Alexander von Humboldts Amerikaanse ontdekkingsreis

wpid-img_20150830_163133.jpgIn het boek over de avonturier Rudy Truffino van Jan Brokken werd hij weer genoemd: Alexander von Humboldt. De Duitse ontdekkingsreiziger die van 1799 tot 1804 door Amerika trok. In die tijd bezoekt hij een groot deel van Zuid-Amerika, waaronder Venezuela, Ecuador en Peru. En dat niet alleen hij reist ook door Mexico en doet Cuba en Washington aan.

Humboldt noemt het zijn West-Indische reis. Een reis van 5 jaar die niet alleen hem maar ook de kijk op de natuur in het Westen veranderde. Als hij terugkomt in Europa besteedt hij een groot deel van zijn leven aan het uitwerken van de ideëen en indrukken die hij tijdens zijn reis heeft opgedaan.

Het boek over de Amerikaanse reis komt veelvuldig voor in het werk van ontdekkingsreizigers die na hem door het stroomgebied van Orinoco en Amazone komen. Niet alleen Jan Brokken, maar ook Wallace en Redmond O’Hanlon lezen de boeken over de reis door Venezuela van Humboldt. Ze laten zich inspireren door zijn ideëen en theorieën over het gebied.

Daarom speur ik op internet wat naar Nederlandstalige uitgaven van deze reis. Is het werk van Wallace in Borneo niet zo lang geleden prachtig vertaald, van Humboldt is niet zoveel te vinden in vertaling. Zelfs het indrukwekkende Ansichten der Natur is alleen in de 19e eeuw vertaald en nauwelijks verkrijgbaar.

In de reeks van Hollandia Reisverhalen, onder redactie van Peter van Zonneveld en Boudewijn Büch is wel een boek verschenen dat de reis van Alexander von Humboldt door Amerika bespreekt. In eerste instantie lijkt het hier om een bloemlezing van het dikke verslag van Humboldt zelf te gaan. Dat is niet zo. Het is een boek dat Humboldt-kenner Hanno Beck heeft samengesteld uit het volgens hem onvoltooide verslag van Humboldt zelf.

Hanno Beck: Alexander von Humboldts Amerikaanse Ontdekkingsreis 1799-1804. Zijn beroemde reis door Venezuela, Cuba, Columbia, Ecuador, Peru, Mexico en de Verenigde Staten. Inleiding door Peter van Zonneveld. Oorspronkelijke titel: Alexander von Humboldts amerikanische Reise, [1985]. Baarn: Hollandia, 1990. Hollandia Reisverhalen, onder redactie van Boudewijn Büch en Peter van Zonneveld. ISBN: 90 6410 064 0. 300 pagina’s.

Wolkenkrabber van boeken

wpid-img_20150830_160544.jpgIn zijn boek over Wagner stelt Martin van Amerongen dat er alleen over Jezus en Napoleon meer boeken verschenen zijn dan over Wagner. Het levert volgens hem een wolkenkrabber op aan boeken als je alle publicaties over de Duitse operacomponist zou opstapelen.

Een interessante gedachte hoe hij dat deze opvatting komt. Is er iemand die alle publicaties over Jezus en Napoleon bijhoudt. Als je de bewering moet geloven, is er iemand die het hele overzicht heeft over alle boekuitgaven die over alle grootheden der aarde verschijnen.

Ik geloof dat niet zo sterk en krijg sterk de indruk dat mensen hier elkaar overschrijven. In Nederland ken ik niet zoveel mensen die hun pen helemaal stukschrijven over Wagner. In het buitenland zijn er wel mensen die graag over Wagner schrijven.

Wel ken ik een aantal liefhebbers van Napoleon. Boudewijn Büch en Martin Bril hielden van deze man. De eerste hield vooral graag curiosa in zijn met handschoentjes beschermde vingers en de laatste schreef een boek met allemaal wetenswaardigheden over hem.

Daarom is het een lastig te staven bewering. Zeker, over Jezus wordt eindeloos veel geschreven. Er is een hele wetenschap rond hem. Over Napoleon en Wagner is het allemaal wat minder eenduidig. In het boek De Wagnerclan van Jonathan Carr wordt dezelfde bewering gedaan.

Ik vermoed dat het hier een typisch geval van napraterij is, zoals vaker gebeurt bij dit soort beweringen. Een biograaf of deskundige doet deze bewering en vervolgens citeren alle mensen na hem dezelfde opvatting alsof het een feit is.

Martin van Amerongen: Wagner, De buikspreker van God Met een nawoord van Philo Bregstein. Amsterdam: Metz & Schilt, 2005 [1e druk 1983]. ISBN: 90 5330 408 8. 200 pagina’s.

Bijzonder boek

image

Het boek greep mijn ogen vast bij het struinen door de lange rij boeken. Ik was vorige week op de boekenmarkt in de Grote kerk van Weesp. Op de fiets na het werk reed ik naar de stad aan de Vecht. Het viel achteraf best een beetje tegen. Ook omdat de fiets waarop ik reed ideaal is voor in de stad, maar wat minder geschikt is voor langere afstanden.

Eerst stond ik lang te wachten in de rij bij het geldautomaat, daarna moest ik nog even wachten voor een patatje. Zo was ik weer voldoende toegerust om mijn ogen te laten glijden over de rijen boeken.

image

Daar viel mijn oog op Firmin. Een boek in een doos en op de omslag een ratje. Het boek van de Amerikaanse schrijver Sam Savage. Deze filosofiedocent, fietsenmaker, visser en typograaf schreef dit boek bij een kleine uitgeverij. Na verschijning werd het een hit.

Ik vermoed dat dit komt door het interessante onderwerp. Firmin is een klein ratje dat een overmatige interesse ontwikkeld voor boeken. Hij verslindt de boeken en verandert meer en meer in een mens. De tekst maakt je nog nieuwsgieriger.

Zomeravond met Bach

image

Een avond met Bach is altijd geslaagd. Zeker als het in de Grote of Sint Bavo kerk van Haarlem is. En helemaal als het een zomeravond is. Het orgel leent zich uitstekend voor de muziek van Bach. Als de orgelmuziek afgewisseld wordt door de muziek die Bach schreef voor strijkers, levert dat gegarandeerd een prachtige avond op.

Ik ga naar het zondagavondconcert omdat ik al in Amsterdam ben en gelijk het treinkaartje van de Kruidvat goed gebruik. Zo loop ik tussen de buien door naar de imposante Grote kerk van Haarlem. Snel genoeg. Een dreigende wolkenmassa drijft al in mijn richting. Op tijd schuil ik onder het afdakje van de winkeltjes die tegen de kerk gebouwd staan.

image

Het is even wachten voor de deuren opengaan, maar dan is het zover. Ik mag het grote gebouw binnen. Het wereldberoemde orgelfront koekeloert al vanachter de pilaren. Wat een feest der herkenning is dit en wat is het lang geleden dat ik dit orgel voor het laatst hoorde. Het zou zo 20 jaar geleden kunnen zijn.

Ik weet nog dat het orgel niet zo sterk klinkt. De openingsmaten van het feestelijk Preludium in G, BWV 541 bewijzen dat meteen. Maar de klank is ook innemend. De muziek vult de hele ruimte. De organist Anton Pauw speelt het werk in een vrolijk tempo en geeft het werk bijna iets luchtigs mee. De fuga is brilliant opgebouwd en het plenum van het Muller-orgel maakt het muziek helder.

image

De uitvoering van het dubbelconcert voor violen is zeker het hoogtepunt van dit concert. De uitvoering is van Barokensemble Eik en Linde. Een groep gepassioneerde musici uit Amsterdam. De akkoorden zijn onmiskenbaar Bach. Het concert is een sterk samenspel voor de 2 solisten. Er is veel interactie. Alleen maar interactie. De akoestiek van de kerk maakt het extra lastig, maar de uitvoerenden beheersen dit pittige muziekstuk.

Sterker nog. Ze weten het verhaal over te brengen op de luisteraar. Violen die zo met elkaar optrekken maken het muziekstuk tot een paringsdans waarbij de tonen elkaar aantrekken en afstoten. Het gebeurt in subtiele muzikale taal. Je voelt je bijna beschaamd door deze schoonheid die je meevoert naar iets heel intiems. Even word je binnenste aangeraakt.

Het Bavo-orgel uit 1736 leent zich heel goed voor Bach. Ze vormen een hechte 2-eenheid. Zeker als de uitvoerder er raad mee wee. Anton Pauw demonstreert dat het sterkste bij de 3 orgelkoralen die hij op het programma heeft staan. Gegroepeerd als een kleine mis geeft hij de koralen stuk voor stuk iets moois mee.

image

Zo voert hij het bekende ‘Erbarm’ dich mein’, BWV 721, heel treffend uit met de Trechterregaal als uitkomende stem. Zonder tremulant in een strak tempo, komt het stuk nog intenser over. De uitkomende stem klinkt heel helder. Ook omdat de Octaaf 4′ de boventonen extra accentueert. Zo’n uitvoering bewijst dat het orgel in de Haarlemse Bavo niet alleen van buiten mooi is.

In de andere 2 werken bewijst Anton Pauw dat hij weet hoe hij Bach goed kan vertolken. Hij gebruikt treffende registraties zoals de terts bij het Gloria ‘Allein Gott in der Höh sei Ehr’, BWV 711. Voor het dubbelpedaal van het Credo, Wir glauben all’ an einen Got, BWV 740 laat hij de zachte tongwerken van het pedaal klinken. De Sexquialter met fagot van het rugwerk weten de kern van het muziekstuk te raken. Want wat is deze Sexquialter toch mooi, zilverachtig zweeft ze door de kerk.

Als dan het derde Brandenburgse concert in G klinkt, BWV 1048, kan de avond niet meer stuk. Al lijkt het concert voor 2 violen onovertroffen. Dit muziekstuk weet opnieuw een snaar te raken. Al is het een andere snaar. De violen trekken zo gelijk met elkaar op en de akoestiek kan niet veel verbloemen. Alles draait om timing. Dit barokensemble weet van samenspelen en kan het gevoel dat Bachs muziek oproept intens overbrengen. De tempi zijn goed en het plezier spat van deze musici. Ze weten wat mooi is en kunnen dat prachtig over te brengen op de luisteraar.

image

Buiten is het donker als het laatste muziekstuk van dit concert op deze zomeravond klinkt. Het grootse Preludium en fuga in h-moll, BWV 544, komt mooi tot uiting op het Mullerorgel. Het klinkt minder intens dan zijn zusje in Leeuwarden, maar het geluid mengt mooi met de ruimte. Het plenum verveelt niet en brengt het spel met dissonante harmonieën van Bach goed over op het publiek.

Het orgel in Haarlem is een flexibel instrument met veel mogelijkheden. Al komt het het beste tot zijn recht in de koraalvoorspelen. Anton Pauw weet zijn orgel goed uit de verf te laten komen. Het is daarmee een orgel dat ik lang niet gehoord had, maar zeker niet vergeten was. De combinatie met de strijkmuziek van Bach uitgevoerd door het barokensemble Eik en Linde, levert het een mooie vergelijking op. Een zomeravondconcert dat ik niet snel vergeet.

Ik moet na het slotakkoord snel de kerk verlaten en in sprint naar het station om mijn trein te halen. Dat herken ik uit vroeger dagen, waarbij ik ook een gevecht voerde tussen het einde van het concert en de dienstregeling van de NS.

image

De bramenplukker

image

Het ene na het andere landende vliegtuig vliegt over. De laatste vakantiegangers worden teruggebracht van de zonnige plekjes waar ze zaten. De bramenstruik is nat, maar op dit tijdstip kan ik goed de bramen plukken.

Dit stukje van de achtertuin is in de vroege ochtend nog niet veroverd door de wespen. Al is het afgelopen week een stuk rustiger geworden. Een weekje terug zaten de rijpe vijgen vol met wespen. Ze kropen helemaal in de vrucht.

image

De gistende vruchten lieten de wespen niet helemaal onberoerd. Ze kwamen er helemaal verdwaasd uit en kronkelden nog even na als je de vrucht eraf plukte. Ze vielen dan op hun rug en hadden zichtbaar moeite zich weer te herstellen.

Ze leken op de van absint bevangen personages uit het verhaal ‘De Cascade d’Ivrognes’ van Belcampo. Hier geen mooie vrouw die uiteindelijk weer plotseling vertrekt, maar geel-bruine donders die na een paar draaien weer opvliegen. Ik was extra voorzichtig om de overrijpe vruchten weg te halen. De honden zien het gevaar niet zo in de rondtollende wezens, maar eentje had Saartje al te pakken in de poot.

image

Vanmorgen kan ik er goed bij. De wespen zijn er nog niet, voor zover ze er nog zijn. Ze taaien snel af en daar heeft de drang naar zoetigheid ook mee te maken. Ze hebben het nodig om de winter door te komen.

De bramenoogst in onze achtertuin valt tegen dit jaar. Het is niet veel dat ik uit de struiken haal. Bij het plukken wordt ik vergezeld door de honden. Ze vangen alles dat per ongeluk naar beneden valt en soms stop ik ze een lekkere rijpe vrucht toe.

image

De bramen bij ons zijn het lekkerste in de jam, maar zij eten ze ook wel zo. Sterker nog, soms betrap ik er eentje op het jatten van een rijpe vrucht uit de struik. Ze staan dan op een stoel en trekken de lekkerste bramen eruit. Dat helpt niet mee om er nog een kilo bramen uit te halen dit jaar.

Wagner en de jodenhaat

wpid-img_20150830_120059.jpgWagner is niet los te zien van de jodenhaat en de holocaust. Martin van Amerongen publiceert zijn studie rond de Duitse componist van de negentiende eeuw in 1983. Voor een groot deel van het publiek is Wagner ‘not done’. In de loop van de jaren is de beeldvorming verschoven van Nazi-componist naar een componist

Martin van Amerongen weet Wagner breder te trekken. Hij probeert zijn denkbeelden af te zetten tegen de periode waarin hij leefde. Dat hij joden haatte staat buiten kijf. Je kunt er wel over discussiëren hoe consequent de componist hierin was.

Want Martin van Amerongen is goed op de hoogte. Zo wijst hij op de inspiratiebronnen van Wagner. Van Amerongen haalt hierbij een andere held uit het negentiende eeuwse Duitsland aan: Heinrich Heine.

Wagner liet zich voor zijn Fliegende Holländer overduidelijk inspireren door Heines Memorien des Herren von Schnabelowpski. En Heine was… Inderdaad een jood. Overigens weet Van Amerongen nog veel meer invloeden van Heine op de operaś van Wagner aan te wijzen.

Wagner heeft zich nooit zachtzinnig over joden uitgelaten. Dat de joden in zijn tijd daar overheen konden stappen, is een pijnlijk aspect dat Van Amerongen aanwijst:

Hij was onbetwistbaar een der leidende jodenhaters van zijn tijd. Niettemin was hij een jodenhater die door de joden, althans velen onder hen, op handen werd gedragen. (68)

Wagners jodenhaat slaat vooral op een persoonlijk grief tegen mensen als de concurrent Giamoco Meyerbeer. Een complex muziekstuk als de Parcifal als een integrale aanklacht tegen het jodendom beschouwen zou een te grote eer zijn. Dan zou Wagner zich echt wat openlijker uitlaten over het joodse vraagstuk, stelt Martin van Amerongen.

Overigens is Van Amerongen heel duidelijk over wat de Parcifal wel is: een loflied op de geslachtsdrift. Het is dan wel weer de vraag hoe ver je in de symoboliek kunt duiken, want dan lijkt alles om de seks te draaien. Zoals het bij Martin van Amerongen hoort, weet hij hier een leuke draai aan te geven.

Parcifal was de ‘laatste kaart’ die Wagner zou uitspelen. Het werk ging op 26 juli 1882 in première. Zijn voornemen om nu de wereld met een dozijn symfonieën te veroveren, werd doorkruist door de hartaanval die hem op 13 februari trof, boven de schrijftafel in het Venetiaanse Palazzo Vendramin, waar hij werkte aan een traktaat over het vrouwelijke in de mens. (102)

Het kenmerkt Martin van Amerongens benadering van de componist Richard Wagner. De feiten vertellen genoeg, zeker als je ze formuleert zoals hij dat doet.

Martin van Amerongen: Wagner, De buikspreker van God Met een nawoord van Philo Bregstein. Amsterdam: Metz & Schilt, 2005 [1e druk 1983]. ISBN: 90 5330 408 8. 200 pagina’s.

Martin van Amerongen over Wagner

wpid-img_20150830_120048.jpgWagner is een componist die controversie oproept. Dat hij veel betekend heeft voor de hedendaagse muziek en misschien wel cultuur. Hij staat ook in het gruwelijke licht van de nazi’s. Hitler heulde openlijk met deze componist en trok hem daarmee in het verderf.

Die dubbele houding vind je ook terug in het boek van Martin van Amerongen over deze bijzondere componist. Van Amerongen heeft een uiterst prettige benadering van deze Duitse componist. Hij doet dit met een licht sarcasme en benadert hem zo precies op de goede toon. Geen dweperij of totale veroordeling, maar een vorm die ertussen hangt.

Dat is ook nodig om een componist als Richard Wagner op een juiste manier te benaderen. Het is ook maar een mens. Al denkt de componist daar zelf iets anders over, zoals in een dialoog met zijn hondje Peps. Van Amerongen weet de anekdote heel treffend te vertellen:

Ooit waagde Peps, een hond uit Wagners vroege Saksische jaren, het om de stem tegen het baasje te verheffen. De componis sprak bestraffend: “Wat krijgen we nou? Blaffen tegen de grote Wagner?’ (33)

Op eenzelfde manier benadert Martin van Amerongen bijvoorbeeld de eerste uitvoering van de hele tetralogie Der Ring des Nibelungen in het nieuwe Festspielhaus in Bayreuth. Zo citeert hij de criticus Eduard Hanslick die na 4 dagen Ring en de laaste maat van Götterdämmerung naar het station rent en in zijn treincoupé 2 kennissen treft:

Op het moment dat het voertuig zich in beweging zette, vielen zij elkaar om de hals met de woorden: ‘God zij geloofd! Wij hebben het overleefd! Het is achter de rug! De goden zijn uitgeschemerd!’ (30)

Overigens weet Van Amerongen hier ook over te vermelden dat de modernste theatersnufjes door Wagner werden aangeschaft. Niet dat alles goed aankwam, zo belandde een belangrijk attribuut voor de draak in Beiroet in plaats van de Beierse provinciestad.

Deze luchtige manier helpt enorm om de zware onderwerpen rond Wagner aan te kunnen kaarten: de jodenhaat en de verbintenis met de holocaust.

Martin van Amerongen: Wagner, De buikspreker van God Met een nawoord van Philo Bregstein. Amsterdam: Metz & Schilt, 2005 [1e druk 1983]. ISBN: 90 5330 408 8. 200 pagina’s.

Gooi versus Vechtstreek

image

Als de titelheld en ik-verteller van de Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck bij de Bussumerhei staat, doet hij een interessante bevinding. Het lijkt erop dat hij de Tafelberg (36,4 meter) beklommen heeft.

Tegenwoordig ligt deze heuvel ingeklemd tussen snelwegen en provinciale wegen, maar dat vroeger een prachtig uitzicht bood tot aan Amersfoort, de Zuiderzee en bij mooi weer zelfs tot Utrecht.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men vandaar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijke geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen: – over Blaricum, de beide Eemnessen, Zoest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blaauwe zee, de Stichtse bergen, en de graauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: – en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen. (66)

Hij staat daar midden in het straatarme Gooi. De boeren weten met moeite te overleven op de kale zandgronden. Van de rijkdom die hier meer dan 250 jaar later is, is nog helemaal niets te vinden.

Daar op die Tafelberg beseft de ik-verteller Ferdinand Huyck dat de rijkdom niet ver van hem afligt. Het buiten van zijn tante ligt hier op 1,5 uur lopen vandaan. Daar ligt de oase ‘waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt’.

Het contrast kan niet groter zijn en Jacob van Lennep speelt met dit gegeven. Waar de Amsterdamse kooplieden hun royale buitenhuizen langs de Vecht hebben laten verrijzen. Op slechts 1,5 uur gaans van de plek vol ontberingen waar Ferdinand Huyck nu loopt.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Thriller of klucht?

image

De roman Ferdinand Huyck leest als een negentiende-eeuwse thriller met een hoog kluchtgehalte. De uitkomst is even verrassend als voorspelbaar. Daar ligt ook mijn grootste bezwaar van de roman van Jacob van Lennep. De ontknoping is een lang uitgestelde gebeurtenis, waar het eigenlijke verhaal traag doorheen meandert. Daarbij leest de meeste humor die de verteller bezigt als flauw en doorzichtig.

Neem het boottochtje dat Ferdinand met een flink gezelschap maakt, waaronder Lodewijk en Henriëtte Blaek. Het levert hilarische momenten op waarbij het schip in storm terechtkomt.

“’t Is gedaan!” riep een stem uit ons midden.
Susanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen. Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotseling viel het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wioj hoorden het zeenat als grommende van rondsom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer. (286-7)

Op spektaculaire wijze is de boot over de dijk heengeslagen en op de helling aan de droge kant beland.

Buitengewoon grappig, maar niet zo diepzinnig als het veel minder spektaculaire boottochtje dat de Familie Stastok maakt in Hildebrandts Camera Obscura. Veel simpeler en minder spektaculair, maar door de beschreven situaties is het verhaal van Hildebrand (Nicolaas Beets) veel hilarischer en memorabeler dan de boottocht die Jacob van Lennep in Ferdinand Huyck beschrijft.

Maar dat drukt de pret niet aan boord van het schip van Lodewijk Blaek. De Duitser Weinstübe is onvindbaar:

“Ach lieber Gott! zum hülfe! Ich pin todt.”
“’t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,” zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan de kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. (290-1)

Het boottochtje over de Zuiderzee steekt flauw af tegenover de grote ontsnapping aan het einde van de roman. Het tafereel verschuift naar Terschelling. Jacob van Lennep haalt alles uit de kast om de ontknoping tot een grootse gebeurtenis te laten worden. Hierbij benut hij de nodige kwinkslagen en weet alle personages in een magistraal slotakkoord te gieten.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.

Belachelijke dichter

image

De ik-verteller, hoofdpersoon en romantitelheld van Jacob van Lenneps historische roman Ferdinand Huyck heeft het niet zo op de achttiende-eeuwse dichters. Als hij kennismaakt met de dichter Lucas Helding in het huis van Blaek, in de buurt van Eemnes, is hij niet echt enthousiast over de versjes die hij daar overal aantreft:

“Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,” zeide ik: “hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.” (48)

De naam hangt buiten, attendeert Henriëtte Blaek hem. De bezoeker leest daar dat het gebouw waarin ze zitten een koepel is en niet een kippenhok. Ook Henriëtte Blaek ziet niet veel in de dichtkunst van Helding:

“Het is anders een goede man, die Lucas Helding; ,aar het nageslacht zel er weinig aan missen, al zet hij nooit weêr een pen op het papier.” (48)

Niet veel later komt Helding binnen. Hij is een huisvriend van de Blaeken, maar de ontmoeting verandert Ferdinand Huyck niet van mening over de schrijfsels van Lucas Helding. Zelfs de jubelzang die hij krijgt toegestuurd, brengt daar geen verandering in. Het gedicht levert vooral leedvermaak op in Huize Huyck.

Ook Helding is slachtoffer van de roversbende. Hij komt steeds terug in het verhaal. Hierbij schuwt de verteller niet om de dichter voor gek te zetten. De passage waarin hij de dronken dichter meesleurt door de straten van Amsterdam is tekenend. Ferdinand Huyck weet samen met Reynhove de dichter naar zijn woning te brengen.

Tot in het nawoord van Marie Stauffacher komt Lucas Helding aan bod. Ze schrijft het volgende:

De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. (497)

Tot het einde toe weet Jacob van Lennep de dichtkunst van een eeuw voor hem, voor gek te zetten. Erg enthousiast is hij er niet over. Gelukkig doet hij dit op een grappige en humoristische manier. Soms iets te overdadig, maar dat hoort bij hem en de tijd die hij beschrijft.

Jacob van Lennep: De lotgevallen van Ferdinand Huyck. Leiden: Sijthoff [1882],[eerste druk 1840]. 498 pagina’s.