Bennies

bennies-gevonden-in-benteloNiet zo heel lang geleden schreef ik over de neergestorte bommenwerper bij Bentelo. Het artikel verschijnt volgende week in het boek: Onvergetelijke oorlogsverhalen, Delden terug naar toen. Bij de berging van het toestel in 2004 kwamen persoonlijke bezittingen uit de Bentelose aarde: een horloge, kledingstukken en een pakje met Bennies.

Over Bennies, benzedrinepillen schrijven Charles den Tex en Anneloes Timmerije ook in hun boek Het vergeten verhaal van een onwankelbare liefde in oorlogtijd. Het zijn amfetamines die de vliegers oppeppen om door te vliegen door hun slaap heen. Het houdt ze in de lucht, stelt de vlieger Winckel:

Standard issue‘, zegt hij. ‘Houdt je in de lucht, en daar gaat het toch om, want wat moeten wij nou op de grond.’ (63)

Ze zijn alleen op de grond om te tanken. De rest is het vliegen op de pillen. Zo weten Winckel 600 uur te vliegen in drie maanden tijd, waarvan hij de eerste dagen van de oorlog vrijwel non-stop vliegt. Zonder te slapen. De pillen peppen hem op en helpen hem wakker te blijven.

Ook Guus slikt de pillen. Elke drie uur een pilletje tijdens de missies. Het gevoel van uitputting verdwijnt na het innemen van zo’n pilletje. Het werkt verslavend merkt Guus Hagers. Als een Japanse jager zijn formatie aanvalt, gieren de amfetaminen door zijn lijf.

Hyper van de benzedrine, in de hoogste versnelling, komen de klappen nauwelijks aan bij Guus. Zijn reactiesnelheid ligt nog hoger dan zonder pillen. Grumpy gaat neer. Hij ziet het, hij hoort het, maar de bennies in zijn bloed jagen hem verder. Hij is sneller dan de klap. Altijd sneller. Sneller dan het verlies. Wat hij voelt, komt later, en ook dat is vervormd. (196)

De klap komt inderdaad later als hij zijn smalle vliegtuigstoel niet meer uitkomt.

Het liefst zou hij één of twee bennies willen, het is een onwillekeurige behoefte. Hij is zo gewend aan de pillen dat hij zich niet eens meer afvraagt wat er et hem aan de hand is. Hij weet dat één bennie de intense leegte uit zijn lijf zal verdrijven, maar zijn laatste pilletje heeft hij twee dagen geleden genomen en buiten de aanvalsbasis zijn ze veel minder makkelijk verkrijgbaar. (234)

Hij kickt ervan af. Het helpt hem zijn emoties beter onder controle te houden. De instorting duurt anderhalve dag en twee nachten, waarna hij zich weer hervat en gaat vliegen. Daarna komen de bennies niet meer voor in het verhaal. Dus of Guus Hager er echt mee gestopt is…

Charles den Tex & Anneloes Timmerije: Het vergeten verhaal van een onwankelbare liefde in oorlogstijd. Breda: De Geus, 2014. ISBN: 978 90 445 3348 4. 416 pagina’s. Prijs: € 19,95.

Een perfecte dag voor literatuur

Dit is mijn bijdrage over Het vergeten verhaal van een onwankelbare liefde in oorlogstijd van Charles den Tex en Anneloes Timmerije. We lezen dit boek op vandaag bij Een perfecte dag voor literatuur van notjustanybook.nlLees de bijdragen van anderen in de reacties.

Het boek Onvergetelijke oorlogsverhalen, Delden terug naar toen verschijnt volgende week zaterdag en is te bestellen via: dtnt.nl/bestellen.

Het teken van de bidsprinkhaan

image

In de roman De bidsprinkhaan van André Brink speelt de bidsprinkhaan een hoofdrol. Het dier is voor de Khoikhoi de heraut van de voorspoed, vertelt de verteller in Brinks roman. Als na Kupido Kakkerlaks geboorte een bidsprinkhaan op het vormeloze pakketje zit te bidden, kan er niets anders dan een wonder gebeuren. Het kind is niet dood, het kind leeft!

Vanaf dat moment vergezelt de bidsprinkhaan hem. Telkens als het dier op het toneel verschijnt, gebeurt er iets bijzonders. Dat gebeurt het hele verhaal. Bijvoorbeeld als hij op de bok bij de verhalenverteller Servaas Ziervogel zit onderweg door Zuid-Afrika:

tussen hen in op de bok, precies in het midden, hoog op zijn voorpootjes biddend samengevouwen, oogverblindend groen en een bidsprinkhaan.
Dat is het teken waarop hij heeft gehoopt. (59)

In het tweede deel van De bidsprinkhaan is de zendeling James Read de verteller. Hij is zich zeker bewust van de betekenis van dit diertje voor de Khoikhoi, maar hij krijgt een wijze les van Kupido. Een bidsprinkhaan hoort wel buiten en niet binnen, hoort de Britse zendeling van Kupido:

‘Een bidsprinkhaan is net als een ster, zijn plek is buiten. Als hij naar binnen komt, gebeurt er allerlei slechts.’ (215)

De bidsprinkhaan als troost en rots in de branding. Het hele boek door vergezeld dit heilige diertje Kupido Kakkerlak. De twijfel slaat dan ook bij Kupido toe als hij een ezelswagentje op hem af ziet komen vanuit de verte. Een zwarte man in witte kleren zit op de bok.

Naast hem op de bok zit rechtop en hooghartig een groene bidsprinkhaan. Zit hij daar echt of is het iets waarop je je in het felle licht kunt verkijken? (278)

Het is voor Kupido een teken aan de wand. Dat de bidsprinkhaan er niet meer zit als hij meegaat, is niet erg. Ze hebben hem niet meer nodig, het teken is voldoende.

André Brink: De bidsprinkhaan. Oorspronkelijke titel: Praying Mantis. Vertaald door Rob van der Veer. Amsterdam: Meulenhoff, 2004. ISBN: 90 290 7760 3. 288 pagina’s.

Schapen op de uitkijk

image

De zon lokt ons naar buiten. We gaan even een rondje fietsen op deze heerlijke middag. Al fietsend merken we wel dat de wind wat tegen ons blaast, maar daar trappen we moedig tegenin. Niet elke tegenwind is een tegenslag.

image

Ik geniet van de mooie luchten, het spel van de wolken met de zon en de kale bomen waartussen het licht stroomt. De wind in de ogen maakt het beeld soms nog iets troebeler. En zo komen ze aan je voorbij: de konijntjes op het industrieterrein, de hoogspanningsmasten die overal opdoemen en het verkeer dat verderop raast.

image

We zwerven wat rond tot ik op het idee kom om even langs de schaapskooi te rijden. Misschien zijn er lammetjes, vertel ik Doris. Ze wordt enthousiast. Dat wil ze wel zien. We kruipen door het gangetje onder de snelweg. Nuon adverteert dat ze de donkere gang tot de lichtste onderdoorgang van Almere hebben gemaakt. De snoepkunstenaar heeft alles opgevrolijkt met snoeppapiertjes op de betonnen wanden.

image

De schapen in de schaapskooi hebben nog niet gelammerd. Het kan elk moment gebeuren. De drachtige schapen hebben dezelfde uitstraling als hoogzwangere vrouwen. Moe van het gewicht dat ze bij zich dragen. Ergens zijn ze het helemaal zat. Laat het maar komen, lijken ze te verzuchten.

image

Een heel breed schaap weet geen raad met haar poten. De achterpoten gaan de hele tijd op en neer. Een ander schaap dat een plekje heeft gevonden in het hooi, is rustig aan het herkauwen. Onderwijl zie je de lammetjes in haar buik bewegen. De bult verschuift iets naar voren.

image

Doris vindt de klimtoestellen buiten veel interessanter dan de herkauwende schapen. Een jongetje die overal commentaar op heeft, zit in de grote schommel en laat zich heerlijk heen en weer schommelen terwijl Doris het gevaarte steeds harder laat slingeren.

image

Als de schapen lammeren, mag je niet meer naar binnen. Dan moet je door het raam naar binnen kijken. We nemen ons voor volgende week zeker nog een keer een kijkje te nemen. Binnen breien vrijwilligers de wol op van de geschoren dames. Speciaal voor de hygiëne zijn de schapen geschoren voordat ze gaan lammeren.

image

We rijden nog even naar de uitkijktoren van Utopia. Gewoon omdat we er nog even zin in hebben. Doris neemt niet de trap, stapt als een heuse spin tussen twee touwen door naar de overkant. Voorzichtig en behoedzaam. Alleen haar vader vreest het ergste. Zeker als in het midden de koude wind haar doet slingeren en ze elk moment in de sloot kan vallen.

image

Maar ze brengt het tot een goed einde. We lopen naar de uitkijktoren. Wat zou er met de toren gebeuren als hier straks de Floriade verrijst. Het terrein oogt verwaarloosd. We moeten over allemaal takken en stukken metaal stappen om in de toren te komen.

image

We klimmen omhoog en genieten boven weer van het uitzicht. In het Weerwater dobbert een koppeltje eenden en wat verderop krijst een meerkoet over het water. Verder spiegelen de wolken in het wateroppervlak. Wat verderop heeft de wind vat op het water en maakt ze golfjes.

image

Beneden valt de schaduw van de uitkijktoren over het gras en duikt daarna in het water. Een groepje mensen loopt langs de waterkant in de richting van een boodschappenwagentje dat in het water ligt. De waterkant oogt modderig en de eenden raken steeds verder van de kant, dieper het Weerwater op.

image

Als we weer naar beneden gaan, telt Doris de treden. We zijn er bijna en raken bijna de tel kwijt. Zeker ook omdat een groepje mensen zeer luidruchtig ons tegemoet klimt. We komen op 107 treden en stappen weer over de metalen plank en komen buiten.

image

Terug neemt Doris niet de touwbrug, maar stapt over het houten bruggetje naar de fietsen. We rijden even later weer lekker naar huis, halen een hond in en kijken vanaf de waterkant naar het stadshart.

image

WD40

image

Een opvallend element in Ralf Mohrens Tonic zijn de treffende vergelijkingen die de verteller Arthur Poolman maakt. Hij merkt dat hij bij weinig belangstelling kan opbrengen voor kletspraat. Is het een karakterfout, vraagt hij zich af.

Hoort kletspraat er gewoon bij? Is dat de waterverdrijvende spray, de WD40, voor het menselijk verkeer en heb je dat maar gewoon te accepteren omdat het vastloopt. (143)

Tonic zit barstensvol met dit soort vergelijkingen. Arthur Poolman weet zo heel beeldend de problemen waarmee hij worstelt onder woorden te brengen. Ze helpen mee om het verhaal te versterken.

Bijvoorbeeld om aan te geven dat het drinken zijn lijf helemaal uitput:

Ik was een auto met een lekke koppakking waarvan nog maar twee cilinders functioneerden. (110)

Hij gaat verder in de vergelijking:

Nou, ik liep maar op één poot en bij tegenwind of het minste heuveltje viel ik stil. (111)

Verderop vergelijkt de verteller Arthur Poolman de drank met een vriend, een trouwe hond die altijd aan zijn zijde is. Terwijl kort daarvoor zijn geweten nog als een tevreden poes tegen de verwarming lag te slapen.

Het zijn die vergelijkingen die heerlijk zijn om te lezen en die het boek kleur geven. Ze maken het zware thema van de drankverslaving dragelijk. Het plezier in het spel met de taal en het verhaal, laat zien dat Ralf Mohren mooi en treffend kan schrijven.

Dat gaat veel verder dan alcoholisme. Daarom zie ik uit naar zijn volgende boek.

Ralf Mohren: Tonic, (non-)alcoholische roman. Amsterdam: Meulenhoff, 2015. ISBN: 987 90 290 8940 1. Prijs: € 18,95. 256 pagina’s.

Droogdrinken

image

Droogdrinken noemt het personage Soren het in Ralf Mohrens roman Tonic. Of zoals de verteller Arthur Poolman het uitlegt:

Droogdrinken is met veel voldoening terugdenken aan de tijd dat je dronk en gebeurtenissen die toen plaatsvonden ophemelen zonder de consequenties mee te nemen in de waardering ervan. (121)

Soms lijken de herinneringen die Arthur Poolman aanhaalt ook op dat droogdrinken. De roes van de drank, het leven in het nu en vergeten van alle zorgen. Zelfs morgen lijkt dan niet te bestaan.

Of zoals hij het zelf verwoordt, de verdoving van de drank: het drinken brengt hem bij zijn dromen.

Zonder drank leven is zonder dromen leven. Hoe nep die dromen misschien ook waren, ze werkten wel. Een fake-orgasme is, mits goed uitgevoerd, voor de ontvangende instantie volstrekt bevredigend. Je weet niet beter en je kunt je er gewoon lekker aan warmen: goed gedaan en nu lekker slapen gaan. (227)

De dromen verdwijnen omdat hij stopt met drinken. Hij mist het soms, maar droogdrinken helpt niet. Al zit hij soms mijmerend in de kroeg terug te denken aan de tijd dat hij nog dronk. Gelukkig overwint de ellende die aan het drinken gekoppeld zit, elke keer.

Het leven vindt Arthur Poolman wel saaier geworden sinds hij niet meer drinkt. Hij merkt dat er vrienden zijn waarbij de vriendschap alleen om de drank draaide, zoals zijn tennismaatjes. De oude vriendschappen houden wel stand, al is het heel erg zoeken naar nieuwe vormen. De drank is namelijk verdwenen.

Dat geeft leegte, een leemte die Arthur Poolman weer probeert op te vullen. Bovendien heeft hij veel extra tijd gekregen. Hij zoekt in Tonic naar het vullen van die leemte en daarnaast probeert hij het leven met de drank te verwerken.

Ralf Mohren: Tonic, (non-)alcoholische roman. Amsterdam: Meulenhoff, 2015. ISBN: 987 90 290 8940 1. Prijs: € 18,95. 256 pagina’s.

De val en de feestweek

image

Arthur Poolman, de hoofdpersoon in Ralf Mohrens debuutroman Tonic, ontdekt het boekje De val als hij in Deventer is. Hij koopt het boek van August Willemsen in zijn laatste feestweek. Een week waarin hij zich helemaal te buiten gaat en zichzelf verliest in de alcohol.

Zelfs over De Val, mijn laatste feestweek, moet ik vertellen. Eerlijk en open. Het verhaal moet mijn heelmeester zijn/ Mijn medicijn. Mijn tonic. Omdat het oude medicijn geen medicijn meer is. (23)

Hij vindt het boekje in een antiquariaat, een van de vele antiquariaten die boekenstad Deventer rijk is:

Het kostte bijna niks, evenveel als een amsterdammertje. (83)

Arthur Poolman leest het en vereenzelvigt zich vrijwel meteen met de hoofdpersoon August Willemsen:

Ik zou geen heup breken, hoewel het makkelijk had gekund. Het raamwerk, het verhaal , stond echter als een huis. (84)

Terwijl hij het verhaal van Willemsen leest, leest hij zijn eigen verhaal. De Val van Arthur Poolman is aanstaande. Het zal niet lang meer duren. Deze fatale dagen heeft de verteller opgedeeld in de cursieve hoofdstukken waarmee hij het grote verhaal opdeelt. In het grote verhaal verwijst hij vaak naar deze gedeelten.

Daarmee treedt bij Arthur Poolman hetzelfde effect op als in De Val. Het lijkt therapie voor alcoholisten: terug naar het delirium, het moment dat de werkelijkheid verdrinkt in de drank. August Willemsen speurt in zijn dagboeken en brieven naar de momenten dat hij zichzelf verliest in de drank. Arthur Poolman maakt een zorgvuldige reconstructie van die laatste feestweek.

Verbazingwekkend treffend weet hij in Tonic de beschrijven hoe hij zichzelf helemaal kwijtraakt. De drank beheerst hem en er lijkt geen weg terug. Zijn hele omgeving beseft dat, maar hij nog niet. Daarvoor moet hij diep vallen. Net als Guus in het boek De val. Al maakt de hoofdpersoon uit De val het veel bonter, vindt Arthur. Hij herkent er akelig veel in.

Net als in De val besteedt Arthur Poolman de rest van het boek vooral aandacht aan de speurtocht naar zichzelf en waar de afhankelijkheid van de drank begon. Hij speurt en komt uit bij zijn studententijd. Heel de wereld is rond de drank gaan draaien. Met dat hij stopt met drinken, verandert ook zijn sociale leven en dat is heel zwaar.

Daarmee weet Ralf Mohren met Tonic het boek De val van August Willemsen te evenaren. Het vormt een mooi duo. En met welk boek je zou moeten beginnen, durf ik niet te zeggen.

Ralf Mohren: Tonic, (non-)alcoholische roman. Amsterdam: Meulenhoff, 2015. ISBN: 987 90 290 8940 1. Prijs: € 18,95. 256 pagina’s.

August Willemsen: De val. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 1991. Privé-domein nr. 177. ISBN: 90 295 5744 3. 178 pagina’s.

De val

image

En ineens zag ik De val een paar weken later liggen op de tafel afgeschreven boeken. Dat liet ik niet liggen, een euro! Ik nam het mee naar huis, begon er vrijwel meteen dapper in. Het verhaal van een alcoholist die valt en die in een verpleegtehuis belandt. Omringd door mensen, ellende en andere alcoholisten.

Het is een warrig verhaal, dat vooral komt door het citeren van talloze geschriften die Willemsen eerder heeft opgesteld. Het maakt het verhaal lastig voor een vluchtige lezing, maar mooi bij zorgvuldige lezing. Dat ontdekte ik de laatste dagen bij het lezen van het verhaal van Willemsen.

Ik herkende er ook veel in. Ik heb namelijk twee jaar met dak- en thuislozen gewerkt en herken de verslavingsproblematiek. De overtuiging dat het nu wel goed gaat, maar de terugval die dan komt en die heftiger is. De verdoving lijkt sterker te zijn. De behoefte aan verdoving is ook sterker.

Wat het mooie aan De val is, is dat August Willemsen een inkijkje geeft aan wat er gebeurt in zo’n roes. Hij verliest alle realiteit. Alleen de klok kan hem nog helpen. De onrustige dromen en het verval dat er geleidelijk in sluipt.

Dit boek versterkt mijn opvatting dat alcohol een verschrikkelijke drugs is. De slijter komt bij Willemsen niet verder dan enkele voorzichtige waarschuwingen. De verloedering en het verval monden uit in de hevige val waarbij hij zijn heup breekt.

Het boek is een reconstructie van de maanden voor de val en een zoektocht hoe het toch komt. Een antwoord vindt hij niet. Het einde verraadt dat hij er niet van af is, maar misschien wel meer een balans heeft gevonden. Of het hem zal weerhouden nooit meer te drinken, verraadt zijn biografie op internet. In 2007 overleed hij en de berichten over hem laten zien dat hij nooit van de fles af kon blijven.

Dat is de kracht van het boek De val. August Willemsen geeft op een openhartige wijze een inkijkje in het leven van een verslaafde. Het verlangen naar de drank. Het voornemen te stoppen en de afhankelijkheid van alcohol. Hij laat zien dat zijn verslaving hem in zijn functioneren belemmert. In mijn opvatting dé definitie van verslaving: de afhankelijkheid belemmert je om goed te kunnen functioneren.

August Willemsen: De val. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 1991. Privé-domein nr. 177. ISBN: 90 295 5744 3. 178 pagina’s.

Gevallen

image

Het boek lag ergens bij de dagboeken en autobiografische geschriften in de bibliotheek. De val heette het. Voorop een foto van twee hoge torenflats en een breed fietspad loopt de bladzijde omhoog.

Onmiskenbaar zo’n nieuwbouwwijk in Amsterdam. Waarschijnlijk de Bijlmer. Op het fietspad rijden twee brommers. Iets verderop ligt een jas of plastic tas. De foto duidelijk genomen vanuit een andere torenflat. Het beeld deprimeert en dat intrigeert mij weer. Net als de twee olifantenpaadjes die mooi evenwijdig van onder de pagina naar omhoog komen.

En dan is er die eerste alinea, geschreven op 11 februari 1990 die je gelijk naar binnen trekt.

Ik zit hier bijna twee maanden. De heer Van M. probeert de hele dag uit zijn rolstoel te komen, waarin hij zit vastgebonden; de heer J. morst en kliedert, slaapt en rookt scheefgezakt in zijn rolstoel; de heer S. vertelt elke ochtend dat hij aan zijn heup geopereerd is (dat zijn we allemaal) en ouwehoert; de heer Sch. klaagt over pijn (die hebben we allemaal) en ouwehoert schreeuwend. En nu heb ik het nog niet eens over de heer G., die is weggelopen. Hoe ben ik hier verzeild geraakt. (5)

Tegen zo’n begin is geen kruid opgewassen. Dat wil je verder lezen. Hier is een rasverteller aan het woord met een adembenemende stijl. Het is de beroemde vertaler van Portugese en Braziliaanse poëzie, Fernando Pessoa en Carlos Drumond de Andrade, namelijk August Willemsen. In het verhaal meneer Willemsen of meneer Willems.

Ik vond het boek in de bibliotheek las de eerste stukken, maar legde het weer terug. Nee, niet nu. Later. Het nam mij teveel mee en ik moest veel andere boeken lezen. Ik zette het boek terug. Het boek viel bijna uit elkaar van ellende en veelgelezen.

August Willemsen: De val. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 1991. Privé-domein nr. 177. ISBN: 90 295 5744 3. 178 pagina’s.

Tonic en De Val

image

Bij de bloggersbijeenkomst van uitgeverij Meulenhoff sprak ik Ralf Mohren even. Ik wist niet zo goed wat ik van zijn (non-)alcoholische roman Tonic moest vinden. Deze debuutroman van hem zou een paar weken later uitkomen. Zou het weer zo’n beklag van een ex-alcoholist worden of zat er wel iets moois in?

Ik vertelde hem over het boekje De val van August Willemsen dat ik een paar maanden eerder had gelezen. Een bijzonder boekje over alcoholisme is dat. Vooral de fragmenten waar Willemsen citeert uit zijn dagboeken. Het zijn halve dromen waarbij al het besef van tijd, plaats en ruimte wegvallen.

Mohren werd heel enthousiast toen ik het hem vertelde. ‘Dat boek, De val, komt juist ook voor in mijn boek.’ Hij vertelde dat hij het een prachtig werk vond. Dat het boek voor hem een voorbeeld was. Een klein eerbetoon in zijn eigen debuutroman.

Vanaf die ontmoeting liet mij de roman Tonic niet meer los. Dat boek wilde ik ook lezen. Al was het alleen maar om het aparte boek van August Willemsen hierin terug te vinden. Dat zo’n boek als inspiratie dient voor Tonic, kan alleen maar betekenen dat het debuut van Ralf Mohren heel goed is.

En goed is het debuut van Ralf Mohren zeker. De alcoholische beelden spelen ook een rol net als in De val van August Willemsen. Al is Tonic een totaal ander boek geworden. Het is een boek dat je niet loslaat en waarvan je kunt genieten.

Daarmee is Tonic meer dan een roman over drinken en stoppen met drinken. Het is een boek geworden dat veel meer vertelt: over loslaten, verdriet, schaamte en afhankelijkheid. Door deze grootse thema’s komt het zelfs verder dan De val.

Morgen lees ik eerst August Willemsens boek De Val.

Ralf Mohren: Tonic, (non-)alcoholische roman. Amsterdam: Meulenhoff, 2015. ISBN: 987 90 290 8940 1. Prijs: € 18,95. 256 pagina’s.

Dikke Jeanne

image

Frans Laarmans komt in de roman Lijmen/Het Been in dienst bij Boorman. Aan de overkant van de straat waar de firma Lauwereyssen gevestigd is, heeft dikke Jeanne haar kroeg. Ze groet Laarmans al als hij de eerste keer bij de firma is geweest met Boorman. Volgens mevrouw Lauwereyssen zou Jeanne het personeel van hun firma opruien.

Enfin, een mens waar iedereen bij ’t binnenkomen in knijpt, en die hen onder ’t tappen maar steeds gelijk geeft. (110)

Als Frans Laarmans op onderzoek gaat om te achterhalen van wie de straat is, gaat hij op advies van Boorman bij Jeanne langs:

Een halfuur later zat ik met Jeanne op mijn schoot en in minder dan geen tijd had ik dertig frank te betalen. Tegen vijf uur keerde ik terug met het bericht dat de gang van de smid was en dat het smeden iedere ochtend om acht uur aan de gang ging. (157)

Later drinkt hij regelmatig moed in bij dikke Jeanne als hij een nieuwe termijn geld komt ophalen bij mevrouw Lauwereyssen. De laatste keer passeert hij haar raam omdat hij de laatste termijn helemaal zelf mag houden. Hij wordt vergezeld door een engel en een duivel met de stem van Boorman:

“Je hoeft alles niet naar dikke Jeanne te dragen, kerel. Zet de hoofdsom op mijn bank, dan zal zij aandikken… Hi, hi, hi,” grinnikte de duisternis. (167)

Laarmans wil mevrouw Lauwereyssen het resterende bedrag schenken, maar dat weigert ze. Ze wil alles tot de laatste cent betalen. Ze weigert ook maar iets van Boorman aan te nemen.

Ik vind de rol van dikke Jeanne in Elsschots roman heel erg treffend. Ik vermoed dat ze zoals mevrouw Lauwereyssen in het begin suggereert, erg makkelijk met haar klanten omgaat. De vriendschappelijke houding waarmee ze met Laarmans omgaat, suggereert dat er iets meer is dan alleen een pilsje bij haar drinken.

Sylvia Kristel

In de verfilming van het boek speelt Sylvia Kristel de bardame. Volgens blogger Dagmar gaat Jeanne wel heel vriendschappelijk met Laarmans om in de film, terwijl dat in het boek niet zo zou zijn. Daar ben ik het volstrekt mee oneens. Ook in het boek gaat dikke Jeanne heel vrij om met Laarmans en je vermoedt dat de twee een verhouding hebben.

Al heeft Sylvia Kristel niet het postuur zoals dat je dat zou verwachten bij het lezen van Lijmen/Het Been. Wellicht dat hiervoor het vervolg Het been heeft bijgedragen aan deze keuze.

Zwaargepoederd

In Het been herkent Laarmans dikke Jeanne namelijk niet als hij in het café binnenstapt waar ‘een zwaar gepoederde lichtblonde vrouw op jaren’ voor ’t venster zit te breien. Hij vraagt aan haar hoe lang Jeanne al uit de zaak is, maar hij ziet niet dat het de Jeanne zelf is met wie hij spreekt. Een suikerziekte heeft haar sterk vermagerd:

“Veel te zwaar was ik,” concludeerde zij, “want ik heb nog meer dan genoeg.” En de proef op de som zettend duwde zij in haar leden zodat het restant van haar boezem weer tijdelijk tot boven in haar korset opwentelde. (205)

Ze laat daarna trots de plaquette zien die het personeel van de firma Lauwereyssen aan haar gegeven heeft. De foto ziet Laarmans duidelijk, is uit een Wereldtijdschrift geknipt.

Verder komt Jeanne Vermeersch niet meer voor in Het been. Daar draait het vooral om de berouwende Boorman die kostte wat kost het afgetroggelde geld aan mevrouw Lauwereyssen wil teruggeven.

Willem Elsschot: Lijmen/Het Been. Bezorgd en toegelicht door Peter de Bruijn. 4e druk als Atheneum Pocket. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep, 2010. ISBN: 978 90 253 6767 1. 268 pagina’s.