Mini-kastanjes

image

De kastanjebomen zijn uitgebloeid. De bloemen zijn uitgedroogd en veranderen in kale stronkjes. De kleurrijke blaadjes liggen onder de bomen.

image

Op de uitgebloeide kaarsen vormen zich groene bolletjes. In hun binnenste groeien straks de kastanjes. Ze moeten nog flink groeien, maar de bolletjes verklappen genoeg.

image

Het is nog speuren om de kleine vruchten al goed te zien. De bolletjes verstoppen zich mooi tussen de grote bladeren. Het ziet er mooi uit, het vervolg van de kastanjebloesem.
image

Pluisjes

image

Elk jaar dringen ze zich weer op: de pluisjes van de populier. Ze dwarrelen overal rond als voorjaarssneeuw. De bomen hebben dikke pluizenbollen die door de zon opwellen en dan meegenomen worden door de wind.

image

Elk jaar moet ik weer even over schrijven. Het is herinnering aan het eerste jaar dat we hier woonden. Op een avond schilderden we de kozijnen voor. Overal pluisjes, ze plakten vast aan het schilderwerk.

image

Rond het veld vlakbij ons huis stonden ze 2 rijen dik: hoge populieren. Hun bladeren ruisten zo mooi in de wind en in mei en juni lieten ze hun pluisjes los. Het sneeuwde witte zaadjes. Ze hoopten zich op bij de huizen en in de goten. Soms vatte zo’n berg populierenzaadjes vlam.

image

Nu zijn het er heel weinig, maar genoeg om de herinnering levendig te houden. De pluisjesregen vertelt dat het voorjaar is en warm genoeg is om de zaadjes los te laten. Elke keer weer een klein feestje om te zien en ik geniet ervan.

image

Vers beton

image

Het fietspad voor ons huis wordt vernieuwd. Een dikke laag beton is gestort en ’s avonds bewaken mannen in hesjes het verse beton. Een stap in het beton is voldoende om een afdruk achter te laten. Daarom lopen de mannen in de felgekleurde hesjes rond.

Ze houden het sluipverkeer tegen dat toch over de afgezettingen heen wil. Met succes. Ze praten met elkaar in de walkie-talkie. Ik hoor het over de gracht galmen. Een groepje mensen klimt het taluud op. Ze zijn gestrand met hun bootje.

image

Een dame in zomerjurkje wil op het vers gelegde fietspad stappen. Het beton is nog niet helemaal hard. De man in het hesje stuur haar glimlachend om de afzetting heen. Ze belt bij ons aan. Of ze een tangetje kan lenen, want de motor doet het niet meer. Een pinnetje is losgeschoten.

Even later klinkt het geluid van een ronkende buitenboordmotor over de gracht, gevolgd door grote blauwe rookwolken. Even later komt een man met het hesje naar ons huis. ‘Namens de jongelui in de boot, veel dank voor het lenen.’

image

De hesjes blijven tot het donker wordt. Het verse beton wil niet drogen in de vochtige avond. Als de opperman in het hesje met zijn vingertoppen op het beton drukt en ze niet meer wegzakken, mogen ze gaan.

De volgende dag gaat het werk onverminderd voort. Nu snijden diepe messen door het verse beton. Ze frezen een dun gootje, maar niet helemaal door de dikke betonlaag heen. Misschien om het regenwater af te voeren. Het beton is zo dik dat de boomwortels het wegdek onmogelijk kunnen wegdrukken.

image

Iets verderop is een nieuwe laag beton gestort en wachten de mannen in hesjes weer tot het droog is. Een hele belevenis. Morgen zullen ze daar weer gootjes frezen. Maar eerst strandt er misschien wel een bootje met elfjes op zoek naar een tangetje om hun buitenboordmotor weer aan de praat te krijgen.

image

Onmogelijke opdracht – #50books

image

Op een onbewoond eiland met een schrijver. Een bijna onmogelijke opdracht omdat ik het met weinig mensen langer dan een dag kan uithouden. Voor mij zou het een nachtmerrie zijn. Ik ben liever een paar dagen met een boek dan met de schrijver van dat boek.

Gisteren fietste ik een rondje Gooimeer. Het lekkere weer lokte me naar buiten. Ik fietste via Naarden naar Huizen, dan over de Stichtsebrug over de dijk en dan door de bossen van Almere naar huis.

Het laatste stukje brengt je van de grootste euforie naar de diepste somberheid. Het Cirkelbos behoort misschien wel tot de mooiste bossen van Almere. Het IJsvogelpad voert vanaf de dijk midden in een prachtig bos.

image

Het pad kronkelt langs de loofbomen. Zandpaadjes doorkruisen het fietspad en voeren naar de dikste populier van Almere en een bunker waarin vleermuizen overwinteren.

Al fietsend dacht ik aan mijn geliefde reisschrijver Redmond O’Hanlon. Hij is gastschrijver in Almere en volgt daarmee Renate Dorrestein op. Als ik hem zou mogen meenemen naar mijn geliefde plekje in Almere, dan zou ik hem misschien wel meenemen naar het Cirkelbos.

Ik zou hem meenemen naar de dikste populier en lekker op de fiets de natuur verkennen. Heerlijk de zon op onze hoofden laten schijnen, een zacht briesje door het haar. De wind die op de dijk zo’n tegenstand biedt, is hier je beste vriend. Onderwijl hoor je alleen de vogels fluiten en ziet groen in alle tinten die je maar kunt bedenken.

image

Ik werd snel uit mijn dagdroom gehaald, want ik kruiste een fietsknooppunt. Zoals altijd op dit punt, koos ik de verkeerde route. Ik fietste rechtdoor en cirkelde om de hete brei heen, want na een grote kronkel kwam ik uit op de weg die naar de Almeerse villawijk Overgooi.

Het is de lelijkste weg van Almere. Altijd briest de wind hier als een wilde tegen je in. Aan de andere kant van het water zie je iets dat een park moet voorstellen. Een kaal landschap, waar een schelpenpad doorheen kronkelt. Af en toe staat er een klein, kaal boompje. De wind giert en lacht je uit. Hier is de stedenbouwkundige planning uit de bocht gevlogen.

image

Ik keerde meteen om, fietste dezelfde weg terug en nam de andere afslag. Daar was weer een domper op de feestvreugde. Het fietspad dat naar Stadslandgoed De Kemphaan moet leiden, was afgesloten. Ik fietste er jaren geleden samen met Doris op de terugweg van een korte fietsvakantie.

Het pad is een jaar later afgesloten vanwege de bouwvalligheid van de elegante houten bruggetjes. Het pad is nog steeds dicht. Ik mocht helemaal omrijden. Van de andere kant van de vaart, zag ik dat twee van de vier bruggetjes stonden.

Ik kan niet wachten tot de andere twee bruggetjes er zijn. Pas dan zou ik Redmond O’Hanlon meenemen en van tevoren goed de route in mijn hoofd hebben. Je wilt toch niet dat de beste natuurliefhebber op de onvolkomenheden in Overgooi stuit.

image

#50books

Dit is het antwoord op vraag  23 van het blogproject #50books. #50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Na Martha Pelkman in 2014 heeft Peter het in 2015 weer overgenomen. Bekijk mijn andere bijdrages voor dit bijzondere boekenblogproject.

De ring en het leren zakje

image

Bij het lezen van Andrus Kivirähks roman De mand die de taal van de slangen sprakmoest ik vaak aan de boeken van de schrijver Jan van Aken denken. De wereld die Jan van Aken oproept in zijn historische romans, heeft grote overeenkomst met de roman van deze Estlandse schrijver. Het personage van de dronkaard Meeme zou bijvoorbeeld zo uit een roman van Jan van Aken kunnen binnenstappen.

Leemet heeft vrijwel vanaf de eerste bladzijde al de sleutel in handen om de oerkikker te kunnen zien. Hij denkt dat het de ring is die hij krijgt, maar als je goed leest, weet je dat het wat anders is.

   ‘Hou hem in het zakje,’ zei Meene. ‘En hang dat zakje om je nek, dat zei ik al.’
Ik stopte de ring weer in het zakje. Wat was dat van wonderlijk leer gemaakt: dun als het blad van een boom. Als je het niet goed vasthield zou de wind het meteen meenemen. Het past natuurlijk dat een dure ring in een fijn en voornaam hoesje zit. (12)

Tevergeefs probeert Leemet met de ring de Oerkikker op te roepen. Hij zit ernaast, maar Meene helpt hem niet om het antwoord te vinden. Daarvoor moet de zesjarige Leemet nog teveel leren. Het verhaal volgt de jonge Leemet en de ring. Het is een sprookjesachtig verhaal waarin hij de slangentaal leert spreken, de vis Ahteneumion tegenkomt en zijn oude grootvader ziet vliegen.

Dubbelzinnigheid

De dubbelzinnigheid zit hem in het gevecht tegen het geloof in allerlei dingen die je niet ziet, terwijl het verhaal zelf in een wereld speelt waarin mensen met de dieren praten en allerlei mythische wezens zien als de oerkikker en de vis Ahteneumion. Die dingen gelooft de verteller wel, terwijl hij zich fel verzet tegen de verhalen over bosgeesten of Jezus.

Die dubbelzinnigheid maakt je alleen maar nieuwsgierig naar de verteller. Is hij wel zo betrouwbaar als hij suggereert. Hij verheerlijkt het leven in het bos op zijn manier. Hij zal zich uiteindelijk moet neerleggen bij het idee dat hij de laatste bosbewoner is en hij de laatste is die met de dieren kan praten. De tijd verandert en daarna zal de tijd ook wel weer veranderen.

Niet slechter dan nu

Wat ik vooral mooi vind in het verhaal van Andrus Kivirähk is dat hij laat zien dat het vroeger niet slechter was dan nu. Dat de mensen in de tijd dat ze nog jaagden minstens zo tevreden waren als de mensen nu. Sterker nog, het lijkt of de verteller wil suggereren dat het vroeger beter was.

De humor waar hij zich van bedient, maakt de roman De man die de taal van de slangen sprak nog veel vrolijker. Dat is nog een overeenkomst met Jan van Aken. Het spel met de geschiedenis, het verhaal en de mythe. Zo weten allebei de schrijvers een verleden te vertellen alsof het vandaag gebeurt.

Andrus Kivirähk: De man die de taal van de slangen sprak. Roman. Oorspronkelijke titel: Mees, kes teadis ussisõni. Vertaald uit het Est door Jesse Niemeijer. Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2015. ISBN: 978 90 446 2630 8. 384 pagina’s. Prijs: € 19,90.

Overbodige goden

image

Wotan laat zich in Elfriede Jelineks politieke pamflet Rijngoud niet uit het veld slaan door het betoog van zijn dochter Brünnhilde. Sterker nog, het sterkt hem in de overtuiging dat de goden niet meer nodig zijn. Hij is verworden tot een spook dat door Europa waard. En dat vindt hij prima. Van hem hoeft hij niet zonodig de mensheid te redden. De mens is zelf een god geworden:

Dat is de revolutie: dat iedereen overal naartoe kan gaan, als een god, en tegelijk thuis kan blijven of in het cafénet, in het internetcafé, dat ook allang niet meer wordt gebruikt omdat ieder mens zijn eigen hotspot is, iedere mens is heet en hij heet ook zus of zo en hij is ook zijn eigen portaal, alleen is geen mens nog zichzelf, iedereen is in zichzelf gekeerd of zit met zijn toestel in een normaal café, want het portaal waar hij doorheen moet, is hij immers zelf, ieder in zichzelf of waar hij graag wilde zijn. De ene freak naast de andere. (230)

Daarom moet de mensheid zichzelf maar zien te redden en verdwijnt Wotan. Geen contracten meer voor Wotan. Alleen de liefde zou hem nog kunnen prikkelen.

Elfriede Jelinek trekt Wagner in onze tijd. De goden zijn geen goden meer en hebben aan kracht verloren. Een leuk spel met de opera’s van Wagner. Ze weet met humor de bombastische componist te doorbreken. Maar het vraagt bijna evenveel concentratie als het luisteren naar een opera van Wagner.

De zwaarte is soms een lichtheid, maar vaker sleurt de lange gedachtestroom je mee. Zonder er erg in te hebben verdwijnen de mooie zinnen en gedachten in een kolkende maalstroom waar je als lezer geen enkele vat op hebt. Als je dat overwint, heb je een heerlijk boek in handen. Maar het vraagt wel wat van je om daar te komen.

Elfriede Jelinek: Rijngoud. Roman. Oorspronkelijke titel: Rein Gold. Vertaald door Inge Arteel. Amsterdam: Querido, 2014. ISBN: 978 90 214 5501 3. 238 pagina’s. Prijs: € 22,99.

Wagner als politiek pamflet

image

Rijngoud heet het nieuwste politiek pamflet van Elfriede Jelinek. Het boekje is een dialoog tussen Wotan en zijn dochter Brünnhilde. In de opera Die Walküre van Richard Wagner is zij ongehoorzaam aan haar vader. Ze helpt Siegmund in het gevecht met Hunding. Het maakt haar vader razend als hij erachter komt.

Met dat gegeven speelt Elfriede Jelinek in haar pamflet. De dialoog heeft ze verplaatst naar onze tijd. Ze wendt de kredietcrisis en de hebzucht van de mensheid aan voor een aanvulling op Wagners opera. Ze doet dit in een dialoog waarbij de gesprekspartners pagina’s lang als een gedachtestroom hun betoog opbouwen.

Het is ontzettend wennen deze bijzondere stijl. De monologen komen langdradig en soms eentonig over. Maar bij het idee dit verhaal weg te leggen, werd ik toch gegrepen door de eindeloze gedachtestromen van de twee personages uit Wagners opera.

De gedachten van de Wotan en Brünnhilde komen voorbij zoals het water van de Rijn onder je doorstroomt als je op een brug staat. Het sleurt alles mee. Niet zozeer alles wat erbij hoort, maar meer wat het tegenkomt.

En dat is best veel. Brünnhilde bevecht de geldzucht van haar vader. Ze vindt dat Wotan het rijngoud dat hij gestolen heeft moet teruggeven. Hij is het niet met haar eens. Hij stelt dat de mensen zelf hun schulden niet willen terugbetalen. Bovendien brandt het huis dat hij heeft betaald met het verworven goud: er is vuur op het dak:

Het isolatiemateriaal brandt helaas ook, wat eigenlijk niet zou mogen. Je kan ook nergens meer van op aan, want eigenlijk zou dat materiaal een brand moeten verhinderen, moeten afremmen, niet activeren, en nu staat het zelf in brand! Geen wonder dat jij jouw jaloezie, jouw oude haat niet afremt, kind! Wij goden hebben ons vermogen volledig aan de arbeid van anderen te danken, maar daarvoor hebben we uiteindelijk ook betaald, met tegenzin. En dan brandt ons huis af omdat de reuzen het verkeerde isolatiemateriaal hebben gebruikt! Polystyreen voor de polymorfen, die de anderen polyform bedriegen. Zelfs in de gedaante van een draak! Recht geschiedt hun, en het recht komt bovendien ook van hen. Zo. (83/84)

Hij wil de mensheid dus niet redden en vlucht in zijn reislust. Brünnhilde probeert hem nog over te halen door te zeggen dat de goden door deze mensheid zijn vervangen door auto’s, televisie en internet. Zelfs de opera is vervangen door concerten en de robots maken de walküren overbodig.

Lees morgen verder: Overbodige goden

Elfriede Jelinek: Rijngoud. Roman. Oorspronkelijke titel: Rein Gold. Vertaald door Inge Arteel. Amsterdam: Querido, 2014. ISBN: 978 90 214 5501 3. 238 pagina’s. Prijs: € 22,99.

Dwangstoornis

image

Op zaterdagochtend loopt hij rond de Lidl. Hij schuift met zijn schoen viezigheid weg. Luidruchtig vraagt hij mensen om een euro. Hij telt alle stappen die hij zet. Als het niet uitkomt, loopt hij terug en begint weer opnieuw.

Het eerst dat ik hem zag, jaren geleden, liep hij langs de Amsterdamweg. Vlak langs de trottoirband over de weg. Hij liep haastig. Stopte dan plotseling en liep weer terug. Hij pakte snel een papiertje van de straat en liep verder.

Zo kwam ik hem geregeld tegen. De ene keer versnipperde hij een papiertje of een ander voorwerp en wierp het op straat. De andere keer raapte hij het zelf op. Het oogde buitengewoon vermoeiend. Of zoals hij hetzelf typeerde bij de supermarkt: ‘Jeetje man, wat heb ik het druk zeg.’

Over zo’n soort man gaat De onverwachte held van kamer 13B van Teresa Toten. Het is het verhaal over een vijftienjarige jongen met OCD. OCD staat voor Obsessieve-compulsieve stoornis. Het is een dwangstoornis.

Adem heeft last van drempelvrees en dwangmatige handelingen. Zo moet hij tellen als het hem te veel wordt. Tellen in oneven getallen. Op even getallen rust een vloek.

Of hij mag een drempel niet betreden. Als hij dat wel doet, zal hem iets verschrikkelijks treffen. Het belet hem meer en meer in zijn dagelijkse gang van zaken. Het huiswerk maken voor school lukt hem nauwelijks nog. Of het lijstje maken voor de psycholoog Chuck. Alles komt steeds meer in het gedrang.

Teresa Toten vat de dwangstoornis soms heel mooi samen. Bijvoorbeeld als de hoofdpersoon Adam iets vervelends treft. Hij slaat dan meteen aan het tellen. Hij geeft zelfs zijn halfbroertje Moppie het advies aan een getal te denken als hij niet kan slapen:

Adam legde een arm om over zijn broertje heen. ‘Sst, denk maar aan het getal honderdenelf. Weet je nog – één, één, één.’ (185)

Moppie valt er gelijk van in slaap. Het gaat Adam wat minder makkelijk af. Hij waakt over Moppie en mag nog niet gaan slapen voor een ingewikkelde telling met allerlei tikken erbij gedaan is:

Hij mocht het weer niet verprutsen; de gevolgen waren te ijzingwekkend, en nu al draaiden zijn dierbaren ervoor op. Het voelde nog steeds niet helemaal goed, dus Adam moest zich tot het uiterste op nog een paar rondjes concentreren. Hiervoor waren zeventien sets snel tikken nodig en twee rondjes traag tot honderdelf. Moppie vond honderdenelf prachtig. Maar Adam was moe en raakte steeds in de war, en dan moest hij weer opnieuw beginnen. (187)

Hiermee dringt de Canadese schrijfster Teresa Toten goed in het binnenste van iemand met een dwangstoornis. Ze typeert Adam op een treffende manier als iemand die zichtbaar lijd onder zijn stoornis.

Daarmee geeft ze in De onverwachte held van kamer 13B een mooi beeld van iemand zoals ik die regelmatig tegenkom bij de supermarkt of op straat zie lopen.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn derde bijdrage over De onverwachte held van kamer 13B van Teresa Toten. We lezen dit boek bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

Teresa Toten: De onverwachte held van kamer 13B. Vertaald door Esther Ottens. Haarlem: Gottmer, 2015. ISBN: 978 90 2575 8219. 288 pagina’s. Prijs: € 15,95.

Superhelden

image

In de therapiekamer van dokter Chuck Mutinda hebben de jongeren namen van superhelden. Daar zitten Wonder Woman, Wolverine en Iron Man bij elkaar in dezelfde kamer. De arts vindt dat ze een pseudoniem mogen kiezen

Ze zouden hun door twijfel verscheurde, neurotische en ploeterende ik bij de deur achterlaten en tijdelijk een oppermachtig wezen worden. (13/14)

De jongeren roepen bijna allemaal de hulp in van een stripheld, merkt Adam:

De groep viel zelfs ruwweg uiteen in Jutsice League en Avengers, met een loslopende X-Man ertussen. Connie Brenner koos voor Wonder Woman, Peter Kolchak haalde Wolverine erbij. Kyle Gallagher zei dat hij Iron Man wilde zijn en Tyrone Cappell was het liefst Green Lantern, als iedereen dat goed vond. (14)

In de besloten wereld van de groepssessie, vindt Adam het heerlijk om hier zijn eigen superheld te zijn. Hij kiest ervoor om Batman te zijn. De keuze is afhankelijk van het meisje dat als enige ervoor kiest om zichzelf te blijven: Robin.

Het zijn vrienden voor hem. Adam gelooft dat hij in deze groep steun aan zijn superhelden heeft. Hij noemt ze ook steevast superhelden. In de opsommingen van de lijstjes die hij voor zijn psycholoog moet maken, koppelt hij de superhelden aan zijn vrienden.

Verderop in het verhaal vindt Adam het verschrikkelijk als bij het wegblijven van een medelid, dokter Chuck de persoon bij de echte naam noemt. Ze heten hier niet zoals de buitenwereld ze noemt. Ze zijn in deze ruimte superhelden.

Om 16.51 uur schraapte Chuck zijn keel. ‘Eh… jullie hebben ongetwijfeld allemaal gezien dat Wonder Woman, eh, Connie er niet is.’ Connie? Waarom was Wonder Woman opeens weer Connie? We – dat wil zeggen, Connie en haar ouders – hebben besloten dat een opname voor haar het beste is.’ (206)

Dat de werkelijkheid van de buitenwereld zich opeens vermengt met de veilige wereld in de praatgroep. Het slaat er als een bom in bij Adam. Hij wil juist de veilige omgeving van de superhelden. Hier zijn ze allemaal iemand anders.

Het is kort voor het einde waarin Adam het heft in eigen handen neemt en zich de status van superheld aanmeet in de boze buitenwereld. Daarmee plaatst hij zich juist buiten de groep. De groep kiest voor de veiligheid binnen, terwijl hij de echte problemen durft aan te pakken.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn tweede bijdrage over De onverwachte held van kamer 13B van Teresa Toten. We lezen dit boek bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nl. Lees de bijdragen van anderen in de reacties.

Teresa Toten: De onverwachte held van kamer 13B. Vertaald door Esther Ottens. Haarlem: Gottmer, 2015. ISBN: 978 90 2575 8219. 288 pagina’s. Prijs: € 15,95.

Stadsbeiaard

image

Ik fiets naar de toren van de Lichtboog toe. Het carillon speelt en de muziek daalt als regen over mij heen. Het geluid van de klokken lijkt op zilver. Het streelt en tintelt de oren tegelijkertijd. Al vind ik het carillon hier in Almere Stad te licht klinken. Het mist de zwaarte die een beiaard net iets mooier maakt. Maar voor het idee is dit carillon meer dan goed.

Een man zit op een bankje voor het verzorgingstehuis. Hij rookt een sigaret en heeft een plastic tas naast zich neergezet. In het plastic tekent zich de vorm van een paar bierblikjes af. Het doet vermoeden dat hij hier ook zou hebben gezeten als het carillon niet speelde. Verderop bij de waterfontein zit een vrouw op een bankje. Ook bij haar vraag ik mij af of ze echt daar zit om naar de muziek te luisteren.

Ik fiets verder, rij langs de toren en kijk omhoog. Het klinkt mooi. De dalende toonladders maken het nog sterker tot een zilverregen. Het wordt vandaag echt bespeeld dat kun je horen. De gemeente vond de stadsbeiaardier overbodig. Het kon ook wel met een automatisch klokkenspel, vonden een aantal partijen. De tendens is natuurlijk al heel sterk om alles wat ook maar enigszins riekt naar cultuur af te schaffen.

Het zijn maar linkse hobby’s. Je kunt je geldt beter besteden aan het bouwen van nieuwe en bredere snelwegen, subsidiëren van luchthavens en redden van omvallende banken. Alsof dat geen geldverspilling is. Maar dat terzijde.

Gelukkig speelt vandaag het beiaard wel en het geeft de hemel gelijk iets moois. Net als dat het licht ietsje lichter wordt en het rumoer wat stiller. Ik betrap er zelfs de man op het bankje voor het verzorgingshuis op. Hij knikt vriendelijk naar mij.

Zonder beiaard zou hij dat nooit gedaan hebben. Daar ben ik zeker van.