Bill Bryson loopt in Amerika – Leestip

Terug in Amerika van Bill Bryson is hét ideale wandelboek. Wat heb ik genoten van dit boek. Voor mij is deze vertaling van A Walk in the Woods het beste boek van deze Amerikaanse schrijver.

De ik-verteller en hoofdpersoon Bill Bryson komt in dit boek op het lumineuze idee om het beroemde langeafstandspad over de Amerikaanse Appalachen te gaan lopen. Hij loopt namelijk in de omgeving van zijn nieuwe huis en ontdekt dat praktisch in zijn achtertuin een deel van deze route loopt. Het gaat om een pad van Georgia tot Maine dat meer dan 3400 kilometer lang is.

Op en top Bill Bryson

Het is een op ten top verhaal van Bill Bryson. Dit pad wil hij gaan lopen. Meteen na deze ontdekking koopt hij boeken over dit onderwerp. Hij stort zich helemaal in de geschiedenis van dit pad en natuurlijk over alle gevaren die je onderweg tegenkomt: beren, verschrikkelijke ziektes die je kunt oplopen of overvallen worden door een sneeuwstorm.

Alle ingrediënten voor een prachtig verhaal, maar het mooiste moet nog komen. Wat dacht je van de metgezel die Bill Bryson zoekt. Niemand wil met hem mee, tot zich een oude jeugdvriend van hem aandient: Stephen Katz. Niet Bill Bryson heeft hem gevraagd, zijn oude vriend uit Des Moines belt met de vraag of hij het aan zou kunnen. Bij gebrek aan beter, gaat Bill Bryson maar met hem in zee.

Je weet hoe laat het is

Is dat allemaal wel zo verstandig? Katz is net van de drank af, heeft duidelijk overgewicht en geen enkele conditie om een tocht als deze te maken. Het belooft een geweldig verhaal te worden, zeker als Katz zijn entree maakt in het verhaal. Wat een man. De verteller weet hem prachtig neer te zetten. Je weet als lezer meteen wel hoe laat het is.

De afgelopen drie jaar had hij zich toegelegd op zich keurig gedragen en – zoals ik meteen zag toen hij met gebogen hoofd uit het vliegtuig stapte – het cultiveren van een buikje. Katz was verrassend dikker dan de laatste keer dat ik hem ontmoette. Hij was altijd al wat mollig geweest, maar nu deed hij denken aan Orson Welles na een zeer zware avond. Hij hinkte een beetje en hijgde meer dan nodig na een wandeling van nog geen twintig meter.
‘Man wat heb ik een trek’, zei hij zonder inleiding en liet me zijn weekendtas overnemen, die mijn arm met een ruk naar beneden trok. (32)

Dit belooft een prachtige tocht door de wilde natuur van Amerika te worden. Een langeafstandspad dat 3400 kilometer door onbewoond gebied gaat. Waar de wilde dieren leven en waar het ’s nachts erg koud kan worden. Je bent vooral op jezelf aangewezen en de loodzware rugzak op de rug gaat je op een gegeven moment echt nekken.

Meemaken en beleven

Dat ontdek je ook in het prachtige verhaal van Bill Bryson. A Walk in the Woods is een verhaal dat echt de belevingen bevat die je meemaakt op zo’n trektocht door de bergen. Natuurlijk kan alleen Bill Bryson dit soort dingen meemaken en beleven. De eerste dag door de bergen, raakt hij zijn metgezel al kwijt. Katz blijkt alles uit zijn rugzak te hebben gegooid. Te zwaar. Zelfs het kostbare water heeft hij weggegooid. Hoe moet het dan met het water? Onontbeerlijk. Dat is vragen om problemen.

En zo stort het verhaal zich verder langs de diepte van de ravijnen in de Appalachen. Want dat is onovertroffen in het boek van Bryson. Die machtige bergen. Ze mogen dan de oudste bergen ter wereld zijn, ze hebben onbetwist net zoiets moois als de Alpen of andere onstuimige gebergten. De schoonheid van deze wildernis verwoordt Bryson op een overtuigende manier en met liefde voor de natuur.

Zijn metgezel is van een heel andere orde dan bijvoorbeeld de gokker en oud studiegenoot van Redmond O’Hanlon als hij de amazone in trekt. Voor mij symboliseert Katz de medereiziger die je als trekker onmiddellijk herkent.

Oproepen herinneringen

Ook ik ben eens met een vriend gaan fietsen door de Ardennen. Het lezen van A Walk in the Woods roept al die herinneringen – waarvan ik dacht dat ik ze verdrongen had – meteen weer op. Dan zie ik in de Katz de jongen die met een groot kussen op het station stond, maar die geen fiets bij zich had. Terwijl we toch echt op fietsvakantie gingen naar de Ardennen.

Dat Katz de onhandige zou zijn bij zijn trektocht door de Amerikaans Appalachen zou echt teveel eer zijn. De ik-verteller kan er ook wat van. Gelukkig bedient Bryson zich van genoeg zelfspot. Hij weet hierbij heel goed op de lachspieren te werken. Wat een beschrijvingen van situaties. Het is bijna elke bladzijde wel een moment waarop hij de onhandigheid van zichzelf of zijn medetrekkers beschrijft.

Takjes en gedroogd bloed in haar

Exemplarisch is het gedeelte als de ik-verteller zit te wachten op zijn vriend. Als Katz dan eindelijk verschijnt, heeft hij takjes in zijn haar, een spoor van gedroogd bloed op zijn voorhoofd en loopt er een grote scheur door zijn gehavende T-shirt. Verontwaardigd vraagt Katz hoe Bill toch in vredesnaam die enorme omgevallen boom heeft weten te omzeilen.

Boom? Welke boom? Het zegt Bill Bryson niks. Een grote omgevallen boom die je echt niet kan zijn ontgaan, volgens Katz. Stomverbaasd is hij over de wezenloze blik die hij terugkrijgt van zijn vriend.

‘Bryson, ik weet niet wat jij hebt gebruikt, maar ik wil er ook wat van. Die boom was te hoog om eroverheen te klimmen en te laag om eronderdoor te kruipen, en je kon er met geen mogelijkheid om heen. Het heeft me een halfuur gekost eroverheen te klauteren, waarbij ik me van alle kanten verwond heb. Hoe kun je je dat niet herinneren?’ (101)

Een prachtige passage, die zich helemaal voor je ogen afspeelt. Hier hoef je enkele moeite te doen om het voor je te zien. Net als dat de verteller het zo mooi onopgelost laat. Het is elk een eigen waarheid, waarbij je als lezer niet weet wat er precies is voorgevallen. Uitermate sterk. En als ik vertel dat er in Terug naar Amerika alleen maar dit soort passages zitten. Dan begrijp je wel dat het boek een feest en een gniffel is om te lezen.

Elke trekker aan zijn trekken

Iedere trekker herkent zich in dit werk. Het gaat niet alleen om metgezellen, maar ook om de mensen die je onderweg tegenkomt. Zo is de dame Mary Ellen exemplarisch. Ze doet heel stoer over haar verrichtingen en meent dat de heren veel te dik zijn voor deze trektocht door de bergen. Als ze dan na een paar dagen met haar te zijn opgetrokken, aan haar weten te ontsnappen, worden ze onmiddellijk geplaagd door een schuldgevoel.

Het zijn prototypes van mensen die je onderweg tegen het lijf loopt. Compleet met de werking op je eigen gemoed die dit soort situaties bij je als wandelaar oproepen. Je kunt je helemaal voorstellen hoe Bill en Katz zich voelen. Dat weet Bill Bryson in zijn reisboek overtuigend over te brengen. En het comfort voor je als lezer. Heerlijk al die ontberingen die zich aan je voorbij trekken terwijl jij gewoon lekker op de bank zit of in bed ligt te lezen.

Bill Bryson: Terug naar Amerika. Oorspronkelijke titel: A Walk in the Woods. Vertaling: Servaas Gordijn. 2e druk. Amsterdam: Uitgeverij Eldorado, 2007 [1998]. 302 pagina’s. ISBN: 978 90 471 0025 6. Prijs: € 15. Bestel.

Afscheid nemen – Sientje (67)

Daar zaten we te wachten in de wachtkamer bij de dierenarts. Ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel. Sientje wilde niet gaan zitten en bleef ijsberend lopen aan de riem. We kregen haar niet op het gemak. Natuurlijk voelde ze het. Net als dat wij gespannen waren over wat dadelijk zou komen.

Iets verderop zat een man met een jonge pup. Het diertje trok in Sientjes richting. ‘Zo dat is een ouwetje’, zei het baasje. ‘Ja, we nemen vandaag afscheid van haar’, antwoordde Inge. ‘Zo verdrietig’, zei de man. ‘Heb ik vorige maand ook moeten doen met mijn labrador.’ Nu sprong een jonge hondje tegen zijn been op. Hij vroeg om een beetje aandacht, beloond met een aai over zijn bol.

In de wachtkamer

Iemand kwam uit de kamer van de dierenarts. Een hond aan de riem. Of hij wilde betalen bij de receptie. Hij maakte stampij over de laatste rekening van zijn kat, die in zijn ogen te hoog was. ‘Maar meneer, dit hebben we allemaal gedaan met uw kat.’ Daarna kwam een lang verhaal over zijn kat van wie hij afscheid had moeten nemen. Iemand anders kwam naar binnen en vroeg van wie die auto was die de weg blokkeerde. De man die stampij maakte, rekende af en liep boos weg om zijn auto weg te rijden.

Wij waren aan de beurt. Ik kreeg Sientje niet mee en trok voorzichtig aan de riem. Het lukte niet. Ze wilde niet mee, daarom pakte ik haar maar op. Het was een jonge dierenarts die ons hielp. In haar witte jas luisterde ze aandachtig naar het verhaal dat wij vertelden. Ik had Sientje op de grond gezet.

Loslaten

Ze wilde lopen, trok aan de ketting. ‘Laat haar maar los hoor’, zei de dierenarts. Terwijl ik onze hond op de grond zette, keek ze naar Sientje die rondjes om de tafel liep. De rustige stappen klonken op de plavuizen. Ik dacht even aan de pootjes die bij ons in Almelo op de vloerbedekking klonken.

De dierenarts concludeerde ook dat het tijd was. ‘Maar u kunt dat het beste beoordelen’, zei ze. ‘Wat ik zo zie, is ze echt in de war. Ze kan geen rust vinden. Elke hond stopt na een tijdje met lopen, maar zij blijft uitdrukkingsloos rondjes lopen.’ Ze vroeg wanneer we haar wilden laten inslapen. ‘U kunt haar nog even mee naar huis nemen voor het afscheid.’ ‘Nee’, zei Inge. ‘We hebben de afgelopen week al afscheid genomen.’

Foto’s gemaakt

Ik dacht terug hoe ze een dag geleden nog op de bank lag. Ik had er nog foto’s van gemaakt. Nog steeds kan ik er niet zo goed naar kijken. Ze ligt te slapen in het voorjaarszonnetje. De ogen open, maar zonder uitdrukking. Ze ziet er ontzettend pluizig uit. De vacht is dof. Het leven is eruit. Ze wacht op het moment dat ze kan sterven.

De dierenarts haalde de spullen voor de handeling. Ze legde geduldig uit hoe het proces zou verlopen, terwijl ze met haar buik tegen de behandeltafel aandrukte. ‘Eerst krijgt ze een spuitje met een slaapmiddel. Als ze slaapt, krijgt ze de uiteindelijke injectie. Dat verlamt het hart. Ze zal langzaam doodgaan. Het kan wel enkele minuten duren.’ Ik zette Sientje op de tafel. We gaven haar allemaal een knuffel. Doris keek aandachtig naar alles. Ze wilde er per sé bij zijn.

Langzaam in slaap vallen

Het begon met de eerste injectie. Ze lag rustig terwijl wij haar streelden gaf de dierenarts haar het spuitje. Haar ogen draaiden, ze viel langzaam maar zeker in slaap. Wij aaiden haar verder. Ze was goed weg. De dierenarts wachtte nog even waarna ze tweede spuit klaarmaakte. Er stond een gele sticker met een doodshoofd op het flesje. Gevaarlijk. Het gevaar werd in Sientje gespoten. ‘Het kan nog wel even duren’, zei ze erbij.

Haar adem vertraagde in haar slaap. Nu trok het zojuist ingespoten middel door de bloedbanen van onze teckel. Het einde naderde. Ze hoefde nu niet meer op de dood te wachten. We hielpen haar een handje. Ik dacht aan mijn schoonmoeder. Een hond is beter af dan een mens, vond zij. Misschien had ze wel gelijk. Het was genoeg geweest. Ik voelde de neus. Er stroomde nog een vleugje adem door de neus. Maar de onrustige ademhaling van eerst, werd rustiger en vlakker. Nog even en het hield helemaal op.

Sterretje

Het ging snel. Sneller dan gebruikelijk, zei de dierenarts. Ik voelde de tranen wellen in mijn ogen. Doris vroeg of Sientje nu ook een sterretje werd. Inge vertelde de dierenarts van haar moeder die driekwart jaar eerder was overleden en een ster was geworden. ‘Sientje wordt vanavond opgehaald en dan wordt ze daarna een sterretje’, vertelde de dierenarts. Sientje lag er op die tafel. Ik betrapte me erop dat ik haar nog even streelde. Het hele lijf gaf mee. Het voelde raar. Ook werd het lichaam kouder en stijver. De tong hing uit de bek. De dierenarts stopte hem er weer in.

We konden nog afscheid nemen als we wilden, dan ging de dierenarts weg. Maar het was genoeg. Ik keek nog een keertje om toen we wegliepen. En zag haar daar liggen. Sientje. De eerste hond die echt van mij geweest was. De hond die ik met mijn liefde had gekocht. Een tijdperk was voorbij.

Lees het vervolg: Kaartje »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

[mc4wp_form id=”20905″]

Katjes en eindelijk regen – Tiny House Farm

De droogte slaat behoorlijk toe op ons landje. Grote gaten slaan open in de harde klei. Als je niet beter weet, dan lijkt het wel of je op verhard steen loopt.

Terwijl ik elke avond dapper door de tuin loop om alle fruitbomen te bewateren. Net als de afgelopen weekend geplante kleine tomatenplantjes, kroten – rood en roodwit – en heuse artisjokken. Bij ons in huis zijn de laatste beter bekend als trage groente.

Artisjok of trage groente
De artisjok is helemaal niet zo traag als wij hem noemen

Verdorren

Ze hebben erg veel water nodig, want je ziet alles onder je ogen verdorren. En als die jonge groentes het opgeven, dan betekent dat veel moeite voor niks. Daarom geef ik elke avond een flinke hoeveelheid emmers water aan de tuin.

De bomen en struiken van Heg en landschap krijgen niks. Ze hebben het zwaar, dat zie je. Maar ze weten zich goed te houden. Overal verschijnen bladeren en zelfs de schietwilgen krijgen katjes. Niet de witte katjes die een buurvrouw heel mooi vindt, maar andere. Bij het zien van de bloemen, word ik helemaal vrolijk.

Katjes groeien aan de schietwilg
Katjes groeien aan de schietwilg van Heg en Landschap

Bladerloze sleedoorn

Eigenlijk doen alle planten van Heg en landschap het goed. Er is 1 uitzondering: de sleedoorn. Er komen geen bladeren aan. In de natuur zie ik dat de sleedoorns uitgebloeid zijn en al heel snel bladeren krijgen. In onze tuin blijven ze helemaal kaal. Zou er iets aan de hand zijn?

Tot ik een paar terug ineens een sleedoorn van onderaf hele kleine bladeren zie krijgen. Net zo vrolijk als bij het zien van de wilgenkatjes ben ik. Bijna niet de zien en vooralsnog is het alleen de sleedoorn die bij de oprit groeit. Zo zie je dat het voorjaar meer een meer toeslaat. Al is het wel kurkdroog in de tuin. Veel te droog.

De sleedoorn krijgt ook bladeren
Ook de sleedoorn krijgt bladeren

Eindelijk regen

En dan eindelijk een bui. Het is niet eens zo heel veel, maar je ziet alles meteen al opfleuren. Gelukkig breekt het daarna nog veel meer los. De regentonnen die helemaal leeg waren zijn in 1 keer helemaal vol. Het gevaar is nu dat al dat jonge grut verzuipt. Al geloof ik dat het nog wel even duurt voor het zover is.

Zo heb je elke keer zorgen om je tuin.

De toren van Amsterdam – Leestip

Als je op de Dam staat bij het Stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam, realiseer je je niet dat er in het hoofd van sommige stadsbestuurders in de 17e eeuw ook nog iets anders aan dit stadsgezicht was toegevoegd. Namelijk, een imposante toren vast aan de Nieuwe kerk.

6363 palen in de grond

Wat niemand weet is dat dit niet bij een voornemen is gebleven. Er zitten maar liefst 6363 palen in de grond aan de westkant van de kerk. Gedeeltelijk zelfs in het water van de Nieuwezijdse Voorburgwal. Een klein stukje van de gebouwde torenvoet staat nog steeds overeind. De inmiddels gedempte gracht, geldt als het best gefundeerde stukje weg van Amsterdam met al die zware en halfzware eiken masten en elspalen in de bodem.

In zijn boek De toren van de Gouden Eeuw, Een Hollandse strijd tussen gulden en God schrijft bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek over de voorbereidingen van de bouw en het leggen van de fundering. En meer dan dat. Hij bedt het verhaal in, in de geschiedenis van de stad. De ogen én het geld glijden namelijk snel naar het Stadhuis, het wereldwonder en nog altijd een indrukwekkend monument van 17e eeuws Amsterdam.

Strijd in Amsterdamse stadhuis

In de burgemeesterskamer van het stadhuis heeft echter een felle strijd gewoed tussen de koopman en de dominee. Wie het gewonnen heeft, kun je vandaag de dag zelf op de Dam zien. De toren is er niet; de gebouwde torenvoet is gedeeltelijk weggehaald. Terwijl er een imposant stadhuis staat dat elke Amerikaan en Japanner naar binnen lokt en waar heel veel Amsterdammers (de meeste?) nog nooit zijn binnengeweest.

Een prachtig stuk geschiedenis. Zeker ook de manier waarop Gabri van Tussenbroek dit in zijn boek behandelt. Waar begint het? Het begint bij de brand van de Nieuwe kerk. Op een koude dag in januari vat het dak vlam van de eeuwenoude kerk. Het gebouw vermoedelijk gebouwd door Rutger van Kampen, bouwmeester van meer Gotische stadskerken in Nederland, zoals de Bovenkerk in Kampen, Harderwijk en de Pieterskerk in Leiden.

Forse tegenvaller

De herbouw wordt snel ter hand genomen. Het is een forse tegenvaller voor de stad die juist veel tijd en aandacht besteedt aan de bouw van het stadhuis. Niet dat de bouw al begonnen is, wel worden er huizen opgekocht op de plek waar het stadhuis moet komen. De bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek geeft daarbij een interessant kijkje in het stadsbestuur.

Een maand na de brand, wordt het nieuwe bestuur benoemd. Elk jaar wisselen de zetels op 1 februari. In het college komen Bicker en Backer recht tegenover elkaar te staan. Behartigt de ene eerste vooral de belangen van de koopman, Willem Backer is een vrome man voor wie alles ter ere van God is. Backer komt op het idee van de toren, ontleend aan de imposante toren op het Piazzetta, tegenover de San Marco in Venetië.

Dagelijks leven in Amsterdam

De drukte op het stadhuis is natuurlijk van een totaal andere orde dan het dagelijks leven in Amsterdam. Het is voor de bewoners van de stad een hard bestaan. Het leven is erg duur, vaak mislukt de oogst door slecht weer of een slechte aanvoer vanuit de gebieden waar het graan vandaan komt. Gabri van Tusssenbroek weet deze dagelijks overlevingsdrift mooi in zijn boek te verwerken tussen al het gekonkel in de burgemeesterskamer op het stadhuis.

Bijvoorbeeld als hij het heeft over de zomermaanden waarin elk jaar de bemanning van de VOC-schepen die bij Texel lagen, doorreisde naar Amsterdam om het scheepsgeld te incasseren. Meestal verblijven ze dan meteen in de stad. De verdiensten van de onderste rangen waren ronduit slecht met zo’n 7 tot 12 gulden per maand, schrijft Gabri van Tussenbroek:

In Amsterdam kon je daar eigenlijk niet van rondkomen. Drie gulden in de week was in de stad toch wel zo’n beetje het bestaansminimum. Als je in het gasthuis verpleegd moest worden, betaalde je drie gulden, en ook het bedrag voor pensioenen en ziekengeld was drie gulden. Het waren bedragen waar Willem Backer om moest lachen, evenals de anderen van het Vroedschap, gewend als ze waren aan het leven van de bovenkant. (140)

Vergeet daarbij niet, dat het hier gaat over de laagste rangen bij de VOC. Veel banen in de stad leveren veel minder geld op. En als je illegaal in de stad verblijft, ben je vaak helemaal kansloos. Het zijn de schrijnende verhalen zoals van Elsje Christiaens die Rembrandt 15 jaar later zo prachtig tekent.

Koude winters en natte zomers

Gabri van Tussenbroek vermengt in zijn boek over de toren van de Nieuwe kerk op een intrigerende manier het dagelijks leven met bijvoorbeeld het weer en andere omstandigheden. Hij beschikt over zeer gedetailleerde gegevens over het weer; de koude winters, natte zomers of juist warme periodes komen vaak terug. Net als de integratie van de grote momenten uit de geschiedenis, zoals de Vrede van Münster in 1648.

Daarmee trekt hij de geschiedenis heel dicht naar je toe. Je krijgt zo veel meer te lezen dan alleen de officiële documenten over de bouw van het stadhuis, de herbouw van de kerk en de voorgenomen bouw van de toren. Tegelijkertijd besef je wat een oorlog met Engeland bijvoorbeeld doet met het dagelijks leven in de stad. Dat heeft veel meer impact dan je zo snel in een jaartal ziet.

Net als de vrij theoretische discussies die Gabri van Tussenbroek geeft over het ontwerp van de toren. Kiest de stad voor een ouderwets gotisch ontwerp of gaat de voorkeur uit naar een klassieke toren. De 2 modellen die van de toren zijn gemaakt, laten beide varianten zien. Maar welke kiest de stad?

Jacob van Campen

Ook hier heeft Jacob van Campen een flinke lepel in de pap te roeren. Het mag dan een man zijn die erg lastig in de omgang is, hoge verblijfskosten declareert en vermoedelijk meer dan van een stevig glas houdt. Hij weet met zijn ontwerpen het stadsbestuur telkens weer te verleiden tot hoge uitgaven en gebouwen die wel een beetje voor de eeuwigheid staan.

De reden dat de toren er niet komt en uiteindelijk het stadhuis wel, is het verhaal dat Gabri van Tussenbroek heel mooi in zijn boek weet te geven. Hier zie je dat het gekonkel zoals dat soms doorsijpelt vanuit de Haagse achterkamertjes, zijn grondslag al heeft in de Gouden eeuw.

Het hoort bij de Nederlandse overlegcultuur vol compromissen en waar een verlies nooit zo scherp gespeeld wordt. De verliezer druipt af – of sterft – en niemand heeft het er meer over. En in het boek De toren van de Gouden Eeuw weet Gabri van Tussenbroek deze geschiedenis weer heel mooi te belichten. Voor iedereen die van geschiedenis, gebouwen en de Gouden Eeuw houdt, een must om te lezen. Het geeft zoveel leesplezier. Heerlijk!

Gabri van Tussenbroek: De toren van de Gouden Eeuw, Een Hollandse strijd tussen gulden en God. Amsterdam: uitgeverij Prometheus, 2017. ISBN: 978 90 446 3478 5. 368 pagina’s. Prijs: € 25,99. Bestel

Het laatste zetje – Sientje (66)

Wel moeilijk om uitgerekend als je je hond wilt laten inslapen een andere dierenarts te zoeken. Ze was na de hernia niet meer bij een dierenarts geweest. We hadden na de ruggenprik en de aansluitende pijnstillers gemerkt dat het wel weer ging. Daarom probeerden we het contact met een dierenarts zo lang mogelijk uit te stellen.

Bij het maken van de afspraak legde Inge het al uit aan de telefoon. Dat we het heel vervelend vonden om uitgerekend op dit moment een afspraak met hen te moeten maken. Je komt liever met een blije puppy binnen dan met een oud bessie die alleen nog een zetje hoeft te hebben om dood te kunnen gaan. Maar ze maakten geen enkel bezwaar. We konden komen en ze zouden ons helpen. Natuurlijk zou de dierenarts ook nog even kritisch naar Sientje kijken.

Het uiteindelijke moment

Er lagen nog wat dagen tussen dat de afspraak gemaakt werd en het uiteindelijke moment. Ik dacht terug aan hoe mijn vader elk jaar met ons konijntje Snuffie naar de dierenarts ging om hem te laten inslapen. Zo rond de zomervakantie dook de vraag op: het gaat niet meer met snuffie. Mijn vader pakte het konijn, deed het beestje in een boodschappentas en reed naar de dierenarts. Voor vertrek hadden we uitvoerig afscheid genomen. Tranen gehuild. Snuffie was ontzettend lang bij ons. Mijn hele leven al.

Na een uurtje kwam mijn vader weer terug. Snuffie zat nog gewoon in de tas. ‘Hij is nog te goed’, zei hij droogjes. Het diertje verdween weer in de kooi, waar hij weer terughipte naar zijn hoekje. Daar zat hij weer in zijn vertrouwde stand. Een kennis zei eens: ‘Het lijkt wel of hij de hele dag aan het bidden is.’ Misschien bad het dier tot de heer dat het eindelijk eens afgelopen was. We vroegen de buurvrouw of ze om de dag het beestje eten en schoon water wilde geven.

Afscheid nemen

2 jaar later ging mijn vader weer naar de dierenarts. We hadden een aai als afscheid genomen. Mijn handen zaten vol met haren. Het diertje hield geen enkele haar meer vast. Zat de hele dag in zijn hoekje in de kooi. ‘Het lijkt wel of hij om zijn einde bidt’, had een kennis gezegd.

De amechtige houding waarin het beestje de hele dag zat, leek dit vermoeden inderdaad te bevestigen. Snuffie ging weer in dezelfde donkere boodschappentas. Bij het wegfietsen maakten we nog grapjes. ‘Tot zo, snuffie.’ Een halfuur later was mijn vader weer terug. De tas was leeg. Ik had het gevoel dat ik niet goed afscheid genomen had.

Dodenrit

‘Misschien vinden ze Sientje nog te goed’, zei ik tegen Inge. Daarbij hield ik de dodenritten van mijn vader met ons konijn in gedachten. Ik hoopte het stiekem, dan kon ze nog eventjes wat langer bij ons blijven. ‘Ik kan het mij niet voorstellen’, zei Inge. Ik vertelde het verhaal van mijn vader en Snuffie. De laatste keer had de dierenarts het beestje uit de tas gehaald.

Het dier was zo licht en zag er meer dood dan levend uit. ‘Hou hem maar hier’, had hij gezegd. Mijn vader had niet eens gezien dat het diertje de injectie kreeg toegediend. ‘Hij wilde er 5 gulden voor hebben.’ Ik had het diertje graag nog in de tuin naast het huis begraven. Op de plek waar we later de duif Koertje zouden begraven en waar een paar jaar later grote graafmachines de grond afgroeven voor de uitbouw die er nu staat.

Hele gezin bij afscheid

Nu reden we met het hele gezin naar de dierenarts. Het afscheid moesten we met zijn allen nemen. Ik was een paar uur eerder van mijn nieuwe werk naar huis gegaan. Ik denk dat we de hond straks een spuitje moeten geven, had ik gezegd. ‘Maar je weet het nooit wat zo’n dierenarts ervan vindt.’

De hond uit mijn jeugd, Blekkie hadden mijn ouders ook laten inslapen. Ik kon er niet bij zijn. Het moest hals over kop. Ik woonde niet meer thuis. Ik studeerde in Leiden. Ze probeerden me nog te bellen, maar ik was de hele dag aan de studie geweeest in de bibliotheek en ’s avonds bij vrienden.

Toen ik ’s avonds laat thuiskwam en het bericht hoorde, moest ik huilen. Al wist ik heus wel dat het einde eraan zat te komen. Die zomer was ik speciaal op de hond wezen oppassen met mijn vriendinnetje. Blekkie kon amper lopen. Na een paar stappen zakte hij in elkaar. De poging om zijn pootje te lichten als hij ging plassen, was het meest schrijnend. Soms viel hij al plassend om omdat hij zijn evenwicht niet meer kon houden.

Ik had er best lang mee rondgelopen dat ik geen afscheid had kunnen nemen. Daarom vond ik dat we nu samen afscheid moesten nemen. Geen uitzonderingen. Ook Doris mocht mee bij de afspraak met de dierenarts. Hoe klein ze ook was, ze wilde er met haar neus bovenop. Het was ook haar hondje.

Lees het vervolg: Afscheid nemen »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

[mc4wp_form id=”20905″]

Kronkelpad houtsnippers – Tiny House Farm

Een buurvrouw bij ons aan de Vuursteenhof heeft houtsnippers besteld en gooit in de groep of er belangstelling is om een deel over te nemen. Wij reageren en krijgen zo op zaterdagochtend 4 kuub houtsnippers bezorgd.

Helemaal niet meer aan gedacht natuurlijk. We zijn aan het uitpuffen van de week en dan ineens de bel. Daar komen de houtsnippers. De boer die ze levert, wil ze ergens midden op de weg gooien. Hij bezorgt ze met een zijlader.

Houtsnippers op weg

Erg lastig om dat mooi en vooral praktisch op de oprit te krijgen. Hij gooit de snippers op de weg en vertrekt weer. Zo moeten we halsoverkop uitrukken om de houtsnippers een goed plekje te geven. Gelukkig mogen de kruiwagen van de buurvrouw lenen om de boel zo snel mogelijk van de weg af te halen.

Zo’n bezorger heeft geen idee hoeveel kruiwagens een kuub eigenlijk is. We sjouwen eerst wat heen en weer. Later besluit ik om de kruiwagens maar gelijk de tuin in te rijden. We willen al langere tijd een paadje door de tuin. Zo slaan we meteen 2 vliegen in 1 klap. Zeker 40 kruiwagens verdwijnen zo in de tuin

Heen en weer

Zo loop ik eindeloos heen en weer met de kruiwagen. Scheppend en sjouwend. Inge heeft het idee om een deel van de houtsnippers in een bij de storm aangewaaide grote kuubzak te doen. Dan kunnen we dit deel nog wat langer bewaren. De rest belandt in de hoop die we naast het huis opbouwen.

Het zijn heerlijk verse snippers van onder meer wilgenhout en populieren. Ik ruik de vers gekapte en versnipperde takken en stammen. Het ruikt heerlijk en al snel zitten je klompen, sokken en zelfs de haren onder de houtsnippers. Zo slepen we een half bos de tuin in.

Sliert houtsnippers

Het resultaat is een sliert van hopen houtsnippers. De volgende dag spreidt Inge alles tot een echt paadje. En ik blijk helemaal niet teveel of te weinig in te tuin te hebben gereden. Alles komt precies uit. Een paar emmers nog rond de fruitbomen en we hebben ons eigen pad door de tuin.

Bovendien fungeren houtsnippers als perfecte mulch. Zo kan de grond wat beter composteren en wordt de klei iets handzamer om te bewerken. Dat sluit goed aan bij het idee om onze tuin organisch te laten groeien en van de permacultuur.

Lily en de octopus – Leestip

Het verhaal van een man en zijn teckel. Iemand op Instagram tipte mij om de roman Lily en de octopus van Steven Rowley te gaan lezen. Ze moest bij het lezen van mijn herinneringen aan Sientje aan deze roman denken.

Het is het verhaal van Ted en zijn teckel Lily. Ted Flask heeft niet zoveel geluk in de liefde. Zijn geliefde heeft hem in de steek gelaten en zo blijft hij alleen achter, samen met zijn teckel.

Gezwel op het hoofd

Op een dag ontdekt Ted dat Lily een gezwel op haar hoofd heeft zitten. Hij ziet het opeens en noemt hem een octopus. Het wezen op het hoofd van zijn liefste teckel bedreigt het enige dat Ted nog heeft in zijn bestaan, naemlijk allerliefste Lily.

In het verhaal vertelt de verteller hoe de liefde tussen Ted en Lily is ontstaan. Dat Ted het onderdeurtje uit het nest mee naar huis nam. Hoe bewust hij juist voor Lily koos boven de andere teckels uit het nest. Hoe gelukkig ze samen zijn geweest en wat ze allemaal samen hebben meegemaakt.

Hoop op wondertje

De verteller beschrijft het verhaal in de paar dagen die hen nog samen rest. Je weet als lezer hoe het zal aflopen, maar je hoopt steeds dat het anders zal gaan. Dat er onverhoopt een wondertje gebeurt.

Tussen het verhaal van Lily en de octopus, lopen de herinneringen aan zijn hond. Dat ze al een keer een hernia onder de leden had, waarbij zijn zus trouwde. Hij moest kiezen tussen Lily en zijn zus, een moeilijke keuze. Daarmee voelt Ted zich nog steeds nog steeds schuldig naar zijn hond. Dat terwijl Lily herstellende was van de operatie. De verteller is hier overigens best dubbel in. In een hoofdstuk met het lijstje met 8 punten dat hij laf is geweest, staat erna een ander lijstje. De keer dat hij moedig is geweest:

Toen ik uit Los Angelos vertrok voor mijn zusjes huwelijk en Lily in het ziekenhuis achterliet om te herstellen, en erop vertrouwde dat ze zou genezen. (78)

De ik-verteller haalt niet alleen de geschiedenis tussen hem en zijn hond Lily aan. Er komt ook een ander verhaal voor. Het verhaal van zijn liefde Jeffrey. Ze gaan uit elkaar als Ted ontdekt dat zijn vriend vreemdgaat.

Het mooie zijn de vergelijkingen die de verteller maakt. Zoals:

De octopus heeft mijn hoofd haast net zo stevig in zijn greep als dat van Lily. (21)

Vrijdagavond is mijn lievelingsavond. Je zou niet denken dat een teckel van twaalf goed was in monopoly, maar dat heb je dan mis. (32)

Of het moment dat Ted 4 opblaashaaien koopt. Octopussen zijn bang voor haaien en weet smeert de octopus op Lily’s hoofd hem dan. Je weet maar nooit.

Beetje doorslaan

Het slaat soms een beetje door. Zoals het deel waarin Ted een scheepje huurt om te gaan jagen op octopussen. Het is een gevecht dat vooral in het hoofd van de verteller afspeelt, waarbij je als lezer niet altijd mee wilt komen. Het gaat ook gepaard met veel whiskey om de pijn van de lijdende Lily te verdoven.

De verwijzingen naar de nautische wereldliteratuur; Hemingways Van de oude man en de zee en Moby Dick van Herman Melville, liggen hier in mijn ogen een beetje te dik op. Misschien een lekker hapje voor de liefhebber, het ging mij een beetje tegenstaan. De verwijzingen naar Shakespeare en Auden komen in mijn ogen weer veel natuurlijker over en passen beter in het verhaal.

Huilend dichtslaan

Toch weet de ik-verteller in het laatste deel je helemaal mee te nemen. Het kan ook niet anders dan dat je dit boek huilend dichtslaat. Hier kun je geen weerstand tegen hebben, het is buitengewoon invoelend geschreven. Dat de verteller hierbij ook nog eens een prachtig geschenk van zijn lieve teckel krijgt, geeft je alleen maar extra tranen van ontroering.

Niet echt een verhaal om eindeloos te herlezen, maar zeker wel een mooie belevenis. Een must voor de teckelliefhebber. Ook omdat het zo innemend het verhaal van de teckel en zijn baasje te vertellen. Ik ben erdoor getroffen en blij met deze prachtige leestip.

Steven Rowley: Lily en de octopus. Oorspronkelijke titel: Lily and the Octopus, Vertaald door Aleid van Eekelen-Benders. Amsterdam, Antwerpen: Uitgeverij Cargo, 2016. ISBN: 978 90 234 2723 0. Prijs: € 9,99 (als e-book). Bestel E-book

Nodeloos rekken – Sientje (65)

Mijn schoonmoeder vond dat dieren het beter hadden dan mensen. Een hond mag inslapen als het genoeg is. Bij een mens wordt het leven eindeloos gerekt, vond zij. Zelfs als het zinloos is, dan nog wordt het gerekt. Ze wilde zo niet doodgaan, maar op een moment dat ze het zelf genoeg vond. Lang voor haar dood regelde ze dat via de vereniging voor euthanasie. Het mocht helaas niet zo zijn.

Haar huisarts wilde het niet doen vanuit geloofsovertuiging. Hij vertelde dat ze bij hem kon blijven, maar dat als het zover was ze dan bij een andere arts terecht kon. Toen het zover was, verscholen alle andere artsen zich achter het excuus dat zij niet hun patiënt was. Eigenlijk had ze voor het vastleggen van de euthanasie-verklaring meteen naar een andere huisarts gemoeten.

Aangrijpend

Euthanasie is ook voor een arts aangrijpend en doe je niet zomaar. Zodoende viel ze op het moment dat ze het nodig had, tussen wal en schip. Zelfs de in het ziekenhuis toegezegde morfine-injecties bleven achterwege. Dunne pleisters drukten we op haar huid, zonder veel resultaat. Na veel bellen en zeuren kreeg ze uiteindelijk een injectie morfine van een weekendarts van de huisartsenpost. Later die dag is ze overleden.

Het was meer dan een jaar later voor we zo met Sientje worstelden. Zeker, ze was een oude hond. Maar ons teckeltje was aan het lijden. Het was uitzichtloos. Voor wie houden we haar nog in leven? Ik vroeg het Inge, maar misschien nog meer aan mijzelf. ‘Volgens mij hoeft het van haar niet meer’, antwoordde Inge. Sientje staarde met een lege blik de kamer in. Het leek of haar ogen al voorbij de voorwerpen keken.

Niet meer duiden

Haar ogen keken naar iets dat er niet was. Ze kon het niet meer duiden. Voor het eten in haar voerbak, kwam ze nog wel. Ze hapte. De drang te (over)leven was daar sterk genoeg voor. Maar in de wilde natuur was ze allang overleden. Een dementerend lid van de roedel zou een veel te groot gevaar zijn voor de groep. Ze zouden haar in de steek laten.

Wij hielden haar nu in leven omdat wij haar niet konden missen. Daar lag een verkeerde gedachte. Het was namelijk niet in het belang van Sientje om haar in leven te houden. En we dachten terug aan wat Inges moeder zei: een hond heeft het menselijker dan een mens.

Zij werd weerhouden om te sterven als het voor haar genoeg was. De geloofsovertuiging van haar huisarts stond in de weg. Hij legde haar zijn geloof op door haar niet te helpen. Soms help je iemand ook door hem of haar dood te laten gaan.

Hele verantwoordelijkheid

Ik vond het wel een hele verantwoordelijkheid. Dat wij gewoon over het leven van Sientje konden beslissen. Het paste niet. Moest ze niet gewoon op een ochtend dood in de bench liggen? Dan was het gebeurd. Gewoon ergens in de nacht op een moment waar niemand bij was. Maar wie zegt dat dit ’s nachts gebeurt? Gebeurt het niet op een heel ander moment, als je met haar aan het lopen bent en zij ineens instort.

Een lange lijdensweg zou dan volgen. Misschien eindigt het sowieso met euthanasie, maar dan ben je wel een hele dag of misschien wel een paar dagen aan het tobben. En waarom? Van Sientje hoefde het allemaal niet meer. Die was al weg. Ze ademde nog, maar ze leefde niet meer. Het was niet meer de hond die we 9 jaar bij ons hadden gehad. Ze was op. Versleten en ze dementeerde. Het was tijd voor het moment. Daarom maakten we een afspraak.

Lees het vervolg: Het laatste zetje »

Abonneer je op de nieuwsbrief en lees elke week een nieuwe herinnering aan Sientje. De nieuwsbrief is geheel gratis en verplicht je tot niets.

[mc4wp_form id=”20905″]

Hommels, reeën en ginkgo’s – Tiny House Farm

Dan zit je heerlijk tegen de schemering te eten en schiet er iets voorbij. ‘Hé, wat is dat’, roept Doris uit. Als ik luister wat ze precies gezien heeft, dan kan het niet anders dat het een ree is die langs het hek rende.

Spoor van een ree in de achtertuin.

Nader onderzoek de volgende morgen bij daglicht, leert inderdaad dat het om een ree gaat. Duidelijk te zien is de hoefafdruk. Herkenbaar als een ree en niks anders. De sporen die ik laatst zag op het appelboompje verried ook al de aanwezigheid.

Niet afschrikken

De reeën laten zich duidelijk niet afleiden door de bebouwing die hier meer en meer komt. De Vuursteenhof krijgt namelijk huisje na huisje en je zou verwachten dat de ree zich hierdoor laat afschrikken. Wel een prachtige ontdekking dat ze gewoon nog langs ons huis rennen.

En als dan de zon goed doorbreekt, komen ook de hommels en bij warmer weer ook de bijen. Ze duiken op de bloesem die er is. Al roert de nachtvorst soms in de staart. Dat betekent goed in de gaten houden of we geen maatregelen moeten treffen. Een zak over de boom waar de meeste bloesem zit.

Hommel op de bloesem van ons citroenboompje.

Ginkgo uit de kas

Als we bij de manifestatie Kom in de kas lopen, stuiten we op een prachtige ginkgo. De bladeren zien er weer heel anders uit dan de exemplaren die we hebben. We kunnen het niet laten en dit schattige kleine boompje gaat mee.

Het blad van ons kleine Ginkgo-boompje.

Ginki, zoals we hem liefkozend noemen, krijgt een plekje bij de andere ginkgo buiten. Zeker de helft kleiner, ziet het er echt heel schattig uit. Alleen zijn het allebei peuters. Van de Ginkgo-stekjes van van vorig jaar, de baby’s, komen er bij 2 stekjes bladeren. Heel benieuwd hoe deze jonge boompjes zich zullen ontwikkelen.

Mijn broer is een eikel – Leestip

Erg aangetrokken tot de veelzeggende titel: Mijn broer is een eikel. Dat is wel een boek dat mij aanspreekt. Het gaat namelijk over een jongere broer en over de plek in het gezin die je inneemt. Het gaat over de oudste die alles als eerste moet ondergaan, de wegbereider. Het gaat over broers. Hoe ze aan elkaar gewaagd zijn en hoe ze elkaar kunnen dwarszitten. Kortom, een boek voor mij.

Wat mij ook trekt is wat ik eerder las. Het boek gaat over een man die vroeger zo ontzettend braaf was en een broer die vroeger zo ontzettend irritant was. Als er iets gebeurde, ging automatisch de vinger naar hem. Maar hoe de brave jongen later verandert in het gezin in de vervelende zoon. Dat terwijl de irritante broer de voorbeeldige zoon is.

Huis in brand

De opening van het boek van Stuart Heritage is magistraal. Hij wordt gebeld door zijn vader. Hij woont net 3 dagen in de plaats waar hij naartoe is teruggekeerd, Ashford. Stu wordt nooit gebeld door zijn vader. Tenzij er iets erg aan de hand is. Het lijkt wel mijn familie. Inderdaad is er iets ergs aan de hand. Zijn ouderlijk huis staat in brand en vader vraagt aan Stu of hij misschien wil kijken hoe ernstig alles is.

Wanneer hij bij het huis aankomt, is zijn moeder er al. Stu begint onmiddellijk van alles te regelen, zoals een goede zoon betaamt. Als zijn broer Pete komt, doet zijn broer slechts 1 ding: hij omhelst zijn moeder. Ze troosten elkaar op dit belangrijke crisismoment.

Favoriete zoon

Stu snapt niet hoe dat kan. Hij is toch altijd de favoriete zoon geweest. Pete maakte er altijd een potje van en wist het bloed onder de nagels van zijn ouders te halen. Stu was echter het braafste jongetje thuis. Deed nooit iets en doorliep een droomcarrière. Alles wat bij een modelzoon hoort, had Stu gedaan en nu wordt hij hiermee geconfronteerd?

Ik zeg niet dat ik bij mijn thuiskomst de rode loper had verwacht, maar op zo’n pijnlijke degradatie was ik niet voorbereid. En vergis je niet, dat was precies wat hier gebeurde. Al die tijd dat ik weg was, had Pete stiekem besloten de betrouwbare zoon te worden. Hij was degene tot wie mijn ouders zich konden wenden als er iets misging. En het ergste was nog dat hij dit had gedaan door een knuffelaar te worden. Dat was onder de gordel, Pete. (22)

Een betere opening kun je niet wensen. De verteller zet meteen de toon, beginnend bij de crisis van de woningbrand. Overigens vertelt hij tussendoor allerlei boeiende verhalen waarom hij bijvoorbeeld vanuit Londen is teruggekeerd naar Ashford. Compleet met grappige opmerkingen, bijvoorbeeld dat je in Londen omgeven wordt door reuzenkleuters van in de 30. Londen is voor hen geen thuis, maar een crèche.

Daarna besteedt de verteller alle tijd aan de verdieping. Er volgt het verhaal van zijn ouders en hun 2 kinderen, de broers Stuart en Pete. Stuart die altijd zijn beste beentje voor zet, Pete die overal lak aan heeft en vooral zijn eigen gang gaat. Met heerlijke observaties, bijvoorbeeld dat Pete ter wereld kwam 12 dagen nadat in Florida het allereerste filiaal van Hooters werd geopend. Of de juffrouw die vraagt aan Stu of het thuis goed gaat omdat hij steeds met een gehavend gezicht rondloopt, veroorzaakt door zijn broer.

Niet altijd hilarisch

Het is een verhaal dat niet altijd zo hilarisch is. Dat kun je ook niet verwachten van een boek. Je kunt niet alleen op hoogtepunten drijven. Soms zijn het ronduit saaie delen waarbij de vaart niet echt in het verhaal zit. De voorliefde van Pete voor de sport en de competitie tussen de 2 broers is niet altijd op zijn felst.

Aan het einde weet de verteller weer met de humor en vooral met de rake observaties te schrijven waarmee hij zijn boek opent. Het zijn geweldige verhalen bijvoorbeeld als hij zijn broer meeneemt naar een wijnproeverij. Puur om te jennen. Je voelt als lezer de spanning tussen de 2 broers. Tegelijkertijd is er ook ruimte voor de verbroedering. Al zoeken ze steeds de grenzen van hun relatie op. Het zorgt ook voor de spanning in het verhaal.

Erg vermakelijk zijn de gedeeltes waarin de verteller delen van het boek laat lezen aan zijn broer. Regelmatig wordt de lijn van het verhaal onderbroken door brieven en of weergaves van gesprekken met zijn broer. Het geeft het verhaal een heerlijke break. Want het is een heel bijzonder stel, de broers Pete en Stuart Heritage. Het boek dat dit heeft opgeleverd, is een feest om te lezen.