Tropenpak

Het hing om een paspop bij de kringloopwinkel: een tropenpak. Ik zag het hangen en twijfelde. Moest ik nou wel een tweedehands pak kopen? En zou het niet veel te groot zijn? Mijn postuur staat enkel strakgesneden pakken.

Ik vond het een prachtig pak. Niet alledaags. De lange rij knoopjes met de prachtige hals in het jasje, trokken mij. Het beeld liet mij niet meer los. De donkere stof met het pakkende model. Een ander pak dan je altijd ziet. Waarom zou ik het niet kopen?

Ik zag het vorige week al hangen en kreeg gisteren weer de kans naar de kringloopwinkel te fietsen. Toch gegaan, ondanks de twijfel. Het zal wel weg zijn, hoopte ik ergens. Maar het hing er nog.

Ik trok het aan. De broek zat als gegoten. Het jasje was een paar slagen te groot. Ik keek naar de herkomst. Aan de binnenkant stond dat het gemaakt was door Harylall’s confectie uit Paramaribo. Puur maatwerk dus.

Inge was erg enthousiast. Ze vond het jasje te groot, de stof te versleten. Maar het model prachtig. ‘Dat is wat we zoeken’, zei ze. Ze doelde op de speurtocht naar een model voor het huispak van afgelopen voorjaar. Dit pak vind ik prachtig. Het mag dan te groot zijn, ik heb er gisteren de hele dag in rondgelopen…

 

Verstopte dakgoot

image

Ergens in de zomer begon het: bij een hoosbui overstroomde de dakgoot. Eerst dachten we nog dat het aan de hoosbui lag, maar later overstroomde hij ook als het een normale bui was. Dagen na de regenbui was de dakgoot gevuld met water.

Misschien zit het bovenin, dachten we. Uit het raam hangend, trok ik met een bezem langs het verbindingspunt tussen dakgoot en afvoer. Het water klotste over de rand van de goot heen. Er gebeurde weinig. Alleen stroomde het water royaal langs de afvoerpijp naar beneden. Aan het eind van de dag was de goot leeg.

Bij elke regenbui kletterde het water de 7 meter uit de dakgoot naar beneden. Op de hoek het ergste. Daar stroomde een heuse waterstraal naar beneden. Midden in de verse grond van het moestuintje in aanleg. De grond klonterde binnen een week samen tot een amorfe massa.

De kauwtjes lieten zich afschrikken door het kanaal voor hun huis. Ik zag ze met een plons het water induiken en in de holte onder het dak verdwijnen. Die kwamen vrijwel dagelijks met een nat pak thuis.

Misschien moet je het vuil er bovenin uithalen, zei Inge. Ik zette de trap dapper neer en zou die klus wel even klaren. De trap haalde de dakgoot niet. Ik probeerde een dappere poging maar ontdekte ergens halverwege dat de goot wel erg hoog was. Ik liep langs het raam van de eerste verdieping. Het was nog een hele weg. En hoe kon ik ooit in die dakgoot kijken als ik op de bovenste trede stond. Ik droop weer af naar beneden.

Nog een poging een dag en een regenbui later, kwam ik een paar tredes hoger. Maar het was nog altijd niet hoog genoeg. Het werd tijd voor rigide maatregelen. ‘Straks moet de hele boel uitgegraven worden’, zei ik. Ik zag de bui al hangen.

Een kennis zou wel even kijken en er iets opleggen zodat de bladeren niet meer in de afvoer zouden komen. Hij kwam niet, maar de overstromingen bleven en werden zelfs iedere keer sterker. Met een aardige bui, hoosde de goot over en viel een flinke plons water recht naar beneden. De verse grond van de moestuin spatte op. Zo sterk dat de muur onderop helemaal zwart zag.

Dat kon echt niet. We moesten maar een ander middel inzetten en op zoek naar een loodgieter die voor ons wilde kijken. Ik kreeg rode dollartekens in mijn ogen. Dat zou geld gaan kosten. Een eigen huis levert meer ellende op dan voordeel, dacht ik. De hypotheek drukt zwaar op de maandelijkse lasten. En het levert weinig op. Bovendien mag je bij elk wissewasje mannetjes bellen in de hoop dat zij het voor een acceptabel bedrag oplossen.

Inge ging aan de slag, belde het ene bedrijf na het andere. Niemand kon een prijsindicatie geven – we moeten het zien voor we iets kunnen zeggen –, tot iemand uit Amstelveen het wel voor 130 euro wilde doen. Na afloop contant betalen. Die middag was nog wel een gaatje.

Ze had het geld net gehaald en het busje stond al in de straat. Helemaal geen ladder of afvoerdekseltje. ‘Mevrouw het heeft helemaal geen zin om zo’n ding te installeren. Dan kunt u elk jaar bladeren uit de dakgoot scheppen.’ Hij keek met afgrijzen naar boven en pakte ee n boor. Hij draaide een gat in de afvoer, hengelde er wat troep uit. ‘Mevrouw pas op’, riep hij nog. Waarna het water uit het kleine gaatje spoot zoals bij een brandweerspuit. Het hele stukje stoep voor het huis lag onder water. Tot aan de drempel van de voordeur stond het.

Daarna wurmde de loodgieter een ontstopper door het gaatje in de afvoer. In de bocht van de afvoer had zich een enorme massa bladeren en ander vuil verzameld. Hij moest er flink voor duwen en trekken om het eruit te krijgen. ‘Ik denk dat ik erdoor ben’, zei hij. Daarna liet hij een gieter water leeglopen in het boorgaatje. Het liep weg.

Hij incasseerde de 130 euro en gaf zijn garantie. Als de goot nog steeds verstopt zit, komen ze terug. En verdween van het werkje. Een halfuurtje was hij bezig geweest. Ik had het er niet zelf voor kunnen doen. Hoeveel tijd zou ik er niet mee bezig zijn geweest? Daar wil ik even niet aan denken.

Mijn leuk schooltje

image

Het tafeltje ligt vol met de lesmaterialen. Keurige stapeltjes boeken en schriften. De wereld in getallen, een werkboek waarin ze mag schrijven, een geschiedenisboek. De eerste lessen al gedaan. Het keurige handschrift, dat sprekend op de voorbeelden erboven lijkt. We zijn op school. Voorstellen in de klas, de juf een hand geven en horen over dit nieuwe schooljaar.

Ik denk terug aan de avonden thuis. Het eten gegeten. Het is donker. De ramen beslagen. Voor het slapen gaan. De eindeloze schrijfoefeningen. De letters kronkelig, niet dat mollige van de juf, maar hoekig en buiten de lijntjes in uitschieters omhoog en omlaag. Ik oefen mijn vingers stuk. De afdruk van de pen in mijn vingerkussentjes. Hard drukkend op het papier.

De lijnen buigen niet mee, maar blijven halsstarig liggen als strenge politieagenten. Het handschrift eronder als gevangenisbewaker: ‘slordig’. De sleutel draait het slot dicht. Volgende keer beter. Maar het werd alleen maar slechter.

De rekensommen, met het telraam. ‘Hoeveel is dit papa?’ vraagt ze. Ze schuift met de kleuren. Ik noem iets. ‘Juist’, zegt ze. Weer een ander getal schuift ze bij elkaar. Op het bord rekent een kind. Ze schrijft iets tussen de letters. Mooi zo’n digitaal bord. Ze stipt rechts onderin een ander kleurtje in. De cijfers die ze schrijft, veranderen van geel in paars.

In het hoekje van de klas, staat een bankje. ‘Daar mag je op zitten als je klassendienst hebt’, vertelt ze. Ik zeg dat ik jaloers ben. ‘Die heb ik niet op mijn werk hoor.’ ‘We mogen dan een boek van de bibliotheek lezen.’ Ik vind het geweldig. Ze heeft de klok erbij gehaald en laat zien hoe laat het nu is. De wijzers schuiven over de wijzerplaat. ‘Hoe laat is het papa?’

Een tekening van een bloem. ‘Ik heb het gezichtje getekend’. De vlinders fladderen om de bloem. Grote bladeren wijzen omhoog. Ze hebben samen gemaakt. Haar eigen stijl is al te herkennen. Terug naar het tafeltje. Ze laat een geplastificeerde leeswijzer zien. Haar naam heel groot. Een wolkenhemel. Ik zie een vliegtuig in de wolken. Achter het raampje zit iemand. Een wolk drijft weg. In de wolk is een hart getekend met een gezicht erin.

Het zit erop. Ik denk terug aan de klassenavond. M’n ouders spreken de juf. Ik krijg extra schrijfoefeningen mee. De volgende morgen ligt een koetjesreep in het laatje van mijn bureau. Naast het schrijfschriftje dat ik die avond mag meenemen om in het weekend te gaan oefenen.

Levend gedicht

Muurgedicht op strandhuisje bij het Weerwater in Almere

Bij een strandje aan het Weerwater staat een gedicht op de muur van het strandhuisje. Er staat:

Zo wat zie jij er goed uit!
Als ik geen tekst
op een muur was
zou ik naar je fluiten!

Daaronder staat een jongen met een gitaar afgebeeld en in priegellettertjes onderin is het ondertekend met: ‘We need culture’.

Het is een vers dat pakt en je even stilzet. Als ik een rondje Weerwater hol, kijk ik altijd even naar de regels en denk er een stukje over. Heerlijk om zo je voeten achterna te rennen en de regels nog een paar keer over je tong te laten rollen.

Ik moest eraan denken bij het lezen van een gedicht van Leo Vroman. ‘Voor wie dit leest’ , heet het. Uit het gedicht spreekt een verlangen om uit het gedicht te komen. Het gedicht dat mens wordt en een dialoog aangaat met de lezer. De liefde die de dichter in het gedicht legt, leest de lezer weer wakker. Het verlangen dat dan spreekt, is het verlangen van de dichter.

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn
en door de letters heen van dit gedicht
kijken in Uw lezende gezicht
en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Ik vond het zomaar in een boekje, een bundeling van 3 jaargangen Singel 262. Eigenlijk staat er hetzelfde als op het muurtje. Iets dieper uitgewerkt. Tussen een flirt en liefde vloeit er flink wat water door de Rijn. Het gedicht dat leeft en liefheeft.

Een tablet en 2 mobieltjes

Haar vinger glijdt over het scherm. De vinger stopt en geeft een kort tikje op het glas. Het apparaat flikkert op in een andere kleur. Een linkje. Ze speurt verder. Haar ogen hollen de vinger achterna. Weer een tikje. Weer een andere kleur.

Op zijn kant staat de tablet op haar schoot. Er klinkt een piepje. Op het tafeltje flikkert een mobieltje op. Er liggen er twee. Ze kijkt van haar tablet weg. De vinger schiet naar het mobieltje en schuift daar over het glas. De tablet ligt op haar schoot. Haar vingers zoeken razendsnel contact met het scherm van haar smartphone. Een bericht.

Het bericht getypt, een blik op het andere mobieltje dat zwijgzaam en zwart op het tafeltje ligt. Geen bericht. De tablet gaat weer omhoog. De vinger glijdt weer over het scherm. De kleuren lichten weer op. De trein remt af. Dan gaan haar ogen naar het grote venster op de wereld. Ze nadert haar bestemming. Ze klikt op de zijkant van het scherm en doet de klep op het glas.

De tablet verdwijnt in de tas. Allebei haar handen grissen naar een mobieltje op het tafeltje. Het ene verdwijnt direct in een jaszak. Het andere krijgt nog een blik. De vingers strelen het glas. Een glimlach op haar gezicht. Een lief berichtje. Haar vingers schieten weer over het scherm terwijl ze opstaat en al berichtend over het gangpad loopt. De kleur van het scherm weerspiegelt in haar gezicht. Het lampje verdwijnt naar de uitgang.

Een feestje

image

Ze mocht een feestje geven op haar zestiende verjaardag. Voor het eerst organiseerde ze het zelf. Haar ouders zouden bij een tante overnachten en haar broer en zus zouden gaan stappen in Groningen. Zo had ze het rijk alleen. Zij en haar vrienden.

Ze zou ook Tim uitnodigen. De leukste jongen van de klas. Volgens Marije vond hij haar ook leuk. Hij komt zeker, had Marije gezegd. Zeker als je Martijn erbij uitnodigt. Ze was geen vrienden op facebook met Martijn. Wel met Tim. Nog niet zo lang, maar dat gaf niet. Marije vond Martijn leuk. ‘Het komt allemaal goed’, zei haar beste vriendin.

Er was plaats voor 20 gasten. Ze kreeg wat geld van haar moeder, met haar broer zou ze boodschappen doen. Hij kon autorijden. Ze vroeg zich af wat ze aan zou trekken. ‘Vergeet je vrienden nou niet op tijd uit te nodigen’, had haar moeder gezegd. ‘Het is al over een maand en op vrijdagavond is iedereen erg druk. Dat weet je.’

Het was nog vakantie toen ze de uitnodiging verstuurde naar haar vrienden. Via facebook. Al haar vrienden deden het. Zo kon je snel en makkelijk iedereen op de hoogte stellen van je feestje. Ze wist niet beter. Alles keurig ingevuld. Adres, tijdstip – vanaf 22.00 uur – en de wensen voor het cadeautje.

De reacties druppelden binnen. Marije deelde de uitnodiging met haar vrienden, zodat Martijn zou komen. Als Martijn kwam, dan bleef Tim niet achter. Ze tuurde elk uur op het scherm. Geen Tim. Zijn reactie bleef weg. Ze herhaalde de oproep. Zou hij het gemist hebben. Misschien was hij met vakantie.

Nog steeds geen reactie. Al verbaasde het haar dat het aantal mensen dat zou komen, groeide en bleef groeien. Elk uur leken er 100 mensen te zijn toegevoegd. Het zal wel een foutje zijn van facebook, dacht ze. Maar 10.000 mensen was wel heel erg veel. Haar moeder had gezegd dat ze 20 vrienden mocht uitnodigen.

Tussen al die reacties zocht ze naar Tim. Haar feestje kreeg ineens de naam ‘Project X’. Ze zocht op internet wat het betekende. En zag de film van het feestje dat uit de hand liep. ‘Kom allemaal naar Merthe’, schreeuwden sites. De site volkomenkut.nl nodigde iedereen van harte uit op haar feestje. Haar naam stond erbij en hun adres.

Ze hadden het ook gezien, zei de politieman toen ze samen met haar vader zich bij het bureau meldde. ‘Als u niet bij ons gekomen was, waren wij bij u gekomen’, zei hij. Hij trok aan zijn snor, haalde er een collega bij. Het werden er steeds meer. ‘Dat zijn er heel wat, 20.000 mensen’, zei zijn collega. ‘Zouden ze allemaal komen?’ vroeg ze zenuwachtig. Dat waren evenveel vrienden die ze mocht uitnodigen, maal duizend.

Ze ging met haar ouders mee naar haar tante. ‘Weet niemand waar dat is?’ had ze nog gevraagd. ‘Ze hebben ons verzekerd dat er niks gebeurt.’ Voor de zekerheid stond er een politieauto voor het huis van haar tante. Daar zag ze hoe de duizenden jongeren door haar dorp liepen. De verkeersborden vlogen door de lucht. Een steen vloog door de ruit van de supermarkt. De dronken menigte stond buiten met de kratten bier. Een jongen liet een koud knakworstje in zijn mond glijden. ‘Waar is dat feestje’, schreeuwden ze. ‘Hier is dat feestje.’

Op de achtergrond zag ze hem. Hij was het. Ze wist het zeker. Het was in een flits, maar lang genoeg om hem te zien. Hij gooide een fiets in de richting van het ME-busje. Het metaal kletterde op het wegdek en gleed tegen een geparkeerde auto.

Het beeld van de hand

image
Het nieuwe beeld aan het Weerwater in Almere

Bij het Weerwater staat sinds vrijdag een beeld van een hand. Het kunstwerk beantwoordt precies waaraan kunst moet voldoen: het verrast en voelt tegelijk vertrouwd aan. Dat geldt zeker voor kunst die je buiten aantreft. Ik was er eerder die dag langs gehold. Toen was er nog niks. Die avond zag ik een tweet voorbijkomen van Kanteldenker. Het kunstwerk bij avondlicht.

Een leuk beeld, vond ik. De grote hand hield iets vast in de vorm van een schip. De vormen zagen er enthousiasmerend uit. Er hing positiviteit rond het beeld. Zelfs op deze avondfoto kwam het beeld overtuigend op mij over. Dat wilde ik zelf gaan zien. Ik was bijna gelijk op de fiets gestapt, maar wachtte tot de volgende dag.

image
Detail van het beeld aan het Weerwater

Ik ben gek op beelden in de openbare ruimte. Elk beeld zou in de openbare ruimte moeten staan. Je kunt er eindeloos naar kijken, mag zelf het gezichtspunt bepalen en kan het aanraken. Kunst aanraken is de meest directe manier om in contact te treden met een kunstwerk. Je voelt de energie van de kunstenaar. Je voelt het materiaal.

Zodoende fietste ik zaterdagochtend gelijk van de markt door naar het kunstwerk. Het lag nauwelijks buiten mijn fietsroute. En ik wilde die nieuweigheid weleens zien. Ik zag het. Het zonlicht scheen er mooi op.

Ik was verrast, maar het kunstwerk voelde gelijk vertrouwd aan. Alsof het er altijd had gestaan. Een rustgevend element. Een anker. Ik fotografeerde het van alle kanten met mijn mobieltje. Liet het licht er mooi op schijnen en genoot van de wisselwerking tussen kunst en ruimte.

image
Wisselwerking tussen het beeld en de ruimte

Een paar fietsers reden langs en zagen het beeld staan. ‘Wat mooi’, verzuchtte een vrouw. Het brons lichtte mooi op in deze zon. De zon mocht misschien op de herfststand staan, het liet het beeld van zijn zonnigste kant zien. Ik keek nog eens goed naar de vingers, de nagels en de vingerkootjes.

De boot die de hand vasthield en de werking van de schaduw op het beeld. De wind ruisde zachtjes door de bladeren van de platanen. Het voelde vertrouwd aan. Zo moet kunst zijn, dacht ik. Verrast en vertrouwd tegelijk.

Terug van de kringloopwinkel

Best leuk om te doen, die unboxing video van het boekenpakket van Komrij. Daarom heb ik gisteren na thuiskomst van de kringloopwinkel weer een video geschoten. Dit keer over de boeken die ik ‘gescoord’ had.

Een paar leuke aanwinsten voor mijn bibliotheek, waaronder het boek Naakte lunch van William Burroughs en Portugal van Rentes de Carvalho wel de leukste waren. En verder boeken van Büch, Brusselmans, Greshof, Mortier en Nooteboom.

Leuk genoeg voor een ‘unboxing video’ in een zonovergoten bibliotheek. Na de opname gingen de gordijnen weer toe.

Kritiek van de koude grond


Altijd heb ik het voornemen gehad het werk van Gerrit Komrij (1944-2012) integraal door te nemen. Zijn dood heeft dit voornemen bespoedigd. Nu trakteer ik mij dagelijks op een paar stukjes Komrij. Ik ben begonnen met Daar is het gat van de deur. De eerste bundeling met kritieken en essays van Gerrit Komrij uit 1974.

Het boek laat duidelijk zien dat Komrij nog op zoek is naar de juiste toon en aanpak in zijn
kritieken. De aanpak is sterk wisselend. Het venijn tiert welig en de kritiek slaat naar alle kanten. Kritiek om de kritiek en vooral kritiek van de koude grond. Maar ondanks dat een genot om te lezen. Je kunt al lezend wel begrijpen waarom zijn boekbesprekingen in Vrij Nederland zo razend populair waren.

Je kunt er nu niet meer mee wegkomen, terwijl het destijds zeer vermakelijk op de lezers moet zijn overgekomen, sprekend over ‘het knollen- en bietenproza van Henk van der Meyden’. Of een volstrekt nietszeggend citaat van Dirk Ayelt Kooiman opvoerend zeggen: ‘Dit zijn volstrekt juweeltjes van vertelkunst.’ Hij vervolgt:

‘Overweldigend en grandioos weet Kooiman dus onze aandacht gevangen te houden, ondanks de welhaast volkomen tuttigheid en kleurloosheid van zijn figuren. Zijn ongemeen talent als schrijver is hiermee genoegzaam bewezen.’ (46)

Komrij schuwt niet de groten der aarde aan te vallen. Hermans, Reve en zelfs Claus moeten eraan geloven. Of over Maarten Biesheuvel waarbij hij stelt dat de verhalen wel sterk op elkaar lijken:

‘Veel verhalen uit de ‘beide’ bundels van Biesheuvel kruisen elkaar: in het ene verhaal uit de ene bundel verneem je wat er zoal in het andere verhaal uit de andere bundel vertelt, uiteindelijk, wat het doel van die reis is geweest.’

Het gevaar van dergelijk herhalingen levert een leesmoeheid op die de lezer Komrij duidelijk getroffen heeft bij het recenseren.

Daarmee is Daar is het gat van de deur vooral een kijkje in de vroege literaire kritieken van Komrij geworden. Een stijl die geleidelijk aan kracht wint. Van het vrolijke geknetter van een batterij windjes verandert zijn schrijfstijl steeds meer in de harde paukenslag van de knalscheet. De grap wordt goed voorbereid en met een harde knal afgerond.

Wat vooral verrast, zijn de bijdrages die Komrij achterin het boek heeft opgenomen. Het zijn een bijdrage over een boek rond de laatste eer in Nederland, dat wat hem betreft ‘Een Vademecum van de dood’ mag heten. Of een verslag over de Jugendstil-tentoonstelling in het Rijksmuseum (1972). Om te zwijgen over de prachtige verhandelingen bij de bespreking over een boekje rond Watertorens in Nederland:

‘Watertorens, daar ben ik altijd van geschrokken en daar schrik ik nog steeds van, wanneer ik er een zie. Ik weet er nu, […], weer wat meer van. […]. De watertoren van Zaltbommel komt, sedert ik dit boekje in handen kreeg, elke nacht in mijn dromen voor: ik bedoel maar – al die goedkope onzin over fallus-symboliek – laat maar zitten.’

In Daar is het gat van de deur bewaart Komrij het lekkerste voor het laatste. Het zijn 5 essays bij boeken die hij vertaald heeft van Emmanuel Rhoïdis, Alfred Jarry, Poggio de Florentijn, Rodolphe Töpffer en Oscar Wilde. Essays die Komrij zelf in zijn Vooraf bescheiden schrijft: ‘ Ze getuigen meer van nijverheid dan van briljante vergezichten’.

Met die beschrijving ben ik het totaal oneens. Het zijn stuk voor stuk prachtige essays die onbekende schrijvers en feiten aan de vergetelheid ontrukken. Komrij doet dit met een journalistieke gedrevenheid en oog voor detail die bewonderingswaardig zijn.

Zoals de anekdote rond Jarry die in zijn achtertuin aan het schieten is met een geweer. De buurvrouw komt ontzet binnenstormen en vraagt waar hij mee bezig is. Zijn schieten brengt de spelende kinderen in de naastgelegen tuin in gevaar. ‘Jarry antwoordt, met zijn heel eigen staccato-stem: ‘Mocht zulks ooit gebeuren, ma-da-me, dan maken we toch zeker nieuwe?’ (206).

Een stem, volgens Komrij scherp articulerend, hortend en zonder enige intonatie. Komrij verduidelijkt dit met een citaat van André Gide: ‘Wanneer een notekraker kon praten zou hij het precies zo doen’. Een stijl van praten die ten tijde dat het stuk geschreven werd nog ‘le parler Ubu’ genoemd werd in Parijs. Een manier van praten die sterk met de krakende stem van Komrij zelf overeenkomt. Het verklaart misschien zijn voorliefde voor Jarry.

Het (opnieuw) lezen van dergelijke boeken levert veel plezier en nog meer bewondering voor Komrij op. Zelfs de vroege Komrij herbergt onmiskenbaar de meester in zich die ik later leerde kennen. De meester die met liefde over poëzie schreef, maar de schatjes van de letterkunde even genadeloos met dezelfde pen kon neersabelen. Een schrijver die ik bij elk artikel dat ik van hem lees, meer mis.

Unboxing boekenpakket Gerrit Komrij

Op internet worden we doodgegooid met zogenaamde Unboxing video’s. Het begon met het uitpakken van hightech gadgets voor de camera. Het filmpje kwam dan terecht op youtube waarna alle geeks het konden bekijken.

Daarna ontstond snel een devaluatie van dit soort video’s. Iedereen doet het. Het is tegenwoordig erg populair bij de beautybloggers die een pakketje bestellen – al dan niet uit Amerika – en voor de webcam uitpakken.

Ik kreeg deze week een indrukwekkend pakket boeken van Robert de Swaan Arons uit Frankrijk. Daarom heb ik een unboxing video gemaakt, waarbij ik de tas met bibliofiele boeken uitpak voor de camera.

Ik ben helemaal gelukkig met de prachtige boeken en ben nog herstellend van de verbazing. Nu nog alles gaan lezen, wat weer een nieuwe verbazing zal opleveren. Ik overweeg om de boeken afzonderlijk te gaan bespreken. Dus wie weet, komt er nog meer.