat allemaal ken vanuit zo’n klein gaatje’, roept een man die langsfietst. Hij ziet de vogel niet liggen. Zijn vrouw rijdt naast hem en giechelt. Hij probeert een lolletje te slaan uit de fotograaf van vallende vogels. En slaat de hoek om. Veilig uit de wind, onder de tunnel van het station door.

image

Thuis vertel ik het verhaal over de vallende duif. Inge kijkt aandachtig naar de foto op mijn mobieltje. ‘Een vogel valt niet zomaar uit de lucht. Die is aangevallen door een roofvogel.’ Ze wijst naar de pennen die uit de kop steken. ‘Dat gebeurt echt niet als hij zomaar uit de lucht valt. Een roofvogel heeft hem te pakken gehad en per ongeluk laten vallen.’

Het zou best kunnen en ik denk aan de twee vrouwen die het diertje wilden begraven. Ze dachten ook dat de duif zomaar uit de lucht viel. Dat het diertje prooi was van een roofvogel, zou het allemaal nog erger gemaakt hebben. Een dood zomaar is toch minder erg dan een moord door een roofvogel.

image

Lekke band

image

Ik kom met een tas vol boodschappen terug bij mijn fiets, maak het slot los en pak hem bij het stuur. Ik voel het meteen: lekke band. Balen, want ik heb het koud en voel de wind langs mij gaan. Nou moet ik ook nog naar huis lopen.

Rustig loop ik naar huis, de tas op de bagagedrager hou ik goed vast. Gelukkig is het droog en ik laat de boosheid meenemen door de wind. Nog even een foto van de zon en ik kan er weer tegenaan.

Maar mijn handen voelen koud en het is eigenlijk best een aardige tippel. Als wat verderop ook nog eens een buitje over me heen komt, baal ik weer.

Ik zet de fiets tegen de schuur en laat hem daar even lekker staan. Als ik later die middag genoeg moed bij elkaar heb, durf ik weer naar mijn fiets te kijken. Dan zie ik de oorzaak: tegen de zijkant van de band drukt een punaise in de band.

image

Dat kan niet van de straat zijn, maar moet bewust erin gedrukt zijn. Wat een hufters! Zeker als ik de band licht en ontdek dat naast het gaatje nog een gaatje zit. Ze hebben er dus ook nog eens meerdere keren in geprikt. Hoe bestaat het!

En ik vraag me af wat er nou de lol aan is. Zouden ze nu zitten gniffelen achter een marktkraam of zouden ze plezier hebben bij het prikken van de punaisepunt in mijn fietsband?

Ik begrijp het niet, want ik heb een halfuur werk aan hun lolletje van hooguit een halve minuut.
image

Nachttrein

nachttrein-in-amsterdam-centraalHij zwalkte over het perron, tikte tegen de trein en schoot dan een eindje van de trein af. Iets verderop herhaalde zich dit. De onzekere loop verried dat hij gedronken had. En niet zo’n beetje ook. De kegel rook je in een flinke straal om hem heen.

Hij stopte bij een deur van het treinstel, zette het zakje van de Albert Heijn to go op de opstaptrede en zoog aan zijn sigaret. De andere arm lag gebonden in het gips. Hij streelde met zijn vrije hand over het gips en glimlachte. Of het de pijn of juist de verdoving was, wist ik niet. We liepen hem voorbij en stapten een deur verder het treinstel in.

We installeerden ons op de bovenverdieping van de dubbeldekker. Het fluitsignaal voor vertrek klonk. Ik vertelde Doris over de nachttrein die ik een paar dagen eerder uit Amsterdam Centraal zag vertrekken. De slaaptrein ging gelijk met mij op. Ik had de mensen achter de raampjes hun bedden zien opmaken en dacht terug aan de vele treinreizen naar Oostenrijk, Oost-Duitsland, Hongarije en Tjechië.

Nu haalde de intercity naar Utrecht ons in. De dubbeldekker ging aanmerkelijk sneller op het parallelle spoor. Onze wegen scheidden bij het station Muiderpoort. De stationshal vormde een verkleinde versie van het Amstelstation. Ik tuurde de ruitjes in, maar we gingen te snel om iets te zien van het kunstwerk aan de wand.

Bij Almere klonk de omroeper. ‘We naderen station Almere Centrum, het eindpunt van deze trein. Vanwege werkzaamheden rijdt deze trein niet. Reizigers die verder willen, moeten overstappen op de bus. Vanaf Oostvaarders kunt u de trein weer nemen.’

We stapten even later met de andere reizigers uit. Voor de deuren drongen andere reizigers die de trein terug naar Amsterdam en Vlissingen wilden nemen.

We liepen langs de raampjes en ik zag de dronkaard zitten. Zijn knieën opgetrokken tegen de stoel voor hem. Hij hield de gipsarm omhoog en staarde met dezelfde glimlach naar de blauwe gipsarm. Pas bij zijn vingers hield het gips op. Ik vroeg me af of hij de grimas trok van de pijn of de alcoholische narcose.

We daalden af naar de stationshal. Helaas zonder zo’n mooi schilderij als in het Amstel- of Muiderpoort-station. De deuren van de trein gilden hun hoge fluitje. De trein was klaar voor vertrek. Terug naar Amsterdam met als keerpunt Vlissingen.

Maaslijn

lunchen in de trein

De treinkaartjes lagen als sinds begin september in de la. Ik wilde dit najaar namelijk dolgraag gebruik maken van een rondrit per spoor door Nederland voor 17 euro p.p. Door persoonlijke omstandigheden lukt dit voornemen niet, maar gisteren kwamen Doris en ik al heel aardig in de buurt: we reden tot aan Venlo.

De werkzaamheden zorgden ervoor dat het een weekend eerder niet lukte. Afgelopen weekend reden er eveneens minder treinen omdat bij Schiphol aan het spoor gewerkt werd. Voor ons pakte dat juist gunstig uit. De intercity’s van Schiphol naar Eindhoven en Nijmegen hadden hun begin- en eindpunt op Almere Centrum.

Zo konden we de heenreis blijven zitten tot aan Eindhoven en namen daar de trein naar Venlo. De enige trein die reed, was een stoptrein. De uitgelopen werkzaamheden bij Helmond zorgden daarvoor. Maar dat deerde niet.

Vanaf Venlo namen we gelijk de trein naar Nijmegen. Deze spoorlijn heet de Maaslijn of Heilige lijn. De Nederlandse Spoorwegen heeft sinds 2006 het vervoer overgedragen aan Veolia. Ik was even bang dat dit roet in het eten zou gooien. Gelukkig ontdekte ik bij het checken van het kaartje op internet, dat de kaart ook geldig is bij deze vervoerder.

Ik wilde heel graag over de Maaslijn rijden. Het is een van de mooiste spoorlijnen van Nederland. Eenmaal eerder reed ik over deze bijzondere lijn. Als puber reed ik er met mijn tienertoerende neefjes. Ik herinnerde mij een prachtige spoorlijn met veel bos en bijzondere vergezichten.

De spoorlijn ligt inderdaad in een prachtig gebied en doorkruist een aantal keer mooie bossen en natuurgebieden. Na het verdwijnen van de lijn van Nijmegen naar Kleef en de kruising met de spoorlijn van Boxtel naar Wesel, verdween ook het belang van de Maaslijn. Nu is de lijn een regionale zijlijn, maar met 18.000 reizigers per dag wel de drukste regionale spoorlijn.

Dat merkte ik gisteren ook. Elk station nam het aantal reizigers toe. Ze kwamen naar binnen met fietsen en grote koffers. Met een kind mee, ontdekten we al snel dat dit treinstel bijzonder praktisch is ingericht. De stoelen kunnen overal worden opgeklapt. Wel zo vriendelijk voor reizigers. In de buurt van Nijmegen zagen we hardlopers de Zevenheuvelenloop hollen.

In Nijmegen stond de intercity naar Almere Centrum al klaar. Het was heerlijk. De regen van de ochtend had plaatsgemaakt voor een heerlijk zonnetje. We deden nog een spelletje voor onderweg. En genoten nog eens extra van het landschap, het meegenomen snoep en de zonnestralen.

Ssst… Stiltezone

image
Ssst... Dit is een stiltezone

Grote gele stickers midden op de ramen vertellen het: Ssst… Dit is een stiltezone. Mensen kunnen zich hier verzinken in een rustmeditatie voordat ze naar het werk gaan. De stickers moeten de laatste verwarring tegengaan. De trein rijdt weg. De regen slaat tegen de ramen. Verder is het stil. Zoals het hoort.

We rijden in volle vaart langs de Libelle Zomerweek. Op de terugweg zal de trein hier weer stoppen. Zelfs de intercity stopt hier. Dan hebben we het volle uitzicht op de wachtende menigte. Nu raast hij het tijdelijk station voorbij.

Een Chinese man loopt de stiltezone binnen. Hij telefoneert. Met uithalen snijdt zijn stem door de stilte. Ik hoor een paar keer ‘schiphol’ in zijn verhaal. De stem aan de andere kant van de lijn tettert schel terug. Hier is weinig stilte. Ongemakkelijk, draaien de studerenden en lezers op hun stoelen. Iemand wijst naar de sticker. Maar de man ziet het niet. Hij vervolgt opgewonden zijn betoog aan de telefoon.

Plotseling houdt hij op en drukt op zijn mobieltje. Uit zijn zak vist hij oordopjes en duwt ze in zijn oren. Er klinkt hard getik uit de dopjes door de stiltezone. Teneergeslagen werpen de anderen hun blik weer in krant, boek en smartphone. Stilte is een relatief begrip, zeker als het een concept van de spoorwegen is.

De dag na Koninginnedag

image
Paardrijhelm achtergelaten van de vrijmarkt de dag na Koninginnedag in Almere

De vroege ochtend na Koninginnedag. De straten zijn uitgestorven, maar de zon komt toch op. Uitgerekend op de Dag van de aArbeid ligt Nederland laveloos in bed. Bij te komen van het feestgedruis van een dag eerder.

Ik fiets naar het station. Voor mij is het een gewone werkdag. De zon verstopt zich achter de hoogste gebouwen. Hij geeft ze een gouden randje. Ineens koekeloert hij tussen de 2 gebouwen door. Wat een ochtend. De lucht kleurt regen. De straten zijn nat.

Bij het station ligt voor de plantenbakken een kat. Een vreemde plek voor een kat. Als ik wat dichterbij kom zie ik dat het helemaal geen kat is. Het laat zich nog niet snel raden. Pas als ik bijna tegen de plantenbak rijd, zie ik het. Het is een paardrijhelm. Blijven liggen van de vrijmarkt.

Wat verderop ligt een touw op straat. Hier en daar een blikje maar verder ziet het er al keurig opgeruimd uit. Een veegwagen rijdt mij blazend voorbij. De bezems schuren over de natgeregende straten.

Ik stal mijn fiets en ik loop naar de stationshal. Voor mijn neus stopt een auto. Een meisje stapt uit de auto. Het gezicht nog zwaar opgemaakt van een dag eerder. Ze trekt haar korte rokje naar beneden. De haren door elkaar. De volle benen goed gebruind.

Een ander meisje zit nog in de auto. Ze perst zich los tussen de voorstoel en achterstoel. Ze zoent de bestuurder. Als ze zich uit de kleine auto heeft geperst, trekt ook zij haar korte rokje recht. De haarlak van een dag eerder heeft het haar alleen maar meer verward.

Terug van een leuk feestje en bijbehorende nacht vallen duidelijk uit de toon met de chagrijnig kijkende forensen. Zij nemen ook de roltrap naar het andere perron waar de treinen richting Lelystad vertrekken.

Op een leeg perron wachten ze en zien hoe de trein naar Amsterdam het overliggende perron binnenrijdt. De opkomende zon in de rug vertrekken de forensen. De meisjes zwaaien opgelaten van een feest en een nacht. Geen forens ziet het. Ze turen in de gratis krantjes en lezen dat het een rustige Koninginnedag was. Zelfs de treinen reden.